Conclusie
1.Overzicht
goodwillmoet afschrijven en daardoor minder winst heeft om belanghebbendes voorvoegingsverlies tegen af te zetten.
Rechtbankheeft de belanghebbende in het gelijk gesteld: wel verrekening; geen afschrijving. Ook het
Hofachtte verrekening mogelijk, maar afschrijving verplicht: art. 5(4) Besluit Fiscale Eenheid (BFE) merkt de winst van [A] nieuw aan als winst van de belanghebbende en de duidelijke tekst van art. 15ae(1)(c) Wet Vpb brengt dan mee dat belanghebbendes voorvoegingsverlies 2010 verrekend kan worden met die winst 2015 en 2016. Art. 18 BFE Pro is niet van toepassing omdat lid 1 (de eenheid wordt geacht niet te zijn verbroken) niet wegneemt dat [A] oud wel degelijk verdwijnt (de fusie wordt niet genegeerd) en lid 2 niet over voorvoegingsverliezen van de belanghebbende gaat, maar over voorvoegingsverliezen van de verdwijnende vennootschap (die er niet zijn).
goodwillbetreft, constateert het Hof dat volgens art. 15ah(2)(a) Wet Vpb de aan [A] Nieuw toe te rekenen winst moet worden bepaald met afschrijving op de bij de fusie overgegane vermogensbestanddelen op basis van de waarde in het economische verkeer. Art. 15ah(2) Wet Vpb brengt dan mee dat de overgenomen
goodwillniet jaarlijks volgens de
impairmentmethode mag worden gewaardeerd, maar jaarlijks moet worden afgeschreven omdat dat beantwoordt aan de strekking van die bepaling dat stille reserves die bij de overdrager zijn ontstaan, niet gebruikt kunnen worden voor verrekening van voorvoegingsverliezen door de overnemer. Daardoor is minder winst beschikbaar om belanghebbendes verlies 2010 te absorberen.
fraus legisafgewezen. Niet in geschil was dat aan het motiefvereiste is voldaan. Volgens het Hof was echter niet aan het normvereiste voldaan. De belastingbesparing die de belanghebbende binnen de kaders van de art. 15ae en 15ah Wet Vpb heeft gerealiseerd, is volgens het Hof niet in strijd met doel en strekking van de wet, nu de wetgever klaarblijkelijk ook in gevallen zoals het hare bij de verrekening van voorvoegingsverliezen na overdracht van vermogensbestanddelen binnen de eenheid bewust is afgeweken van volledige winstsplitsing. Dat die keuze niet tot eenzelfde resultaat leidt als volledige winstsplitsing – zoals in casu – is inherent aan die keuze, aldus het Hof.
fraus legisis voldaan omdat de wetgever verliesverrekening zoals de litigieuze bewust niet zou hebben uitgesloten, hoewel van dergelijke bewustheid geen sprake is.
incidenteel cassatieberoepingesteld tegen ’s Hofs oordeel dat art. 15ah(2) Wet Vpb inbreuk maakt op HR B. 9213 en dat de impairment methode daarom uitgesloten is, zodat afgeschreven moet worden op de overgenomen
goodwill.
carry backvan haar verliezen naar voorvoegingswinstjaren van [A] Oud. Zij wenst verrekening van haar voorvoegingsverlies met de
navoegings- en
nafusiewinst van (voorheen) [A] Oud.
Nieuw. Die bepaling zegt immers dat voor de toepassing van artikel 15ae(1) Wet Vpb – en die bepaling zijn wij aan het toepassen – de aan [A] Nieuw toe te rekenen winst van de eenheid wordt aangemerkt als winst van de belanghebbende. De winst 2015 en 2016 die [A] Nieuw heeft gemaakt met de onderneming van voorheen [A] Oud is eenheidswinst die volgens art. 15ah(1) Wet Vpb is toe te rekenen aan [A] Nieuw en wordt daarom door art. 5(4) BFE aangemerkt als winst van de belanghebbende. Daardoor is verrekening van haar voorvoegingsverlies met die winst mogelijk, tenzij de ‘inachtneming van het tweede en derde lid’ van art. 15ah anders meebrengt.
goodwilluitgaande van de WEV van die
goodwill. Omdat het kennelijk gaat om bij [A] Oud niet-geactiveerde zelf-gegenereerde
goodwill, moet [A] Nieuw die WEV volledig afschrijven, en wel, volgens art. 3.30(2) Wet IB 2001, in tien jaren, wat haar winst drukt en daarmee de verrekening van belanghebbendes voorvoegingsverlies.
verdwijnerplaatsvindt alsof geen fusie heeft plaatsgevonden; er volgt niet
a contrariouit dat voor de verliesverrekening van de
verkrijgerde fusie
nietwordt genegeerd, aldus de Staatssecretaris.
ongunstige afwijking van de overigens geldende wettelijk verliesverrekeningstermijnen. Nu de bepaling wel iets voor de verdwijnende vennootschap regelt en met geen woord rept over de verkrijgende vennootschap, geldt mijns inziens voor die verkrijgende vennootschap de hoofdregel van verliesverrekening binnen de eenheid: art. 15ae Wet Vpb. Dat is geen
a contrarioredenering, maar volgt rechtstreeks uit de wet. Dit betoog van de Staatssecretaris kan daarom mijns inziens geen inlezing van een niet-bestaande bepaling in afwijking van de duidelijke tekst van deze zeer specifieke bepaling rechtvaardigen.
verkrijger. Hij baseert dat op een doorverwijzing naar een algemene opmerking in de toelichting op een andere BFE-bepaling (art. 17 over Pro splitsing) die indirect zegt dat art. 18 BFE Pro overeenstemt met eerder goedkeuringsbeleid, maar kennelijk ten onrechte, nu art. 18 BFE Pro kennelijk
nietovereenstemt met het besluit waarnaar de Staatssecretaris verwijst. Mijns inziens kan de rechter niet in deze zeer specifieke en technische materie specifieke regels in specifieke wettelijke bepalingen lezen die er niet in staan (en wij niet weten waaróm die er niet in staan) enkel omdat vóór het van kracht worden van die specifieke technische bepaling ander beleid werd gevoerd en de besluitgever – kennelijk ten onrechte – meende dat zijn besluit precies dezelfde technische regels bevatte als de eerder door de Executieve gestelde voorwaarden voor goedkeuring van aanvragen. Ook dit betoog noopt daarom mijns inziens niet tot afwijking van (inlezing in) de duidelijke wettekst.
poolingdie het voornaamste doel van de fiscale eenheid is geen terugwerkende kracht te geven naar voorvoegingsresultaten: enerzijds (volledige) winstsplitsing en anderzijds afschrijvingscorrectie na geschuif met stille reserves en
goodwillvan voegelingen binnen de fiscale eenheid, zoals de niet-geactiveerde
goodwillvan [A] Oud (thans Nieuw), die al bestond vóór dier voeging. Het een heeft nu eenmaal niet precies dezelfde gevolgen als het ander. Uit doel en strekking van dit systeem valt volgens het Hof niet op te maken, mede gegeven de duidelijke tekst van de betrokken zeer specifieke en gedetailleerde bepalingen, dat het zich in belanghebbendes geval verzet tegen afschrijvingscorrectie in plaats van winstsplitsing.
impairmentmethode en het stelsel van HR B.9213 toestaat. Met het Hof meen ik dat bij de verrekening van voorvoegingsverliezen binnen een fiscale eenheid “slechts de opvatting aanvaardbaar is waarbij op de aanschaffingskosten van de overgenomen goodwill wordt afgeschreven” omdat anders niet wordt bereikt het duidelijke doel van de wetgever – waarmee de wettekst strookt – dat stille reserves en
goodwilldie bij de overdrager vóór voeging zijn ontstaan, buiten de verrekening van voorvoegingsverliezen door de overnemer blijven.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
fraus legis:
goodwillbetreft, staat goed koopmansgebruik volgens de Rechtbank toe om afschrijving achterwege te laten zolang de waarde ervan niet zakt beneden de verkrijgingsprijs, die door art. 15ah(2)(a) wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer ten tijde van de overgang. Het door de belanghebbende genoemde arrest HR B. 9213 [4] acht de Rechtbank nog steeds geldend recht en niet achterhaald door art. 15ah(2) Wet Vpb. Nu [A] nieuw niet verplicht is af te schrijven op de van [A] oud verkregen
goodwill, heeft zij haar winst correct bepaald en kan belanghebbendes verlies 2010 ermee verrekend worden.
NTFR2021/2978) wijst erop dat de Rechtbank de volgende passage woordelijk heeft overgenomen uit r.o. 2.3.7 van HR
BNB2021/116: “De omstandigheid dat de uitkomst van de toepassing van het samenstel van die bepalingen bij een grammaticale uitleg op gespannen voet staat met doel en strekking van een of meer van die bepalingen als zij op zichzelf worden beschouwd (…), kan niet rechtvaardigen dat aan dit samenstel van bepalingen een andere uitleg wordt gegeven”. In die zaak was volgens Bierman duidelijk dat het niet de bedoeling van de wetgever was dat (voorvoegings)houdsterverliezen konden worden verrekend met winst van een nieuw opgerichte en direct gevoegde dochter met niet-houdsteractiviteiten. Ondanks die bedoeling moest de wet volgens de Hoge Raad grammaticaal worden uitgelegd. Bierman wijst ook op twee andere arresten:
BNB2016/30 [5] . In dat arrest ging het om de verrekening van voorvoegingsverliezen van een moedermaatschappij, nadat de fiscale eenheid had opgehouden te bestaan. De vraag was of die verrekening werd beperkt door art. 15ag Wet VPB 1969. Op basis van dat artikel kunnen voorvoegingsverliezen van een ontvoegde fiscale eenheidsmoeder ‘vanaf het ontvoegingstijdstip’ niet verrekend worden met winsten die betrekking hebben op vermogensbestanddelen die tijdens het bestaan van de fiscale eenheid zijn verkregen van een ontvoegde dochter. In dit geval was sprake van een moedervennootschap met één dochter. Omdat die dochter werd ontbonden en vereffend was strikt genomen geen sprake van een ‘ontvoeging’. Dat wordt expliciet bepaald in art. 15aa, lid 1, onderdeel c, Wet VPB 1969. Bij een grammaticale wetstoepassing zou de verrekening van het voorvoegingsverlies dus niet worden beperkt door art. 15ag Wet VPB 1969. Desalniettemin oordeelde de Hoge Raad dat de wet teleologisch moest worden uitgelegd: ‘Een uitleg in andere zin zou het ongerijmde gevolg meebrengen dat de ontbinding en vereffening van de enige dochtermaatschappij kan leiden tot een ruimere mogelijkheid om voorvoegingsverliezen te verrekenen dan de mogelijkheden die bestonden vóór de beëindiging van de fiscale eenheid.’
NLF2021/1646) achtte de motivering niet steeds correct, maar was het wel eens met het dictum:
FutD2021-2602 vindt dat de Rechtbank zich erg makkelijk van het beroep op
fraus legisaf maakt:
belanghebbendegaat, maar over voorvoegingsverliezen van de
verdwijnendevennootschap (die er niet zijn):
goodwillbetreft, constateert het Hof dat volgens art. 15ah(2)(a) Wet Vpb de aan [A] Nieuw toe te rekenen winst moet worden bepaald met afschrijving op de bij de fusie overgegane vermogensbestanddelen, waaronder
goodwill, op basis van de waarde in het economische verkeer. Volgens de Inspecteur betekent dat lineaire afschrijving in tien jaar tot nihil van de
goodwillad € 5.670.000, waardoor jaarlijks € 567.000 minder winst kan worden verrekend met belanghebbendes voorvoegingsverlies 2010. In 2015 moet de afschrijving volgens hem tijdsevenredig worden berekend op 283/365 dagen * € 567.000, of € 439.619, waardoor een aan [A] nieuw toe te rekenen winst van € 302.436 met belanghebbendes voorvoegingsverlies kan worden verrekend. Voor 2016 leidt afschrijving ad € 567.000 tot een aan [A] nieuw BV toe te rekenen winst die hoger is dan het resultaat van de fiscale eenheid (€ 625.746), zodat volgens de Inspecteur een afschrijving op goodwill geen betekenis heeft voor het te verrekenen (€ 625.746) aan voorvoegingsverlies van belanghebbende. De belanghebbende daarentegen wijst erop dat uit HR B.9213 [9] blijkt dat op verkregen
goodwillniet hoeft te worden afgeschreven zolang diens waarde niet daalt beneden de verkrijgingsprijs, die art. 15ah(2)(a) Wet Vpb op de waarde in het economische verkeer stelt. Nu van waardedaling niet is gebleken, staat goed koopmansgebruik volgens de belanghebbende toe dat [A] nieuw niet afschrijft op de verkregen
goodwill.
fraus legisafgewezen:
goodwill-afschrijving (art. 15ah(2) Wet Vpb) juist acht, heeft het Hof belanghebbendes in 2015 te verrekenen voorvoegingsverlies 2010 gesteld op € 302.436. Nu de belastbare winst voor 2015 € 614.426 bedroeg, resteerde voor de verrekening van het verlies 2014 een bedrag van € 311.990 (= € 614.426 - € 302.436). De verliesverrekeningsbeschikking 2014 moet daarom moest verminderd. Het belastbaar bedrag 2015 bedraagt nihil, aldus het Hof. Voor 2016 leidt toepassing van art. 15ah(2) Wet Vpb volgens het Hof tot een aan [A] nieuw BV toe te rekenen winst die hoger is dan het resultaat van de eenheid. Voor dat geval zijn de partijen het eens dat afschrijving op
goodwillgeen betekenis heeft voor belanghebbendes te verrekenen voorvoegingsverlies 2010. Het Hof heeft het hogere beroep van de Inspecteur ter zake van 2015 gegrond en ter zake van 2016 ongegrond verklaard.
NTFR2022/3222) becommentarieerde ’s Hofs uitspraak als volgt:
NLF2022/1802 [10] ) acht het standpunt van de Inspecteur ‘hopeloos’ dat volgens art. 18(2) (thans lid 3) BFE voorvoegingsverliezen moeten worden verrekend alsof niet is gefuseerd. Volgens hem zit het probleem niet in de winstsplitsingsregels, maar in een te ruim bereik van art. 5(4) BFE, dat niet beperkt is tot de toekomstige winst van de opgerichte vennootschap die terug te voeren is op inbreng door de oprichters. Uitleg van die bepaling op basis van die beperking zit er volgens hem niet in, gezien haar duidelijke tekst. Hij onderschrijft ‘s Hofs oordeel dat doel en strekking van enkelsporige verliesverrekening en de winstsplitsingsregels nopen tot afschrijving op de
goodwill. Hij onderschrijft ook ’s Hofs oordeel dat van
fraus legisgeen sprake is:
Ratio
WFR2022/201. [12] Hij onderschrijft ‘s Hofs oordeel en ziet geen grond voor actie door de wet- of besluitgever als dat oordeel in cassatie stand houdt. Art. 5(4) BFE 2003 (thans art. 15ae(6) Wet Vpb) leidt volgens hem in casu niet tot onbedoelde gevolgen. De belanghebbende had zijns inziens hetzelfde resultaat kunnen bereiken door de winstgevende dochter na voeging rechtstreeks in de moedervennootschap weg te fuseren, zonder de tussenstap van een nieuw opgerichte dochter:
3.Het geding in cassatie
goodwill. De Staatssecretaris heeft het incidentele beroep in cassatie schriftelijk beantwoord.
één middelvoor: het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat verrekening mogelijk is van voorfusieverliezen van de fiscale eenheid met winsten van een binnen de eenheid nieuw opgerichte dochter die door juridische fusie de winstgevende onderneming van een eerder gevoegde (klein)dochter heeft verkregen, hoewel vaststaat dat deze reorganisatie en fusie er slechts toe dienen om voorfusieverliezen die eerst niet verrekenbaar waren toch verrekenbaar te maken. Het Hof heeft:
fraus legisis voldaan omdat de wetgever verliesverrekening bewust niet zou hebben uitgesloten, hoewel van die bewustheid in gevallen zoals die van de belanghebbende nu juist geen sprake is.
junctoart. 15ah(2) Wet Vpb. Zij heeft kunstmatig een overdracht van vermogen zoals in art. 15ah(2) Wet Vpb geconstrueerd die weliswaar juridisch bestaat, maar economisch volstrekt zinloos is. [A] Nieuw heeft naast [A] Oud geen enkele niet-fiscale betekenis. Het Hof miskent dat de wetgever er geenszins voor heeft gekozen om het misbruik dat zich hier voordoet niet te regelen. Belanghebbendes geval is bij de behandeling van de wet niet aan de orde geweest en het misbruik dat het inhoudt, lag niet voor de hand en was de wetgever niet bekend, en is dus niet door hem aanvaard. Dat de wetgever kennelijk ‘imperfecties’ van art. 15ah(2) Wet Vpb heeft geaccepteerd bij niet-kunstmatige, niet zuiver fiscaal gedreven overdracht van vermogensbestanddelen, impliceert niet dat hij ook zou hebben aanvaard dat die imperfecties worden opgezocht met een volstrekt kunstmatige constructie met als enig doel ruimere verliesverrekening dan door de wetgever beoogd.
verweerad (a) dat teleologische uitleg op basis van de toelichting op art. 17 BFE Pro tot dezelfde uitkomst leidt als grammaticale uitleg van art. 18(2). Die toelichting bevat geen verwijzing naar oud-regime-beleidsregelingen. Zij wijst op haar standpunt ondersteunende literatuur. Zou de Staatssecretaris gelijk hebben, dan ontstaat een volgens haar onbegrijpelijk verschil in behandeling tussen verschuiving van vermogens-bestanddelen binnen een fiscale eenheid door een activa-passiva transactie (artikel 15ae jo. 15ah Wet Vpb) en eenzelfde verschuiving door een juridische fusie (winstsplitsing), hoewel beide transacties vanuit fiscale eenheidsperspectief gelijk zijn. Zij benadrukt:
goodwillen niet voor volledige winstsplitsing van overdrager en overnemer. Dat correctiesysteem geldt voor alle vormen van overdracht binnen een eenheid, zoals fusie, splitsing of overdracht van individuele bedrijfsmiddelen. De stille reserves en
goodwillvan de overdrager kunnen aldus niet worden afgezet tegen reeds aanwezige verliezen van de verkrijger. De belanghebbende acht het echter evident dat “nieuwe of additionele winsten behorende bij de overgedragen vermogensbestanddelen” dus wél kunnen worden afgezet tegen de al aanwezige verliezen van de verkrijger. Die regeling voor vermogensoverdracht binnen de eenheid was een bewuste keuze die beoogt alleen de aanwezige stille reserves en
goodwillten tijde van de overdracht te treffen. Als de wetgever dat niet had gewild, had hij eenvoudig een regeling kunnen treffen zoals in verschillende besluiten over schuiftransacties buiten de fiscale eenheid, aldus de belanghebbende.
incidenteel cassatieberoepingesteld tegen ’s Hofs oordeel dat art. 15ah(2) Wet Vpb inbreuk maakt op HR B. 9213 en dat afgeschreven moet worden op de door [A] Nieuw van [A] Oud overgenomen
goodwill. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 15ah Wet Vpb volgt dat de wetgever wilde aansluiten bij de situatie waarin geen fiscale eenheid bestaat, in welk geval de jaarwinst moet worden bepaald volgens goed koopmansgebruik. Volgens haar is HR B. 9213 nog steeds geldend recht, mede gegeven dat het internationale jaarrekeningenrecht al 20 jaar de
impairmentmethode voorschrijft voor de waardering van
goodwill, waardoor er niet op wordt afgeschreven, maar zij jaarlijks wordt gewaardeerd. Ook niet-beursgenoteerde bedrijven kunnen voor die methode kiezen.
Impairmentstrookt volgens de belanghebbende met de strekking van art. 15ah(2) Wet Vpb, nu ook bij het volgen van die methode de bij de overdragende enititeit ontstane stille reserves niet benut kunnen worden door de overnemende maatschappij. Wel wordt de niet-bruikbaarheid van de
goodwillvoor verliesverrekening bij de verkrijger anders over de jaren verdeeld, maar dat gebeurt ook bij de methode van jaarlijkse afschrijving als de wet die afschrijving beperkt, zoals bij vastgoed (art. 3.25 Wet IB 2001). Zulke
timing-verschillen doen niet af aan de verenigbaarheid van de
impairmentmethode met de strekking van art. 15ah(2) Wet Vpb, nu het uiteindelijke resultaat hetzelfde is, aldus de belanghebbende.
4.De regels en hun toelichtingen
haarvoegingstijdstip’. [30] Bij diezelfde Nota van wijziging is het geciteerde onderdeel (c) aan art. 15ae(1) ingevoegd. Dat is als volgt toegelicht: [31]
2verdwijnende respectievelijk de verkrijgende rechtspersoon geleden verliezen slechts kunnen plaatsvinden met winst van de combinatie voor zover deze winst aan de vóór de juridische fusie door de/die
3verdwijnende respectievelijk de verkrijgende rechtspersoon uitgeoefende onderneming kan worden toegerekend. (…).”
5.Literatuur
verkrijgendevennootschap na een juridische fusie met toepassing van art. 18(1) BFE binnen een fiscale eenheid, is in de literatuur meer malen geconstateerd. Hofman [49] stelde al in 2006 de vraag hoe de zelfstandige winsten van de verkrijgende vennootschap en de verdwijnende vennootschap moeten worden berekend als beide fuserende vennootschappen voorvoegingsverliezen hebben en de gevoegde dochter verdwijnt. Hij legt de fictie van art. 18(1) BFE zo uit dat de fiscale eenheid jegens de verdwijner wel is beëindigd, waardoor zij niet langer tot de fiscale eenheid behoort, maar géén ontvoeging plaatsvindt. Dat verhindert directe toepassing van art. 15ah(2) Wet Vpb, dat eist dat zowel de overdragende als de overnemende vennootschap in het winstsplitsingsjaar nog tot de fiscale eenheid behoort. Via art. 15ae(2) Wet Vpb wordt de afschrijving van art. 15ah(2) Wet Vpb echter volgens Hofman alsnog toegepast. Daardoor ontstaat de bijzondere situatie dat voor de verrekening van voorvoegingsverliezen van de verkrijger een ander systeem geldt dan voor de verrekening van de voorvoegingsverliezen van de verdwijner. Aannemelijker is volgens Hofman dat art. 18(2) (thans lid 3) BFE niet alleen geldt voor de verdwijnende vennootschap, maar ook voor de verliesverrekening van de verkrijgende vennootschap. Argument daarvoor is dat art. 15ah Wet Vpb ervan uitgaat dat de som van de gesplitste winst gelijk is aan het resultaat van de eenheid. Daaruit volgt dat een bepaling over de berekening van de zelfstandige winst van een overdragende of verdwijnende vennootschap spiegelbeeldig moet worden toegepast bij de overnemende resp. verkrijgende vennootschap. Tegen die spiegelbeeldbenadering pleit zijns inziens echter dat art. 15ah(2) Wet Vpb voor zowel de overdrager als de overnemer van een vermogensbestanddeel de gevolgen voor de zelfstandige winstberekening beschrijft. De wetgever heeft niet volstaan met de beschrijving van de gevolgen voor één van beiden, en is dus niet stilzwijgend uitgegaan van spiegelbeeldige toepassing bij de andere partij. Hofman acht het dan ook duidelijk dat als de verkrijger over voorvoegingsverliezen beschikt en de verdwijner niet, het reguliere systeem van art. 15ah(2) Wet Vpb geldt omdat art. 18(2) BFE niet ziet op dat geval:
WFR2022/201 [56] (zie 2.25 hierboven) volgt dat hij niet van gedachten is veranderd.
fusie over verrekenbare voorvoegingsverliezen.
6.Jurisprudentie
,ECLI:NL:HR:1952:106,
B.9213
,betrof een belanghebbende die zijn mondartspraktijk in 1946 had verkocht. Om de daarbij behaalde overdrachtswinst te bepalen, moest onder meer de waarde van de
goodwillworden bepaald. De Minister van Financiën betoogde dat door overname verkregen
goodwillgeleidelijk verdwijnt om plaats te maken voor door de overnemer zelf gecreëerde nieuwe
goodwill. Volgens hem moest daarom jaarlijks worden afgeschreven op de kostprijs van de eens overgenomen
goodwill. De belanghebbende daarentegen betoogde dat de
goodwillniet hoeft te worden gesplitst in oude aflopende en nieuwe opkomende omdat die een eenheid vormen. Dan is er geen reden voor afschrijving zolang de waarde van de oude plus nieuwe
goodwillniet beneden de kostprijs van de overgenomen
goodwilldaalt. U achtte beide opvattingen in overeenstemming met goed koopmansgebruik:
BNB2021/116 [66] ging het om een belanghebbende die in 2010 een houdsterverlies (art. 20(4) (oud) Wet Vpb) leed ad € 90.115. In 2015 heeft zij [C] BV opgericht en meteen in een fiscale eenheid opgenomen. De belanghebbende was in 2016 nog steeds houdster; [C] BV had een materiële onderneming. De belanghebbende gaf voor 2016 een belastbare geconsolideerde winst ad € 16.420 aan, bestaande uit eigen verlies ad € 5.654 en winst ad € 22.074 van [C] BV. Zij verrekende die geconsolideerde winst met haar houdsterverlies 2010, resulterende in een belastbaar bedrag 2016 ad nihil. De Inspecteur weigerde verrekening. In die zaak moesten tegelijk drie bepalingen worden toegepast: art. 20(4) (oud) Wet Vpb, art. 5(4) BFE en art. 15ae(3) Wet Vpb. Anders dan de Rechtbank, die belanghebbendes beroep ongegrond had verklaard, liet volgens u de duidelijke tekst van de bepalingen verrekening toe, ook al zou dat in strijd kunnen komen met doel en strekking van één of meer van die bepalingen, die alle hun eigen uiteenlopende achtergronden en strekkingen hadden:
BNB2016/30 [67] betrof de beëindiging van een fiscale eenheid doordat de enige gevoegde dochter werd ontbonden. De vraag was hoe de verrekening van de voorvoegingsverliezen van de moeder – die binnen de eenheid een HIR had overgenomen van haar gevoegde dochter – moet plaatsvinden. Doordat de wetgever in art. 15ag Wet Vpb de term ‘het ontvoegingstijdstip’ had gebruikt, die volgens art. 15aa(1)(c) Wet Vpb ziet op beëindiging van de eenheid anders dan door ontbinding van een dochter, zag de tekst van art. 15ag niet op het geval van beëindiging door ontbinding van de enige voegeling. U oordeelde dat onder “vanaf het ontvoegingstijdstip van de moedermaatschappij” in art. 15ag(1) Wet Vpb moet worden verstaan “vanaf de beëindiging van de fiscale eenheid ten aanzien van de moedermaatschappij”:
BNB2009/43 [68] betrof een fiscale eenheid tussen een moeder en een dochter onder het oude recht, toen voor een fiscaal geruisloze juridische fusie (standaard)voorwaarden werden gesteld, die onder meer inhielden dat de voorfusieverliezen van de dochter slechts kunnen worden verrekend met nafusiewinsten die kunnen worden toegerekend aan de onderneming van de verdwenen dochter. Die voorwaarde werd ook gesteld aan inwilliging van het verzoek van de moeder om de fiscale eenheid niet te doen verbreken als gevolg van de fusie. De moeder betoogde dat geen onderscheid mocht worden gemaakt tussen haar geval en dat waarin zij de dochter binnen de eenheid zou hebben geliquideerd. U oordeelde:
7.Beoordeling van het principale cassatieberoep (Staatssecretaris)
understatement.
carry backvan haar verliezen naar voorvoegingswinstjaren van [A] Oud. Zij wenst verrekening van haar voorvoegingsverlies met de
navoegings- en
nafusiewinst van (voorheen) [A] Oud. Daarover gaat lid 2 niet en lid 2 bewerkstelligt dus niet dat voorvoegingsverliezen verrekend worden alsof [A] Oud nog wél bestaat.
Nieuw. Die bepaling zegt immers dat voor de toepassing van artikel 15ae(1) Wet Vpb – en die bepaling zijn wij aan het toepassen - de aan [A] Nieuw toe te rekenen winst van de fiscale eenheid wordt aangemerkt als winst van de belanghebbende.
goodwilluitgaande van de WEV van die
goodwill. Omdat het kennelijk gaat om bij [A] Oud niet-geactiveerde zelf-gegenereerde
goodwill, moet [A] Nieuw die WEV volledig afschrijven, en wel, volgens art. 3.30(2) Wet IB 2001, in tien jaren, wat haar winst drukt en daarmee de verrekening van belanghebbendes voorvoegingsverlies.
verdwijnerplaatsvindt alsof geen fusie heeft plaatsgevonden. Uit art. 18(2) (thans lid 3) BFE kan niet
a contrarioworden afgeleid dat voor de verliesverrekening van de
verkrijgerde fusie
nietwordt genegeerd, aldus de Staatssecretaris.
ongunstige afwijking van de overigens geldende wettelijke verliesverrekeningstermijnen. Nu de bepaling wel iets voor de verdwijnende vennootschap regelt en met geen woord rept over de verkrijgende vennootschap, geldt mijns inziens voor de verkrijgende vennootschap de hoofdregel van verliesverrekening binnen de eenheid (art. 15ae Wet Vpb); dat is geen
a contrarioredenering, maar volgt rechtstreeks uit de wet. Dit betoog van de Staatssecretaris kan daarom mijns inziens geen inlezing van een niet-bestaande bepaling in afwijking van de duidelijke tekst van deze zeer specifieke bepaling rechtvaardigen.
zowelde verdwijner als de verkrijger uitgegaan werd van winstsplitsing. Het kan volgens de Staatssecretaris niet anders dan dat het de bedoeling was om de winstsplitsing van art. 18(2) (thans lid 3) BFE ook van toepassing te doen zijn bij de verrekening van voorvoegingsverliezen van de
verkrijger.
nietovereen met het besluit waarnaar de Staatssecretaris verwijst, i.e. de eerste herdruk van het Besluit van 8 juli 1998, nr. DB98/1662M. Dat besluit is bij Besluit van 8 juni 200, CPPP2001/0659M [71] opnieuw gewijzigd. Ook dat bevat een regeling voor juridische fusie binnen een fiscale eenheid waarbij de verdwijner een dochter is in een fiscale eenheid waartoe ook de verkrijger behoort. Die regeling is iets anders is verwoord (zie onderdeel 4.17), maar het gaat bij de voorwaarde voor veronachtzaming van de fusie – net als in het Besluit van 26 juli 1999 – over de verrekening na juridische fusie van voorvoegingsverliezen van de
verdwijnendeof de
verkrijgenderechtspersoon (zie 4.18 hierboven). Mijns inziens kan de rechter niet in deze zeer specifieke en technische materie specifieke regels in specifieke wettelijke bepalingen lezen die er niet in staan (en wij, zoals gezegd, niet weten waaróm die er niet in staan) enkel omdat vóór het van kracht worden van die specifieke technische bepaling ander beleid werd gevoerd en de besluitgever – kennelijk ten onrechte – meende dat zijn besluit precies dezelfde technische regels bevatte als de eerder door de Executieve gestelde voorwaarden voor goedkeuring van aanvragen. Ook dit betoog noopt daarom mijns inziens niet tot afwijking van (inlezing in) de duidelijke wettekst.
verdwijnerdoor volledige winstsplitsing en bij de verkrijger door een afschrijvingscorrectie. Hij verwijst naar de pleitnota van de Inspecteur voor het Hof, die onder verwijzing naar Hofman [72] (zie 5.1 hierboven) schreef dat dit tot een resultaat leidt waarbij de som der delen afwijkt van het oorspronkelijke te verdelen bedrag aan winst. Hofman had het echter alleen over het geval waarin
zowelde verkrijger
alsde verdwijner beschikken over voorvoegingsverliezen. In
diecontext meent hij dat dat de meest aannemelijk benadering is dat de bepaling van art. 18(2) (thans lid 3) BFE niet alleen geldt voor de verliesverrekening voor de verdwijnende vennootschap, maar ook voor de verliesverrekening van de verkrijgende vennootschap. Voor het geval alleen de verkrijgende vennootschap over voorvoegingsverliezen beschikt en de verdwijnende niet, zoals in ons geval, is het volgens Hofman juist “duidelijk” dat art. 15ah(2) Wet Vpb geldt (zie 5.1 hierboven). Ook uit het verweer van de belanghebbende volgt dat in casu ook wetssystematische argumenten vóór correctie door afschrijving in plaats van winstsplitsing bestaan. Maar belangrijker is dat ook veronderstelde wetssystematiek net als anterieure beleidsbedoelingen te rechtsonzeker zijn in dit extreem technische en specifieke regelwoud, waarin de rechter er mijns inziens vanuit moet gaan dat de wetgever en de besluitgever bedoelden wat zij hebben opgeschreven omdat niet te overzien valt waar zij heen gaat, laat staan waar zij eindigt, als zij het houvast van de tekst loslaat. Dat lijkt mij alleen anders als tekstuele interpretatie tot onzinnige of evident contrarationele resultaten zou leiden. Dat is mijns inziens in casu niet het geval.
poolingdie het voornaamste doel van de fiscale eenheid is geen terugwerkende kracht te geven naar voorvoegingsresultaten: enerzijds (volledige) winstsplitsing en anderzijds afschrijvingscorrectie na geschuif met stille reserves en
goodwillvan voegelingen binnen de fiscale eenheid, zoals de niet-geactiveerde
goodwillvan [A] Oud (thans Nieuw), die al bestond vóór dier voeging. Het een heeft nu eenmaal niet precies dezelfde gevolgen als het ander. Uit doel en strekking van dit systeem valt volgens het Hof niet op te maken, mede gegeven de duidelijke tekst van de betrokken zeer specifieke en gedetailleerde bepalingen, dat het zich in belanghebbendes geval verzet tegen afschrijvingscorrectie in plaats van winstsplitsing.
8.Beoordeling van het incidentele middel
impairmentmethode en het stelsel van HR B. 9213 (zie 6.1 hierboven) toestaat.
goodwilldie bij de overdrager vóór voeging zijn ontstaan, buiten de verrekening van voorvoegingsverliezen door de overnemer blijven. Uit de in 4.10 en 4.11 geciteerde toelichtingen blijkt duidelijk dat met art. 15ah(2) Wet Vpb “de stille reserve die bij de overdracht aanwezig was, geleidelijk in de tijd aan de overdrager toegerekend (wordt).”