Conclusie
1.Overzicht
Real Estate Investment Fund(REIF [1] ). Zij kan daardoor het door haar uitgekeerde dividend in aftrek brengen op haar belaste winst mits zij jaarlijks (nagenoeg) haar hele winst uitkeert.
linking rulevan art. 13(17) Wet Vpb de deelnemingsvrijstelling uitsluit voor uitkeringen die bij de uitkerende entiteit in aftrek mogen worden gebracht op de grondslag voor de winstbelasting.
Middel (i)constateert dat de wetsgeschiedenis vermeldt dat alleen betalingen die ‘naar hun aard’ aftrekbaar zijn van vrijstelling worden uitgesloten. De litigieuze dividenden zijn volgens de belanghebbende niet naar hun aard aftrekbaar omdat het REIF-regime een uitzondering is op de hoofdregel van het Zuid-Koreaanse winstbelastingstelsel dat dividend niet aftrekbaar is. Het REIF-regime is slechts een techniek om fiscale neutraliteit voor beleggingen te bereiken die ook bereikt had kunnen worden door bijvoorbeeld een nultarief of een vrijstelling in de winstbelasting onder voorwaarde van uitkering, in welk geval art. 13(17) Wet Vpb niet zou hebben aangegrepen. Het dividend valt daarom volgens haar niet onder art. 13(17) Wet Vpb. Ik meen dat de eenduidige wettekst deze lezing niet toelaat en dat uit de MvT bij de Wet implementatie wijzigingen Moeder/dochterrichtlijn 2015 [4] volgt dat de term ‘naar hun aard aftrekbaar’ aangeeft dat het gaat om
rechtskundigeaftrek
baarheid, niet feitelijke aftrek in enig bepaald jaar, en dat de verhouding tot aftrekbeperkingen zoals
earnings strippingof
thin capregels niet ter zake doet. Uit die parlementaire geschiedenis en uit de considerans bij de wijziging van de EU-MD-richtlijn volgt dat de
linking rule- zoals zijn aanduiding al aangeeft - gebaseerd is op de gedachte van communicerende vaten: is de vergoeding op welke grond dan ook aftrek
baarvoor de winstbelasting bij de dochter, dan
moetde moederstaat vrijstelling weigeren. Dat de stellers van die toelichtingen vooral dachten aan hybride financiering neemt niet weg dat de maatregel algemeen ziet op jurisdictionele
mismatchestussen aftrekbaarheid en belastbaarheid in concernverband. Als het REIF-regime bedoeld is om uit fiscale neutraliteitsoverwegingen alleen bij de aandeelhouders en niet bij de REIF zelf te heffen, dan wordt kennelijk volledig aan de ratio van dat regime voldaan als bij niet-Koreaanse aandeelhouders zoals de belanghebbende winstbelasting wordt geheven, zoals Zuid-Korea zelf ook doet bij ingezetenen. Middel (i) leidt mijns inziens niet tot cassatie.
linking rulezich in casu tegen toepassing van art. 13(17) Wet Vpb verzetten omdat investeringen in vastgoed ‘goede’ beleggingen zijn volgens art. 13(12) Wet Vpb, dat de belanghebbende als
lex specialisten opzichte van art. 13(17) beschouwt. Omdat op een deelneming in een dergelijke ‘goede’ beleggingsdochter in principe de deelnemingsvrijstelling van toepassing is, is het in strijd met de ratio van de deelnemingsvrijstelling als zij in casu wordt geweigerd, aldus de belanghebbende. Art. 13(17) Wet Vpb is van later datum dan art. 13(12) Wet Vpb en overschrijft mijns inziens lid 12. Nu lid 12 al bestond toen lid 17 werd ingevoerd, kan lid 12 niet de strekking hebben om lid 17 uit te schakelen. Van economische dubbele belasting is geen sprake, nu het dividend aftrekbaar is in Zuid-Korea, zodat het niet strookt met de ratio van de deelnemingsvrijstelling om haar toe te passen. Vrijstelling is niet nodig om economische dubbele belasting van de Zuid-Koreaanse vastgoedwinst te voorkomen. De belanghebbende kan toegegeven worden dat de
linking ruletot gevolg heeft dat het Zuid-Koreaanse fiscale
incentivevoor vastgoedinvesteringen wordt wegbelast. Dat is echter inherent aan een
linking rule(en aan een verrekeningsstelsel) die geen onderscheid maakt naar gelang de ratio van de aftrekbaarheid in de dochterstaat. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever heeft onderkend dat de invoering van art. 13(17) Wet Vpb gevolgen kon hebben voor bestaande dubbele niet-belastingstructuren. Ook middel (ii) strandt mijns inziens.
juridischedubbele belasting bij uitsluitend de
moeder(de belanghebbende) is opgeheven door de verrekening van die bronheffing met belanghebbendes eindheffing. De bronheffing is daardoor verdwenen in haar Nederlandse vennootschapsbelasting. Als alleen de bronheffing zou worden geheven, zou dat weliswaar niet tot dubbele niet-heffing van
belastingleiden, maar wel tot onvoldoende
winstbelasting (of tot géén
winstbelasting, want een dividendbelasting is geen
winstbelasting, maar een bruto-
opbrengstbelasting). Middel (iii) strandt volgens mij.
middel (iv)is de
linking rulein art. 4 van Pro de EU-Moeder-dochterrichtlijn ingevoerd met het oog alleen op hybride financiële instrumenten en moet ook art. 13(17) Wet Vpb in dat licht worden uitgelegd. Dat betekent dat vastgoeddeelnemingen niet onder art. 13(17) vallen, aldus de belanghebbende. Ik meen dat die beperking niet valt te lezen in de tekst van of de considerans bij de desbetreffende wijziging van de MD-richtlijn, noch in de parlementaire geschiedenis van art. 13(17) Wet Vpb. De Richtlijn bepaalt dat de moederstaat de uitgekeerde winst “moet (…) belasten voor zover die winst aftrekbaar is bij de dochter-onderneming (…)” en de considerans zegt dat de richtlijnvoordelen “should not lead to situations of double non-taxation and, therefore, generate unintended tax benefits for groups of parent companies and subsidiaries of different Member States when compared to groups of companies of the same Member State” en dat “for the purpose of avoiding situations of double non-taxation deriving from mismatches in the tax treatment of profit distributions between Member States”, de moederstaat “should not allow those companies to benefit from the tax exemption applied to received distributed profits, to the extent that such profits are deductible by the subsidiary (…).” Dat de Commissie mogelijk een opvatting had over een bepaald Zweeds forfaitair heffingssysteem bij bepaalde Zweedse investeringsfondsen lijkt mij niet beslissend voor de rechterlijke interpretatie van de richtlijntekst en -considerans en de Nederlandse implementatie daarvan. Middel (iv) treft mijns inziens geen doel.
linking rulein art. 4(1)(a) MD-richtlijn) geen uitputtende harmonisatie is beoogd, zodat ook aan het vrije kapitaalverkeer kan worden getoetst (daarop ziet middel (vii)). Ik meen dat de tekst van de
linking rulein art. 4(1)(a) MD-richtlijn en die van de
recitals(2) en (3) van de considerans van de richtlijn de lidstaten geen keuzevrijheid laten. Strenger dan vrijstellingsweigering kan niet en minder streng dan weigering mag niet. De
linking rulelijkt mij daarmee een uitputtende regeling van de voorkoming van dubbele niet-heffing door
mismatchestussen lidstaten in hun winstbelastingheffing ter zake van grensoverschrijdende winstuitkeringen in deelnemingsverhoudingen. Dat art. 4 MD Pro-richtlijn de lidstaten bij
andereonderwerpen vrijheid laat, acht ik niet relevant voor de vraag of de
linking rulezijn eigen onderwerp uitputtend regelt. Dat de Nederlandse implementatie (‘naar zijn aard aftrekbaar’) strenger zou zijn dan de
linking rulein de richtlijn, blijkt mijns inziens uit niets. Dat het de lidstaten uiteraard vrij staat om in de
nietonder de Richtlijn vallende derde-landenverhoudingen te kiezen voor gelijkheid met de wél door de Richtlijn geregelde intra-EU-gevallen door de nationale implementatie ook op die verhoudingen te doen zien, lijkt mij evenmin relevant voor de vraag welk karakter de harmonisatie in de wél door de Richtlijn geregelde verhoudingen heeft. Ik meen daarom dat ook middel (v) strandt.
middel (vi)had het Hof de weigering van de vrijstelling van ambtswege moeten toetsen aan de beginselen van gelijkheid voor de wet (art. 20) en non-discriminatie (art. 21) in het EU-Handvest van de Grondrechten. Het Handvest lijkt mij echter niet van toepassing omdat Nederland met zijn eigenstandige, niet op EU-recht gebaseerde uitbreiding van de
linking rulenaar niet door die EU-regel bestreken derde-landengevallen mijns inziens geen uitvoering geeft aan EU-recht, maar aan nationaal beleid. Ook als dat anders zou zijn, is de rechter niet gehouden om buiten het geschil van ambtswege EU-recht toe te passen dat niet van openbare orde is, aldus HvJ
Van der Weerd e.a. Gaat hij ermee buiten het geschil, dan is hij er nationaalrechtelijk immers niet toe bevoegd en dan geldt volgens HvJ
Van Schijndelen
Van Veengeen EU-rechtelijke plicht tot toepassing van ambtswege. Het Hof hoefde belanghebbendes vrije-verkeersklacht niet anders op te vatten dan door de belanghebbende gesteld, nl. als een beroep op gronden ontleend aan het Handvest. De belanghebbende lijkt overigens geen belang bij het middel te hebben. Het Hof heeft immers wel degelijk haar klacht over horizontale discriminatie inhoudelijk beoordeeld. Een beroep op discriminatie-verboden in het Handvest lijkt dan rechtskundig niets toe te voegen.
Haribo en Salinenvolgt dat een verschil in behandeling tussen dividenden uit verschillende staten niet ter zake doet voor de toepassing van art. 63 VwEU Pro, als de buitenlandse dividenden maar niet ongunstiger worden belast dan binnenlandse dividenden. De vergelijking tussen een andere EU-lidstaat en een derde staat lijkt mij niet anders dan die tussen twee verschillende derde staten of die tussen twee andere lidstaten; in al die gevallen geldt voor beleggingen het vrije kapitaalverkeer en is een vergelijking tussen twee verschillende andere landen volgens
Hariboen
Salinenniet aan de orde omdat het om de vergelijking met de binnenlandsituatie gaat. De door de belanghebbende aangehaalde HvJ-arresten
Riskin en Timmermansen
Commissie v. Nederlandsteunen haar standpunt mijns inziens niet omdat in het eerste arrest geen discriminatie werd geconstateerd en in het tweede geval wel degelijk werd vergeleken met de binnenlandsituatie. Het wezenlijke punt is mijns inziens niet dat twee
herkomstenverschillend worden behandeld, maar twee
regimes: (i) vrijstelling of nultarief met uitdelingsplicht en (ii) aftrekbaar dividend met uitdelingsplicht. De implementatie van art. 4 MD Pro-richtlijn heeft tot gevolg dat lidstaten met een deelnemingsvrijstelling dividenden vanuit het eerste regime vrijstellen en dividenden vanuit het tweede regime moeten belasten (in verrekeningsstelsels maakt het niet uit; geen verrekening]. Belanghebbendes betoog komt er op neer dat art. 4(1)(a) MD-richtlijn discrimineert tussen in essentie vergelijkbare regimes en daarmee het primaire EU-recht schendt. Dat standpunt is mijns inziens niet zonder deugd, maar ik meen dat het weinig zin heeft om het HvJ prejudicieel te vragen of de Richtlijn het primaire EU-recht schendt door diens koppeling uitsluitend aan
aftrekbaarheiden niet ook aan nultarief- en vrijstellingsregimes. Het HvJ acht secundair EU-recht immers zelden in strijd met primair EU-recht, te minder als het om belastingen gaat, waar Uniewetgeving door de unanimiteitseis uiterst moeizaam tot stand komt. In de BTW-zaak
RPO [5] liet de Grote Kamer van het HvJ de fiscale Uniewetgever bij diens moeilijke politieke afwegingen een ruime beoordelingsbevoegdheid en overwoog zij dat “hoogstens” bij “kennelijke fouten” van de Uniewetgever ingegrepen zou kunnen worden door de Unierechter. Overigens kan men zeggen dat die twee verschillende regimes geen gelijke gevallen zijn omdat het ene een onderwerpings- c.q. tariefmaatregel is (vrijstelling c.q. nultarief) en het andere een winstbepalingsregel (aftrek dividenduitkeringen). Ook middel (vii) leidt mijns inziens daarom niet tot cassatie, noch tot prejudiciële vragen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Real Estate Investment Fund(REIF), wat meebrengt dat zij de door haar uitgekeerde dividenden in aftrek mag brengen op haar belaste winst, mits zij jaarlijks (nagenoeg) haar gehele winst (vóór aftrekbare dividenduitkeringen, neem ik aan) uitkeert.
linking rule) de deelnemingsvrijstelling uitsluit voor dividenden die bij de uitkerende entiteit in aftrek mogen worden gebracht op de grondslag voor de winstbelasting.
3.De relevante regels en hun achtergrond
9. De deelnemingsvrijstelling is niet van toepassing op voordelen uit hoofde van een als belegging gehouden deelneming (beleggingsdeelneming), alsmede op de kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van die deelneming, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming.
10. Een deelneming wordt in ieder geval geacht een beleggingsdeelneming te zijn indien:
a. de bezittingen van het lichaam waarin de belastingplichtige de deelneming heeft, geconsolideerd beschouwd, doorgaans grotendeels bestaan uit belangen als bedoeld in het veertiende lid, met dien verstande dat voor de consolidatie alleen belangen van ten minste 5% in aanmerking worden genomen;
b. de functie van het lichaam waarin de belastingplichtige de deelneming heeft tezamen met de lichamen waarin dit lichaam een belang van ten minste 5% heeft, grotendeels bestaat uit het direct of indirect financieren van de belastingplichtige of van met de belastingplichtige verbonden lichamen, dan wel van bedrijfsmiddelen die door de belastingplichtige of door met de belastingplichtige verbonden lichamen worden gebruikt, daaronder begrepen het ter beschikking stellen van het gebruik of het gebruiksrecht van bedrijfsmiddelen.
11. Voor de toepassing van het negende lid, (…), wordt een deelneming van de belastingplichtige in een lichaam als kwalificerende beleggingsdeelneming aangemerkt indien:
a. het lichaam is onderworpen aan een belasting naar de winst die resulteert in een naar Nederlandse begrippen reële heffing;
b. de bezittingen van het lichaam onmiddellijk of middellijk, doorgaans voor minder dan de helft bestaan uit laagbelaste vrije beleggingen, met dien verstande dat voor de toepassing van dit onderdeel en artikel 13a laagbelaste vrije beleggingen niet als zodanig in aanmerking worden genomen indien de bezittingen van het lichaam dat de laagbelaste vrije beleggingen bezit doorgaans ten minste hoofdzakelijk bestaan uit andere bezittingen dan laagbelaste vrije beleggingen, waarbij de deelnemingen die dat lichaam houdt worden geacht geen bezittingen te zijn.
12. Voor de toepassing van het elfde lid en artikel 13a, eerste lid, worden als vrije beleggingen aangemerkt:
a. andere beleggingen dan die welke redelijkerwijs noodzakelijk zijn in het kader van de ondernemingsactiviteiten van het lichaam dat de beleggingen bezit, met uitzondering van beleggingen bestaande uit onroerende zaken - daaronder mede begrepen rechten die direct of indirect betrekking hebben op onroerende zaken - die niet in het bezit zijn van een lichaam dat is aangemerkt als beleggingsinstelling of vrijgestelde beleggingsinstelling;
b. (…);
c. (…).
MismatchesEen mismatch in de fiscale behandeling van een geldverstrekking van een vennootschap aan een andere (gelieerde) vennootschap kan ontstaan als de geldverstrekking in de ene lidstaat wordt behandeld als een schuld en in de andere lidstaat als eigen vermogen, een zogeheten hybride lening. Dit verschil in behandeling kan ertoe leiden dat de vergoeding op een hybride lening in de lidstaat waarin de betalende vennootschap is gevestigd, wordt gezien als rente en daarom in aftrek kan komen voor de winstbelasting, terwijl deze vergoeding in de lidstaat waarin de ontvangende vennootschap is gevestigd, wordt gezien als een winstuitdeling en op grond van een deelnemingsvrijstelling is vrijgesteld. Om deze situatie, een aftrek waar geen heffing tegenover staat, tegen te gaan is aan de MDR de verplichting toegevoegd voor de lidstaat waarin de ontvangende vennootschap is gevestigd, om de winst die is uitgekeerd door een dochteronderneming te belasten voor zover die winst in de andere lidstaat aftrekbaar is. Een betaling is aftrekbaar als deze in de andere lidstaat naar haar aard in aftrek kan komen voor een naar de winst geheven belasting.
erga omnes. De MvT zegt daarover: [17]
overkillin art. 13(17) Wet Vpb aan de orde. Omdat het om een toen al geldende wet ging, moet ook dit antwoord van de Staatssecretaris mijns inziens gezien worden als de opvatting van de Executieve over de interpretatie van die geldende wet, dus niet als parlementaire geschiedenis van art. 13(17) Wet Vpb:
4.Middel (i) - ‘Naar hun aard aftrekbaar’
totde invoering van art. 13(17) Wet Vpb in 2016 wél vrijgesteld werden op basis van art. 13(12) Wet Vpb, dat ‘goede’ beleggings-deelnemingen niet uitsluit van de deelnemingsvrijstelling. Daarop duidt met name middel (ii), dat art. 13(12) Wet Vpb als een
specialisten opzichte van lid 17 wil zien, althans vrijstelling niet in strijd met de ratio van de deelnemingsvrijstelling acht omdat achtergrond van lid 12 is dat belastingheffing ter zake van vastgoed exclusief thuishoort in het land van ligging.
(…)
5. Belanghebbende meent verder dat het Hof voor de uitlegging van art. 13, lid 17, Wet Vpb ten onrechte belang hecht aan de in r.o. 5.3.4.3 t/m 5.3.4.5 weergegeven opvattingen van de Staatssecretaris van Financiën. Deze uitlatingen zijn gedaan na de inwerkingtreding van art. 13, lid 17, Wet Vpb en dus niet in de hoedanigheid van medewetgever, maar in die van uitvoerder. Aan deze uitlatingen komt daarom geen bijzondere betekenis toe bij de uitleg van art. 13, lid 17, Wet Vpb.”
V-N2014/34.18, als de considerans bij de laatste wijziging van de Moeder-dochterrichtlijn (vergelijk
V-N2014/38.12) volkomen duidelijk wat de Europese Raad met deze aanpassing voor ogen heeft gestaan. Het Persbericht van de Europese Raad bevat onder meer de volgende passages:
rules so as to avoid paying taxeson some types of profits distributed within the group.”
in order to enjoy double non-taxation. The member state of the parent company will henceforth refrain from taxing profits from the subsidiary only to the extent that such profits are non tax deductible for the subsidiary.”
situaties waarin dubbele niet-heffing ontstaat en aldus onbedoelde belastingvoordelen worden gecreëerdvoor groepen van moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten in vergelijking met groepen van ondernemingen uit dezelfde lidstaat.”
Teneinde situaties van dubbele niet-heffing als gevolg van incongruenties in de fiscale behandeling van winstuitkeringen door de lidstaten te vermijden, dient de lidstaat van de moedermaatschappij (…) het voordeel van de belastingvrijstelling die wordt toegekend voor ontvangen winstuitkeringen, aan die moedermaatschappij te ontzeggen voor zover die winst aftrekbaar is bij de dochteronderneming van de moedermaatschappij.”
rechtskundigeaftrek
baarheid, niet om feitelijke aftrek in enig bepaald jaar, en dat de verhouding tot aftrekbeperkingen zoals
earnings strippingof
thin capregels niet ter zake doet. Uit die parlementaire geschiedenis en uit de considerans bij de desbetreffende wijziging van de EU-MD-richtlijn (zie 3.2 hierboven) volgt dat de
linking rule- zoals zijn aanduiding al aangeeft - gebaseerd is op de gedachte van communicerende vaten: is de vergoeding op welke grond dan ook aftrek
baarvoor de winstbelasting bij de dochter, dan
moetde moederstaat vrijstelling weigeren. Dat volgt mijns inziens met name uit de volgende passages:
mismatchestussen aftrekbaarheid en belastbaarheid in concernverhoudingen.
5.Middel (ii) - de ratio van de deelnemingsvrijstelling / lid 12 lex specialis?
ongeachtde aard van de onderneming van die dochter.
NTFR2020/3581 bij de uitspraak van de Rechtbank:
(…).”
(…).
linking ruletot gevolg heeft dat het Zuid-Koreaanse fiscale
incentivevoor vastgoedinvesteringen wordt wegbelast door Nederland. Dat is echter inherent aan een
linking rule(en aan alle verrekeningsstelsels) die geen onderscheid maakt naar gelang de ratio van de aftrekbaarheid in de dochterstaat. Uit de in 3.6 hierboven geciteerde parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever heeft onderkend dat de invoering van art. 13(17) Wet Vpb gevolgen kon hebben voor bestaande dubbele niet-heffingstructuren. Voor zover het vóór invoering van art. 13(17) Wet Vpb wél mogelijk was om dubbele niet-belasting te bereiken, kan betoogd worden dat
dietoestand niet in overeenstemming was met de grondgedachte van de deelnemingsvrijstelling en dat lid 17, zoals het Hof ook opmerkt, een einde maakt aan die contra-rationele toestand.
6.Middel (iii) - de Zuid-Koreaanse bronbelasting
mismatchzoals voorzien in Richtlijn 2014/86/EU en art. 13(17) Wet Vpb niet op, noch neutraliseren zij die, aldus het Hof.
14. De dividenduitkeringen van [A] aan belanghebbende zijn betrokken in een Zuid-Koreaanse bronbelasting. De winst van [A] is derhalve, voor zover deze is uitgekeerd, onderworpen aan een belasting over ondernemingswinsten. De dividenduitkeringen van [A] aan belanghebbende zijn ook niet aftrekbaar van deze belasting. Er is derhalve geen sprake van een situatie waarin dubbele niet-heffing ontstaat indien de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op dividenduitkeringen van [A] aan belanghebbende.
15. Het Hof heeft vorenstaande miskend door aan de omstandigheid dat in Zuid-Korea bronbelasting is ingehouden op het aan belanghebbende uitgekeerde dividend niet de conclusie te verbinden dat de deelnemingsvrijstelling moet worden toegepast.”
juridischedubbele belasting ten laste van uitsluitend de belanghebbende is opgeheven door de verrekening van die bronheffing op basis van art. 23(3) van het toepasselijke belastingverdrag. De bronheffing ten laste van de belanghebbende is daardoor verdwenen in haar Nederlandse vennootschapsbelasting en bestaat dus niet meer. Als alleen de (lage) bronheffing zou worden geheven, zou weliswaar inderdaad geen dubbele niet-heffing van
belastingontstaan, maar wel halve/onvoldoende
winstbelasting (of géén
winstbelasting, want een dividendbelasting is geen
winstbelasting, maar een bruto-
opbrengstbelasting). Hoe dan ook wordt de door [A] uitgekeerde winst niet op twee niveaus getroffen door een
winstbelasting als gevolg van de combinatie van verrekenbare voorheffing en eindheffing beide ten laste van de belanghebbende.
7.Middel (iv) - Richtlijnconforme interpretatie
linking rulein art. 4 van Pro de MD-richtlijn uitsluitend ingevoerd met het oog op hybride financiële instrumenten en moet ook art. 13(17) Wet Vpb in dat licht worden uitgelegd, i.e. beperkt tot hybride financieringsvormen. Dat betekent dat vastgoeddeelnemingen zoals de hare niet onder art. 13(17) vallen. De Inspecteur meent daarentegen dat met de wijziging in de MD-richtlijn is beoogd dubbele niet-heffing te voorkomen en dat art. 13(17) Wet Vpb daarmee in overeenstemming is.
mismatchesals gevolg van hybride financiering tegen te gaan, maar beperkt zijn tekst zich niet tot dergelijke situaties. Uit de toelichting en de ontstaansgeschiedenis blijkt dat de wijziging is ingegeven door de ruimere wens om agressieve fiscale planning, dubbele niet-heffing in het algemeen en extreem lage belasting tegen te gaan. De tekst van art. 13(17) Wet Vpb heeft net als art. 4 van Pro de MD-richtlijn een generiek karakter en beperkt zich evenmin tot hybride financiële instrumenten. De Rechtbank meent daarom dat richtlijnconforme interpretatie niet tot het door de belanghebbende voorgestane resultaat leidt.
hybrid financial mismatches, waaronder volgens het Hof ook vallen
mismatchesin deelnemingsverhoudingen zoals die tussen de belanghebbende en [A] . Het Hof wijst ook op het woord ‘zoals’ in de volgende passage uit het EU Actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontwijking: [35]
NLF2022/0874:
8.Middel (v) - uitputtende harmonisatie?
mismatchestussen lidstaten in hun winstbelastingheffing ter zake van winstuitkeringen in deelnemingsverhoudingen) met de
linking rulein de MD-richtlijn uitputtend is geharmoniseerd, zoals het Hof haars inziens ten onrechte overweegt in diens r.o. 5.3.13.1. Volgens de Inspecteur is de harmonisatie van grensoverschrijdende mismatches in deelnemingsverhoudingen wel degelijk uitputtend, zodat toetsing van art. 13(17) wet Vpb aan primair EU-recht (de vrijheid van kapitaalverkeer) niet aan de orde is, maar alleen aan de richtlijn.
linking ruleuitputtend is geharmoniseerd omdat zij de lidstaten geen mogelijkheid laat dan wat die
rulevoorschrijft. De regel is dwingend en bevat impliciet noch expliciet een bevoegdheid tot nadere regeling door de lidstaten, zodat art. 13(17) Wet Vpb niet kan worden getoetst aan primair EU-recht, maar alleen aan de richtlijn, aldus het Hof.
26. Dat de MDR niet beoogt om uitputtende harmonisatie na te streven, blijkt bijvoorbeeld uit art. 4, lid 1, MDR. Deze bepaling biedt lidstaten de keuze om economisch dubbelde belasting te voorkomen door ofwel zich te onthouden van het belasten van deze winst (art. 4, lid 1, letter a, MDR) ofwel de winst te belasten maar verrekening te bieden (art. 4, lid 1, letter b, MDR). In dat verband is relevant dat het HvJ reeds heeft geoordeeld dat van deze keuzemogelijkheid slechts gebruik kan worden gemaakt met inachtneming van de fundamentele verdragsbepalingen. [40] Ook de artt. 3 en 4, lid 2 en 3, MDR kennen de lidstaten keuzemogelijkheden toe bij de implementatie van de MDR. Daarnaast kan een lidstaat de antimismatchbepaling van art. 4, lid 1, MDR verdergaand of strenger implementeren dan in de MDR is bepaald. Dit heeft Nederland ook gedaan, door ‘aftrekbaarheid naar aard’ te hanteren als criterium, terwijl dit vereiste op generlei wijze volgt uit art. 4 MDR Pro of de voorstukken van de MDR. Dit illustreert dat lidstaten wel degelijk de vrijheid hebben om de antimismatchbepaling strenger te implementeren. Daarbij komt dat Nederland ook de vrijheid heeft genomen om het toepassingsbereik van art. 4 MDR Pro ruimer te trekken dan strikt gezien noodzakelijk, door art. 13, lid 17, Wet Vpb ook van toepassing te verklaren op deelnemingen die zijn gevestigd in derde landen.
27. Het HvJ heeft in het
Unic-arrest geoordeeld dat van uitputtende harmonisatie sprake is als een richtlijn geen ‘minimum eisen’ bevat, en lidstaten dus niet bevoegd zijn om strengere eisen vast te stellen, maar in uitputtende regels voorziet. [41] Het HvJ heeft in het Gysbrechtsarrest a contrario geoordeeld dat van uitputtende harmonisatie géén sprake is als een richtlijn minimum normen bevat, en dus aan lidstaten de mogelijkheid biedt om strengere regels te implementeren. [42] Nu lidstaten de mogelijkheid hebben om art. 4, lid 1, MDR strenger te implementeren (zie hiervoor), is van uitputtende harmonisatie geen sprake.
28. In zaak C-247/08,
Gaz de France, komt de vraag aan de orde of de moeder-dochterrichtlijn zelf in overeenstemming is met het recht van vestiging. In dat kader merkt het HvJ op (r.o. 52):
op een bepaald gebied slechts geleidelijk te laten verlopen of nationale wetgevingen
maatregelen uit te voeren, omdat de bevoegde communautaire instellingen daartoe, uitgaande van verschillende, ingewikkelde nationale bepalingen, gemeenschappelijke regels moeten opstellen die in overeenstemming zijn met de in het EGVerdrag neergelegde doelstellingen en door een gekwalificeerde meerderheid van de leden van de Raad of zelfs, zoals op belastinggebied, unaniem door de Raad worden goedgekeurd (zie in die zin arresten van 29 februari 1984, Rewe-Zentrale, 37/83, Jurispr. blz. 1229, punt 20; 13 mei 1997, Duitsland/Parlement en Raad, C-233/94, Jurispr. blz. 1-2405, punt 43, en 17juni 1999, Socridis, C-166/98, Jurispr. blz. 1-3791, punt 26).”
linking rulewordt nagestreefd, wel degelijk uitputtend:
Visnapuu: [43]
Unic, waaruit eveneens volgt dat bij volledige harmonisatie de lidstaten niet strenger mogen zijn dan de EU: [44]
(…)
37. Zoals de advocaat-generaal in de punten 58 en 59 van haar conclusie opmerkt, volgt uit een gecombineerde lezing van (…) dat deze richtlijn geen minimumeisen inzake de etikettering van de in de belangrijkste onderdelen van het schoeisel gebruikte materialen bevat, maar in uitputtende regels voorziet. Derhalve zijn de lidstaten niet bevoegd om strengere eisen vast te stellen.”
in zoverre deze sporen met het VWEU’[cursivering JK]. [53] Dit veronderstelt dat de deelnemingsvrijstelling toch nog aan de vrijheid van vestiging of kapitaalsvrijheid kan worden getoetst en dat, als geen inbreuk wordt vastgesteld, een beroep op de anti-misbruikbepaling ook niet kan slagen. Als de lidstaten een toets aan de verenigbaarheid met de verkeersvrijheden voor situaties die binnen het bereik van de Moeder-dochterrichtlijn vallen mogelijk achten betekent dat ook vanuit hun perspectief geen sprake kan zijn van uitputtende harmonisatie. Ik ben het daar dus niet per definitie mee eens, maar zolang het HvJ niet expliciet stelt dat artikel 4 van Pro de Moeder-dochterrichtlijn als uitputtende harmonisatie moet worden gezien bestaat er nog ruimte om te proberen de Nederlandse implementatie [54] daarvan ook aan de verkeersvrijheden te toetsen in situaties die binnen het bereik van de Moeder-dochterrichtlijn vallen.”
linking rulein art. 4(1)(a) MD-richtlijn en die van de
recitals(2) en (3) van de considerans (zie 3.2 hierboven) laten de lidstaten mijns inziens geen (keuze)vrijheid. Zij moeten domweg doen wat de
linking rulevoorschrijft. Strenger dan weigering van vrijstelling kan niet. Minder streng dan weigering mag niet. Met het Hof meen ik daarom dat de
linking ruleeen uitputtende regeling geeft van de voorkoming van dubbele niet-heffing door
mismatchestussen lidstaten in hun winstbelastingheffing ter zake van grensoverschrijdende winstuitkeringen in deelnemingsverhoudingen.
Gaz de France, gaat niet over de materie die geregeld wordt door de
linking rule. Dat kan ook niet, want de
linking rulebestond toen nog niet. Die
rulelaat lidstaten met een deelnemingsvrijstelling in geval van aftrekbaarheid in de dochterstaat geen keuze dan weigering van de deelnemingsvrijstelling. Dat art. 4 MD Pro-richtlijn de lidstaten bij
andereonderwerpen vrijheid laat, zoals een keuze tussen deelnemingsvrijstelling en
credit for underlying taxen een keuze voor een lager deelnemingspercentage dan 10%, acht ik niet relevant voor de vraag of de
linking rulezijn eigen materie uitputtend regelt. Uiteraard kan de uitoefening van die op
andervlak bestaande keuzevrijheid wél getoetst worden aan primair EU-recht. Dat de Nederlandse implementatie (‘naar zijn aard aftrekbaar’) strenger zou zijn dan de
linking rulein de Richtlijn, blijkt mijns inziens uit niets; die term lijkt mij correcte implementatie van de dwingende
linking rule. Dat lidstaten uiteraard vrij zijn om in
nietdoor de Richtlijn geregelde verhoudingen (derde-landenverhoudingen) eigen beleid te voeren, mits in overeenstemming met de vrijheid van kapitaalverkeer, is evenmin relevant voor de vraag welk karakter de harmonisatie in de wél door de Richtlijn bestreken verhoudingen heeft. Dat de
linking rulevolgens de belanghebbende economisch gelijke gevallen ongelijk behandelt, doet niet af aan zijn uitputting van de door hem geregelde materie, maar doet wel de vraag rijzen of de Richtlijn strookt met primair EU-recht. Daarover gaan de middelen (vi) en (vii).
9.Middel (vi) - toetsing van ambtswege aan het Handvest?
In dat verband meen ik dat indien sprake is van een verschillende behandeling van twee vergelijkbare situaties, voor de verschillende behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. De onderhavige maatregel die heeft geleid tot het verschil in behandeling streeft een legitiem doel na en de gekozen middelen voor het bereiken van het doel zijn evenredig en noodzakelijk om dat doel te bereiken. Artikel 21 van Pro het Handvest dat een discriminatieverbod bevat, wordt evenmin geschonden omdat mijns inziens deze bepaling alleen ziet op natuurlijke personen en op de daarin genoemde onderscheidingscriteria. Mocht het tweede lid van artikel 21 van Pro het Handvest ook rechtspersonen omvatten, dan verdient opmerking dat deze bepaling niet ziet op een verschil in behandeling tussen onderdanen van de lidstaten en derdelanders. (…).”
linking rulenaar
nietdoor die EU-regel bestreken derde-landengevallen mijns inziens geen uitvoering geeft aan EU-recht, maar aan nationaal beleid. Ook als dat anders zou zijn, is de rechter niet gehouden om buiten het geschil van ambtswege EU-recht toe te passen dat niet van openbare orde is (aldus HvJ
Van der Weerd e.a.) [56] en evenmin consumentenbescherming betreft. [57] Hij is nationaalrechtelijk immers niet bevoegd om buiten het geschil te gaan en in dat geval geldt geen EU-rechtelijke plicht tot toepassing van ambtswege, aldus HvJ
Van Schijndel en Van Veen. [58] Anders dan de belanghebbende, stelt, hoefde het Hof haar vrije-verkeersklacht mijns inziens geenszins op te vatten als een beroep op gronden ontleend aan het Handvest. De feitenrechter behoort niet mee te procederen, behalve mogelijk – aldus het HvJ in bekritiseerde rechtspraak – in het consumentenrecht, met name in zaken die onder de Richtlijn inzake oneerlijke handelsbedingen [59] kunnen vallen. Mogelijk ligt er ook een ambtshalve EU-recht-handhavingstaak voor de nationale rechter waar het gaat om (arbitrage inzake) kartelafspraken, maar de rechtspraak van het HvJ daarover [60] is niet heel concludent. Wat daarvan zij, de genoemde Handvestbepalingen zijn niet van openbare orde (
ordre public) en de MD-richtlijn betreft noch consumentenbescherming tegen oneerlijke bedingen, noch mededingingsrecht.
Haribo, blijkt dat de door haar gestelde horizontale discriminatie niet verboden is onder het primaire EU-recht. Ik meen dat als geen sprake is van discriminatie onder de verdragsvrijheden, in beginsel evenmin sprake is van discriminatie onder het Handvest, althans dat de belanghebbende concreet zou moeten aangeven wat het dan in haar geval is dat de discriminatietoets onder het Handvest anders zou doen uitpakken dan onder de fundamentele vrijheden. Naast ’s Hofs toets aan het vrije kapitaalverkeer lijkt een beroep op de discriminatieverboden in het Handvest rechtskundig niets toe te voegen.
Middel (vii) – horizontale discriminatie in strijd met het vrije kapitaalverkeer?
lidstaat(de belanghebbende stelt: in Frankrijk en Finland) en een
derdelanden-regime waarin dividenden aftrekbaar zijn. Zij acht zich gediscrimineerd omdat de door haar ontvangen Zuid-Koreaanse dividenden belast worden, terwijl volgens haar dividenden uitgekeerd door een vastgoedlichaam dat binnen de EU een vrijstelling of een nultarief in de winstbelasting geniet, worden vrijgesteld.
linking rulein art. 4(1)(a) van de MD-richtlijn geen uitputtende harmonisatie zou inhouden, heeft ook het Hof art. 13(17) Wet Vpb aan art. 63 VwEU Pro getoetst, dat als enige verkeersvrijheid ook in verhouding tot derde landen geldt. Hij heeft daarbij veel belang gehecht aan het arrest van het HvJ EU in de gevoegde zaken
Hariboen
Salinen: [61]
Haribo, daarbij verwijzende naar onderdeel 80 van de conclusie van de A-G Kokott:
Hariboniet gaat over haar discriminatie (naar gelang zij dividenden uit een EU-lidstaat ontvangt of dividenden uit een derde land), maar over discriminatie tussen dividenden uit twee verschillende derde landen. Zij verwijst in cassatie naar het HvJ-arrest in de zaak
Riskinen
Timmerman:
(i) Dividenden afkomstig uit een land dat een REIT/REF-regime kent waarbij een REIT/REF effectief niet wordt belast, omdat deze, onder de voorwaarde dat (nagenoeg) de gehele winst jaarlijks wordt uitgekeerd, is vrijgesteld of belast tegen 0%;
en
(ii) Dividenden afkomstig uit een land dat een REIT/REF-regime kent waarbij een REIT/REF effectief niet wordt belast, omdat deze, onder de voorwaarde dat (nagenoeg) de gehele winst jaarlijks wordt uitgekeerd, het dividend kan aftrekken.
40. Toch behandelt art. 13, lid 17, Wet Vpb dividend uitgekeerd onder het Koreaanse REF-regime anders dan dividend uitgekeerd onder het Finse of Franse REIT-regime. De enige reden voor deze andere behandeling is dat de Finse en Franse REIT regimes een andere techniek gebruiken (vrijstelling of nultarief) dan het Koreaanse REF regime (aftrek van dividend) voor het bereiken van neutraliteit. Hierdoor discrimineert art. 13, lid 17, Wet Vpb horizontaal, dat wil zeggen tussen situaties met verschillende staten ‘die in essentie vergelijkbaar’ zijn, en vormt een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal tussen lidstaten en derde landen.
NLF2022/0874 bij de uitspraak van het Hof:
NTFR2022/2995 bij de uitspraak van het Hof op:
vestiging. Zij bestrijkt ook (niet-laagbelaste)
beleggingssituaties, i.e. gevallen waarin de aandeelhouder geen
definite influencekan uitoefenen, maar slechts voor het rendement participeert (i.e. kapitaalverkeer). Daardoor is de deelnemingsvrijstelling een generieke maatregel die in beginsel zowel onder de vestigingsvrijheid als onder het kapitaalverkeer kan worden getoetst. Dat betekent dat zij in derdelandenverhoudingen getoetst kan worden aan art. 63 VwEU Pro, óók als in de specifieke omstandigheden van het geval het wel degelijk om een meerderheidsparticipatie gaat, zoals in belanghebbendes geval. De bescherming van art. 63 VwEU Pro bestaat in dergelijke generieke-regelgevallen slechts dan niet als de nationale regel strekt tot regulering van de toelating van derdelanden-ondernemingen tot de EU-markt of andersom (markttoegang-criterium). [66] De deelnemingsvrijstelling strekt niet tot regulering van markttoegang, zodat haar toepassing in derdelandenverhoudingen onder de regels van het vrije kapitaalverkeer valt. De toepassing van art. 13(17) Wet Vpb kan dus in derde-landengevallen getoetst worden aan het vrije kapitaalverkeer.
herkomstenverschillend worden behandeld, maar twee
regimes. Dat wordt duidelijk als we veronderstellen dat één lidstaat (bijvoorbeeld Frankrijk)
beideregimes voor vastgoedbeleggingslichamen kent: één met vrijstelling of nultarief en uitdelingsplicht en ook één met aftrekbaarheid van dividenden en uitdelingsplicht. De verplichte implementatie van (het gewijzigde) art. 4(1)(a) MD-richtlijn heeft inderdaad tot gevolg dat in dat geval de andere lidstaten met een deelnemings-vrijstelling de dividenden vanuit het eerste Franse regime vrijstellen en de dividenden vanuit het tweede Franse regime moeten belasten. Het probleem zit dus niet in een
herkomst-verschil, maar in een
regime-verschil in behandeling. Belanghebbendes betoog komt er daarmee op neer dat de
linking rulein art. 4(1)(a) MD-richtlijn discrimineert tussen ‘in essentie’ (economisch) dezelfde
regimes, dus de
Richtlijnprimair EU-recht schendt.
linking rulein de Richtlijn het primaire EU-recht schendt doordat die
ruleuitsluitend koppelt aan de
aftrekbaarheidvan de vergoeding en niet ook aan nultarief- en vrijstellingsregimes. Het HvJ acht secundair EU-recht immers zelden in strijd met primair EU-recht, hoogstens bij een verkeerde keuze van rechtsbasis in het VEU- of het VwEU-Verdrag. Dat geldt te meer op het terrein van de directe belastingen, waar voor de totstandkoming van Unierecht unanimiteit is vereist en het HvJ zéér terughoudend is in het désavoueren van de daardoor – zeker in misbruikbestrijdingskwesties – zeer moeizaam bereikte harmonisatie. Zelfs in een BTW-zaak zoals de zaak
Rzecznik Praw Obywatelskich [67] liet de Grote Kamer van het HvJ bij twijfel over de verenigbaarheid van een BTW-richtlijnbepaling met primair EU-recht de Uniewetgever een ruime beoordelingsbevoegdheid en overwoog zij dat de Unierechter “hoogstens” bij “kennelijke fouten” van de Uniewetgever kan ingrijpen:
Hariboen
Salinen(eveneens over art. 4(1)(a) MD-richtlijn en het vrije kapitaalverkeer) ging het mede om dividenden ontvangen uit een ‘derde EER-staat,’ zo blijkt uit r.o. 52 van die zaak. Het HvJ achtte een vergelijking tussen dividenden uit een ‘derde-EER-staat’ en ‘internationale kwalificerende dividenden’ niet aan de orde, maar alleen een vergelijking tussen grensoverschrijdende dividenden en de binnenlandse dividenden in Oostenrijk.
Riskin en Timmermans [68] steunt eerder het tegengestelde standpunt: de verkeersvrijheden verzetten zich volgens dat arrest juist
niettegen verschillende behandeling van dividenden uit Polen en dividenden uit derde landen omdat Belgische ontvangers van Poolse dividenden zich in een objectief
niet-vergelijkbare verdragspositie bevinden ten opzichte van Belgische ontvangers van derdelanden-dividenden, zodat van enige discriminatie geen sprake was (zie r.o. 34). De suggestie van de belanghebbende dat het HvJ in dat arrest een “horizontale discriminatie tussen derde staten en lidstaten” vastgesteld zou hebben, is mijns inziens dus onjuist:
Commissie v. Nederland, [69] steunt haar standpunt niet. Nederland eiste destijds voor de inhoudingsvrijstelling van dividendbelasting een grotere participatie van aandeelhouders in de EVA-lidstaten IJsland en Noorwegen (10% resp. 25%) dan van ingezeten aandeelhouders en EU-aandeelhouders (beide 5%) omdat de EG-administratieve-bijstandsrichtlijn niet gold in de verhouding met IJsland en Noorwegen. Het HvJ achtte dat geen houtsnijdende rechtvaardiging voor het onderscheid. De vergelijking was dus wel degelijk in de eerste plaats met de binnenlandsituatie, die op grond van de MD-richtlijn gelijk was aan de intra-EU-situatie.