Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 1.1van het onderdeel heeft het hof met de hiervoor 3.2 geciteerde overweging miskend dat, gelet op [eiser] betoog dat ongewijzigde instandhouding van de canonherzieningsbepaling uit de erfpachtakte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, het (wel) aan het hof was om te beoordelen of de canonherzieningsbepaling moet worden aangepast, namelijk op grond van hetzij art. 6:248 lid 2 BW Pro, hetzij een andere door het hof aan te vullen rechtsgrond.
in beginselwordt bepaald door wat de akte van vestiging daaromtrent inhoudt. Wie een onroerende zaak heeft gekocht en (dus) het met de wederpartij eens is geworden over de koopprijs, kan niet vervolgens de hoogte van die prijs door de rechter laten toetsen. Zo ook kan wie een erfpachtsrecht heeft verkregen en de aan dat recht verbonden voorwaarden heeft aanvaard, waaronder die met betrekking tot de canon en de herziening van de canon, niet bij de rechter de hoogte van de canon laten toetsen. Naar geldend recht bestaat er immers niet zoiets als een ‘rechtvaardige prijs’. De leer van de moraaltheologie en van het kanonieke recht van het
iustum pretium [3] is reeds sinds lang verlaten. [4] Weliswaar geldt dit met betrekking tot de aanvangscanon in de sterkste mate, maar uit de wetsgeschiedenis en uit de maatstaf van art. 5:97 BW Pro voor (onder meer) wijziging van de erfpacht (de canon daaronder begrepen), blijkt dat de wetgever ook de inhoud van canonherzieningsbepalingen geheel aan de partijen heeft willen overlaten. Zie hierna 3.13 en 3.18. In deze zin is juist wat het hof overweegt, namelijk dat het niet aan de rechter is om te beoordelen of de canon onredelijk hoog is.
nietbedoeld wat de steller van het middel ervan maakt, namelijk dat, ook niet bij uitzondering, de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (of een andere rechtsgrond) de hoogte van de canon niet zou kunnen beïnvloeden. Uit de zinnen die aan de aangevallen overweging voorafgaan, blijkt het tegendeel. Daar respondeert het hof op het beroep van [eiser] op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, door te overwegen, kort gezegd, dat de consequenties van artikel 8 van Pro de erfpachtsakte eenvoudig zijn te doorgronden en dat het beding duidelijk is, dat de financiële gevolgen van het beding voorzienbaar zijn en dat de (goederenrechtelijke) overeenkomst welbewust is aangegaan. Kortom, de klacht berust op een onjuiste lezing van ’s hofs arrest.
onder 1.2met motiveringsklachten (in de procesinleiding in cassatie genummerd a tot en met h) naar aanleiding van acht stellingen die volgens de steller van het middel een essentieel karakter dragen. Mijns inziens slagen ook deze klachten niet.
door deskundigenwel of niet te honoreren (anders dan art. 166 lid 1 Rv Pro met betrekking tot een aanbod tot bewijs
door getuigeninhoudt). [5]
onder 2.1van het onderdeel heeft het hof miskend dat het goederenrechtelijke karakter van het erfpachtrecht meebrengt dat een partij slechts een beroep kan doen op een canonherzieningsbepaling voorafgaand aan de ingangsdatum van een nieuwe canonperiode. In de klacht wordt betoogd dat partijen en derden erop moeten kunnen vertrouwen dat de canon niet meer kan worden gewijzigd na de wisseling van een tijdvak. De mogelijkheid om tot vijf jaar na ingang van de nieuwe canonperiode (alsnog) de canon te herzien met terugwerkende kracht is volgens [eiser] strijdig met art. 5:85 lid 2 BW Pro en levert een te grote rechtsonzekerheid op.
[…] /Amsterdamuit 2016 aan het bepaalbaarheidsvereiste. [16]
onder 2.2van het onderdeel heeft het hof miskend dat art. 6:238 lid 2 BW Pro en art. 38 Handvest Pro een hoog niveau van consumentenbescherming vereisen, wat betekent dat een rechter een bepaling in de erfpachtakte moet uitleggen op een wijze die het meest voordelig is voor de consument. Volgens [eiser] moest het hof de canonherzieningsbepaling daarom zo uitleggen dat de bepaling de erfverpachter niet de mogelijkheid verschaft om de canon met terugwerkende kracht te herzien, omdat die mogelijkheid niet uitdrukkelijk in de bepaling wordt genoemd.
beide), althans het gelukt mij niet iets anders in het onderdeel te lezen. In feite doet hij niet anders dan
ponerendat een uitleg van artikel 8 als Pro door het hof gegeven niet met art. 6:238 lid 2 BW Pro verenigbaar is vanwege een vereist ‘hoog niveau van consumentenbescherming’. Mijns inziens kan de aldus ingestoken klacht onmogelijk slagen.
met terugwerkende kracht(over een periode van vijf jaar terug), zoals die de consequentie zou zijn van de door het hof aan de artikelen 7 en 8 van de erfpachtsakte gehechte uitleg. Dat is een frame dat mijns inziens geen recht doet aan wat het hof heeft beslist. Dat de gevolgen van een canonherziening tot op zekere hoogte ook op het verleden kunnen zien, is ‘slechts’ een implicatie van de uitleg die het hof aan de akte heeft gegeven, namelijk (i) dat de akte niet een zo strenge vervaltermijn kent voor een beroep op de canonherzieningsbepaling als [eiser] voorstaat en (ii) dat de concrete canonherziening op grond van artikel 8 ingaat Pro per 1 januari 2016. Dit laat onverlet dat onder omstandigheden er reden kan bestaan om een laat ingeroepen canonherziening in haar werking voor het verleden geheel of gedeeltelijk te beperken op grond van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. (Naar aanleiding van de voorliggende zaak nog: HUL heeft zich op 11 maart 2016 op de herzieningsbepaling van artikel 8 beroepen Pro, zijnde minder dan drie maanden na het nieuwe canontijdvak. Vergelijk hiervoor 2.1 onder xiii.)
onder 2.3van het onderdeel nog volgt, komt neer op een poging om in een derde feitelijke instantie de juiste uitleg van artikel 8 (in samenhang met de artikelen 6 en 7) te doen beoordelen. Die poging kan niet slagen. ’s Hofs oordeel dunkt mij voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
onder 3.1van het onderdeel is het oordeel van het hof onjuist voor zover het hof heeft geoordeeld dat aan de uitvoering van het herstel door HUL geen enkele termijn is verbonden, zodat HUL niet gehouden is het in artikel 14.1 bedoelde herstel binnen een redelijke termijn uit te voeren. Dit is volgens de klacht in strijd met art. 6:38 BW Pro, op grond waarvan een verbintenis terstond kan worden nagekomen en nakoming terstond kan worden gevorderd, indien geen tijd voor de nakoming is bepaald.
onder 3.2van het onderdeel slagen mijns inziens niet. Ik meen daarover kort te kunnen zijn:
onder 4.1heeft het hof miskend dat in beginsel moet worden verondersteld dat een partij voldoende belang heeft bij ‘een expliciet daartoe ingestelde vordering’.
onder 4.1volgt een motiveringsklacht. Ook die klacht faalt. De ingrediënten van de door het hof gemaakte belangenafweging blijken mijns inziens voldoende duidelijk uit rechtsoverweging 3.17 en de uitkomst van die afweging is niet onbegrijpelijk.
onder 4.2van het onderdeel.
onderdeel 5behoeven geen bespreking.