ECLI:NL:PHR:2023:394
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat personen betrokken bij illegale handel in geregistreerde stoffen geen marktdeelnemers zijn volgens EU-verordening
De zaak betreft een verdachte die door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch is veroordeeld wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen voor drugsmisdrijven met geregistreerde stoffen, maar vrijgesproken van het niet naleven van de kennisgevingsplicht onder verordening 273/2004. De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) over de uitleg van het begrip 'marktdeelnemer' en de reikwijdte van de kennisgevingsplicht.
Het HvJ EU oordeelde dat alleen personen die geregistreerde stoffen binnen een legaal kader in de handel brengen als marktdeelnemers in de zin van artikel 2, onder d, van verordening 273/2004 kunnen worden beschouwd. Personen die betrokken zijn bij illegale activiteiten vallen niet onder deze definitie. Dit oordeel is gebaseerd op de context, doelstellingen en rechtsgrondslagen van de verordening en het kaderbesluit 2004/757, waarbij het kaderbesluit strafbare feiten op het gebied van illegale drugshandel regelt en de verordening zich richt op de legale handel.
De Hoge Raad concludeert dat de verdachte, betrokken bij illegale handel, geen marktdeelnemer is en daarom niet gehouden was tot kennisgeving van voorvallen. Dit betekent dat de vrijspraak van het niet naleven van de kennisgevingsplicht terecht is. Het cassatieberoep wordt verworpen. Tevens wordt opgemerkt dat de redelijke termijn in de cassatiefase niet is overschreden vanwege de complexiteit van de zaak en het stellen van prejudiciële vragen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de verdachte geen marktdeelnemer is in de zin van verordening 273/2004, waardoor de kennisgevingsplicht niet op hem rust.