Conclusie
1.Feiten en procesverloop
(ii) Erflater is in eerste echt gehuwd geweest met [verweerster 1] (hierna: ‘ [verweerster 1] ’). Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten [de dochter] (hierna: ‘ [de dochter] ’) en verzoeker [verweerder 2] (hierna: ‘ [verweerder 2] ’). [de dochter] is op 8 februari 2007 onder bewind gesteld met [verweerster 1] en [verweerder 2] als bewindvoerders.
(iii) Erflater is van 13 mei 2004 tot zijn overlijden op 11 november 2015 gehuwd geweest met [verzoekster] (hierna: ‘ [verzoekster] ’). [verzoekster] heeft twee kinderen: [belanghebbende 4] (‘ [belanghebbende 4] ’) en [belanghebbende 5] (‘ [belanghebbende 5] ’), die de stiefkinderen zijn van erflater. Hierna gezamenlijk: [verzoekster] c.s.
(iv) Erflater heeft in zijn testament bepaald dat op zijn nalatenschap ten gunste van [verzoekster] de wettelijke verdeling conform artikel 4:13 BW Pro van toepassing zal zijn, met als overige erfgenamen zowel zijn nakomelingen als zijn beide stiefkinderen voor gelijke delen alsook zijn tweede echtgenote voor 1% van de nalatenschap.
(v) Erflater heeft [belanghebbende 3] benoemd tot executeur van de nalatenschap en tot afwikkelingsbewindvoerder door de duur van ten hoogste vijf jaren na het overlijden van erflater. [belanghebbende 3] heeft deze benoeming aanvaard. [2]
nietuitgekeerd aan [verzoekster] c.s., maar juist aan Direktbank, naar thans gebleken daarbij optredend als uitvoerder van de hypotheekverstrekker ASR, als opvolger van AMEV. Kortom, [verzoekster] heeft niet zelf het geld doorbetaald maar ingestemd met deze – in haar ogen – onjuiste uitbetaling, en [verzoekster] wenst dat dit vervolgens wordt gecorrigeerd in het kader van de bepaling van de vordering van de erfgenamen (omvang nalatenschap).
nade – voorshands aangenomen – verpanding als genoemd door het hof, waarbij per althans sinds 3 augustus 2004 [verzoekster] c.s. als verzekeringnemer en eerste begunstigde vermeld staat?
alle rechten en vorderingen uit de tussen de schuldenaar( [erflater] / erflater, GHSHE)
en AMEV Levensverzekering N. V. gesloten overeenkomst van levensverzekering onder polisnummer— (handgeschreven)
[001] = [002]” en is getekend op 25 juni 2004. Dit geldt evenzeer voor de akte van inpandgeving (productie 38 zijdens [verzoekster] c.s.), en toen, op 25 juni 2004, was nog geen sprake van splitsing.
alle rechten”, geen effect meer heeft en het overlijdensrisicodeel betrekking hebbend op erflater als verzekerd lijf/ verzekerde alleen nog (maar) toe zou komen aan [verzoekster] c.s..
voordat[verzoekster] c.s. verzekeringnemer/gerechtigde werd?” geen onduidelijkheid meer bestaat. Natuurlijk zou het hof ervoor kunnen kiezen om het uitblijven van een bericht van Direktbank, als uitdrukkelijk door het hof verzocht, te duiden als onwil van [verzoekster] c.s. en dus meteen aan te nemen dat de polisuitkering volledig in de nalatenschap is gevallen, zodat de gedeeltelijke aflossing van de hypothecaire lening terecht heeft plaatsgevonden en geen correctie behoeft in het kader van de bepaling van de omvang van de boedel.
één maalin de gelegenheid stellen duidelijkheid te verkrijgen van ASR, en wel door aan deze maatschappij
de (gehele) onderhavige beschikking plus de hierna te noemen stukkenvia deurwaardersexploot (met terstond te versturen afschrift aan [verweerster 1] en [verweerder 2] ) voor te leggen aan ASR en de hierna te formuleren vraag te stellen:
vóórdat op de polis alsnog een wijziging werd doorgevoerd qua verzekeringnemer van het deel dat zag op het leven van [erflater] , erflater.
€ 1.817.202,37[namelijk € 1.840.728.37 -/- € 23.526 (€ 12.025 +/+ € 9.501 +/+ 2.000,=, onderdeel b.1.)].
€ 1.192.662,00[ namelijk 1.598.092,00 -/- € 400.000,= ten onrechte correctie (onderdeel a) en -/- € 5.430 (onderdeel b.2).
€ 312.270,=
2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1) en over de wijze waarop het hof de eindbeschikking de geldvorderingen in de zin van art. 4:15 lid 1 BW Pro heeft vastgesteld (
onderdeel 2). Alvorens het middel te bespreken, zet ik een aantal uitgangspunten op een rij.
De wettelijke verdeling op de voet van art. 4:13 BW Pro brengt mee dat alle goederen van de nalatenschap van rechtswege aan [verzoekster] als langstlevende echtgenote toebehoren en dat zij de schulden van de nalatenschap moet voldoen (art. 4:13 lid 2 BW Pro). Dit laatste wil overigens niet zeggen dat de langstlevende echtgenoot de schulden in haar verhouding tot de kinderen dient te dragen. De hierna te noemen vorderingen van de kinderen worden immers berekend in het saldo van de nalatenschap. [8]
Voor het bepalen van het saldo van de nalatenschap gaat het niet alleen om het saldo van de goederen en van de schulden van de erflater (vgl. art. 4:7 lid 1 onder Pro a BW), maar ook om andere schulden van de nalatenschap in de zin van art. 4:7 BW Pro. [9] De omvang van de geldvorderingen van de verschillende kinderen behoeft bij gelijke erfdelen overigens niet dezelfde te zijn, omdat bijvoorbeeld rekening moet worden gehouden met eventuele ‘inbreng’ van giften op de voet van art. 4:229 e.v. BW. [10] Deze geldvorderingen zijn pas opeisbaar bij overlijden van de langstlevende echtgenoot, dan wel bij diens insolventie of in de door erflater bij uiterste wilsbeschikking bepaalde gevallen (art. 4:13 lid 3 BW Pro). Hetzelfde geldt voor stiefkinderen indien dit, zoals in dit geval, bij uiterste wilsbeschikking is bepaald (art. 4:27 in Pro verbinding met art. 4:8 lid 3 BW Pro).
Voor zover de erfgenamen over de vaststelling van de omvang van de geldvorderingen niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt deze op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter vastgesteld (art. 4:15 lid 1 BW Pro). [11]
Omdat de aflossing van de hypothecaire schuld met het bedrag van de uitkering geschiedt ten laste van het vermogen van de echtgenoot-begunstigde, wordt de echtgenoot-begunstigde gesubrogeerd in de rechten van de schuldeiser van de hypothecaire lening, voor zover zij op die lening meer heeft afgelost dan in haar onderlinge verhouding met de erflater aangaat, zodat hij/zij een vordering op de nalatenschap verkrijgt. [18]
Naar mijn mening dient de instemming van [verzoekster] met de betaling van ASR aan Direktbank veeleer te worden aangemerkt als een bekrachtiging door [verzoekster] van die betaling (art. 6:32 BW Pro). Door de bekrachtiging is alsnog met terugwerkende kracht [19] sprake geweest van een bevrijdende betaling van het bedrag door ASR aan [verzoekster] . Achteraf bezien was er dus geen onverschuldigde betaling door ASR aan Direktbank.
Er is sprake van een zogenaamde ‘verkorte’ betaling: ASR voldeed haar schuld aan [verzoekster] door het bedrag van € 400.000 uit te keren aan Direktbank ter delging van de schuld van [verzoekster] en erflater aan Direktbank. Het geld ging dus niet eerst feitelijk van ASR naar [verzoekster] en vervolgens van haar naar Direktbank. Met deze verkorte betaling voldeed ASR haar schuld aan [verzoekster] en voldeed [verzoekster] voor een bedrag van € 400.000 ten laste van haar vermogen de schuld van haarzelf en van erflater aan Direktbank.
laat dus met het oog op de bepaling van de geldvorderingen buiten beschouwing dat zij ten laste van haar vermogen een bedrag van € 400.000 heeft afgelost op de schuld aan Direktbank. [20]
Na de afbetaling van € 400.000 resteert een schuld aan Direktbank van € 250.000. In haar verhouding tot Direktbank kan [verzoekster] als hoofdelijk verbonden schuldenaar nog worden aangesproken tot betaling van de restantschuld.
In haar verhouding tot de nalatenschap heeft [verzoekster] echter meer betaald (€ 400.000) dan haar aanging (€ 325.000, de helft van de oorspronkelijke schuld). Dit betekent dat in
dieverhouding ervan moet worden uitgegaan (i) dat [verzoekster] haar deel van de schuld heeft voldaan en het nog openstaande gedeelte van de schuld (€ 250.000) in de nalatenschap valt en (ii) dat [verzoekster] een vordering op de nalatenschap heeft van € 75.000, het bedrag dat zij meer heeft betaald aan Direktbank dan haar aanging in haar verhouding tot de nalatenschap. [21]
De berekening in rov. 6.19.1 onder a lijkt te zijn afgestemd op de situatie dat na een verpanding van de levensverzekering aan Direktbank de uitkering van € 400.000 niet in het vermogen van [verzoekster] zou zijn gevallen, maar in het vermogen van Direktbank (als begunstigde).
subonderdeel 1.1), althans dat het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is omdat niet blijkt en evenmin (zonder nadere motivering) valt in te zien waarom aan de eventuele verpanding ondanks het voorgaande (beslissende) betekenis toekomt (
subonderdeel 1.2).
In de tussenbeschikking gaat het om een andere kwestie, namelijk dat geen onduidelijkheid meer bestaat aangaande het antwoord op de vraag “is er rechtsgeldig verpand
voordat[verzoekster] c.s. verzekeringnemer/gerechtigde werd?” (zie ook rov. 3.18.12.7.3). Deze vraag is legitiem; zou de uitkering uit de levensverzekering (rechtsgeldig) verpand zijn,
voordat[verzoekster] rechten aan die levensverzekering kon ontlenen, dan zou dat in beginsel betekenen dat die verpanding voorgaat.
subonderdeel 1.1niet een afzonderlijke klacht dat het hof heeft miskend dat de aflossing van de hypothecaire schuld, die na de overlijdensdatum heeft plaatsgevonden door middel van de uitkering, niet van invloed is op de omvang van de nalatenschap en de geldvorderingen van de overige erfgenamen. Deze klacht is namelijk al opgenomen in
subonderdeel 2.1. Indien
subonderdeel 1.1echter wel zo gelezen moet worden dat daarin wel een dergelijke klacht is opgenomen, dan geldt daarvoor hetgeen hierna bij
subonderdeel 2.1is vermeld.
Voor de schulden lijkt het normaliter niet nodig om de waarderingsmaatstaf te problematiseren, omdat schulden in beginsel zullen worden verdisconteerd voor hun nominale waarde. [25]
subonderdeel 2.1slaagt.
subonderdeel 2.1. Ook indien men met het hof ervan uitgaat dat het verzuim van [verzoekster] om de verzekering te verpanden aan Direktbank de in rov. 6.5.6-6.5.7 bedoelde gevolgen zou hebben gehad – wat ik betwijfel, zie hiervoor in 3.8 −, dan kan dit hypothetische scenario naar mijn mening niet de gevolgtrekking dragen dat de uitkering van € 400.000 meetelt bij de bepaling van het saldo van de nalatenschap en de bepaling van de omvang van de geldvorderingen van de kinderen.
Volgens het subonderdeel mocht het hof niet de aflossing van de hypothecaire schuld in aanmerking nemen bij de berekening van de omvang van de nalatenschap. Dit lag immers niet ten grondslag aan het verzoek van [verweerster 1] c.s. Partijen waren slechts in geschil over de vraag of de overlijdensuitkering tot de nalatenschap behoorde.
subonderdeel 2.3naar mijn mening niet.
[verzoekster] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 400.000 niet behoort te worden meegerekend bij het bepalen van de omvang van de nalatenschap. Zij hebben daartoe in de kern betoogd dat [verzoekster] verzekeringnemer en begunstigde was van de op het leven van erflater afgesloten verzekering, en dat de rechten uit de verzekering in het (privé)vermogen van [verzoekster] vallen nu deze niet aan de Direktbank zijn verpand. Na ontvangst van de brief van ASR hebben [verzoekster] c.s. hun standpunt mede daarop gebaseerd (zie eindbeschikking rov. 6.3).
Het hof is in zijn eindbeschikking kennelijk uitgegaan van de juistheid van de in de brief van ASR opgenomen informatie dat de rechten uit de verzekering in het (privé)vermogen van [verzoekster] vallen en niet aan de Direktbank zijn verpand (vgl. rov. 6.5.2-6.5.3). Het hof heeft het betoog van [verzoekster] c.s. in zoverre onderschreven. Het hof heeft daaraan echter niet de conclusie verbonden dat het standpunt van [verzoekster] moet worden gevolgd, maar daarentegen in rov. 6.5.5-6.5.7 beredeneerd waarom het standpunt van [verzoekster] c.s. niet kan worden aanvaard.
[verweerster 1] c.s. hebben niet (subsidiair) een betoog als bedoeld in rov. 6.5.5-6.5.7 van de eindbeschikking aan hun standpunt ten grondslag gelegd, voor het geval dat zou moeten worden uitgegaan van de juistheid van de informatie in de brief van ASR.
subonderdelen 2.4, 2.5 en 2.6klagen over elementen van de redenering van het hof in rov. 6.5.7 en 6.5.8. Nu de
subonderdelen 2.1 en 2.2slagen, behoeven deze subonderdelen geen behandeling. Ik merk er ten overvloede het volgende over op.
Dit argument gaat er m.i. aan voorbij dat de verpanding van de verzekering erop was gericht dat de schuld aan de bank bij overlijden van erflater met een bedrag van € 400.000 zou worden afgelost. De aflossingscapaciteit en het eventuele verhaalsrisico zou daarna een lagere schuld betreffen.
Het subonderdeel mist in dit opzicht feitelijke grondslag, omdat het hof hiervan niet is uitgegaan. Overigens had mijns inziens wel voor de hand gelegen dat de betaling door ASR aan Direktbank was aangemerkt als nakoming door ASR van haar verbintenis jegens [verzoekster] nu deze betaling achteraf door [verzoekster] is bekrachtigd (zie hiervoor in 3.8). De verzekeraar had daarom weliswaar niet aan de begunstigde kunnen tegenwerpen dat zij jegens de geldverstrekker verplicht was tot schadevergoeding, maar wel dat sprake was van bevrijdende betaling.
Het gaat er niet om of het gegeven dat de uitkering is gebruikt voor de gedeeltelijke aflossing van de schuld, betekent dat [verzoekster] daarmee heeft voldaan aan een verplichting jegens Direktbank (kennelijk de verplichting om te gaan verpanden; het hof gaat aan het slot van rov. 6.5.8 in op de verplichting om de schuld af te betalen). Het gaat erom wat dit gegeven betekent voor de bepaling van het saldo van de nalatenschap en de omvang van de geldvorderingen. Dáárvoor kan dit gegeven gevolgen hebben, doordat de betaling indirect mede ten goede aan de erfgenamen kan komen (zie hiervoor in 3.7.2). In dit klacht wordt dit laatste aangemerkt als ‘benadeling van [verzoekster] ’.
Ik zie hierin geen oordeel dat dragend is voor de beslissing van het hof. Gaat het echter wel om een dragend oordeel, dan slaagt de klacht dat deze overweging onvoldoende begrijpelijk is. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien op welke natuurlijke verbintenis het hof doelt.
subonderdeel 2.5), bestaat er belang bij een bespreking van deze klacht.
Ik begrijp de klacht aldus dat zij doelt op de wijze waarop het hof de verminderde schuld in acht heeft genomen bij het vaststellen van de geldvorderingen van de kinderen, namelijk voor € 400.000 op de in rov. 6.19.1 bedoelde wijze. Zo opgevat, slaagt de klacht. Het is niet uitgesloten dat de geldvorderingen van de kinderen moeten worden vastgesteld met inachtneming van de verminderde schuld, maar daartoe zijn nadere overwegingen nodig over de mate waarin en de grondslag waarop dat dient te gebeuren.
subonderdelen 2.1, 2.2, 2,5 en 2.6van het middel. De eindbeschikking van het hof dient te worden vernietigd en de zaak dient te worden verwezen naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.