Conclusie
Nummer20/04251
Bewezenverklaring en bewijsvoering
18. Eindproces-verbaal (…), te weten: proces-verbaal onjuiste/onvolledige belastingaangiften, niet (tijdig) ingediende belastingaangiften d.d. 18 november 2016, (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
Bewijsmiddelen onjuiste/onvolledige aangiften omzetbelasting [verdachte] (eenmanszaak [A] )
€ 195.284 -/-
€ 156.221-/-
Bespreking van het eerste, het tweede en het derde middel
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof onder 1 onder andere bewezen heeft verklaard dat de verdachte onjuiste en/of onvolledige belastingaangiften over het 2e kwartaal van 2013 en het 2e kwartaal van 2014 heeft laten doen, terwijl het hof de bewezenverklaring in zoverre niet begrijpelijk heeft gemotiveerd. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat onder 1 bewezen is verklaard dat de verdachte een onjuiste en/of onvolledige belastingaangifte over onder andere het 2e kwartaal van 2013 heeft laten doen, terwijl de bewezenverklaring in zoverre niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans niet begrijpelijk is gemotiveerd. Het
derdemiddel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onder 1 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet begrijpelijk is gemotiveerd. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
eerstemiddel wordt aangevoerd dat het recht op aftrek van voorbelasting kan worden geweigerd door de Belastingdienst als een belastingplichtige wist of had moeten weten (en dit aan de hand van objectieve gegevens blijkt) dat hij deelneemt aan belastingfraude. Dat het recht op aftrek van voorbelasting kán worden geweigerd door de Belastingdienst, zou niet maken dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte geen recht op aftrek van voorbelasting heeft. De steller van het middel meent dat in de nationale wetgeving niet is geregeld dat bij deelname aan fraude de aan de ondernemer in rekening gebrachte btw niet aftrekbaar is. Het enkele gegeven dat aftrek kan worden geweigerd, zou nog niet meebrengen dat bij het doen van de aangifte de voorbelasting niet in aftrek kan worden gebracht.
tweedemiddel wordt gewezen op artikel 15, eerste lid, onder a, van de Wet op de omzetbelasting 1968, dat bepaalt wanneer voorbelasting in aftrek kan worden gebracht. Dat artikel luidt, voor zover in deze van belang, als volgt:
derdemiddel wordt geklaagd over ’s hofs overweging dat de verdachte had moeten weten dat de aan de eenmanszaak in rekening gebrachte voorbelasting niet in aftrek kon worden gebracht. De steller van het middel wijst erop dat volgens vaste jurisprudentie van Uw Raad ‘had moeten weten’ niet de juiste maatstaf is voor voorwaardelijk opzet. Daarom zou de motivering van het hof getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans zou de bewezenverklaring niet begrijpelijk zijn gemotiveerd.
Bespreking van het vierde middel
vierdemiddel bevat de klacht dat het hof bij de strafoplegging ten onrechte, althans niet begrijpelijk gemotiveerd andere dan bewezenverklaarde feiten heeft betrokken.
Bespreking van het vijfde middel
vijfdemiddel bevat de klacht dat het hof het nadeel als gevolg van het bewezenverklaarde handelen heeft becijferd op € 2.225.240,-, terwijl het hof de vaststelling van de omvang van het nadeel niet begrijpelijk heeft gemotiveerd.
Bespreking van het zesde middel
zesdemiddel bevat de klacht dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn in cassatie, is geschonden.