ECLI:NL:PHR:2023:1104

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2023
Publicatiedatum
4 december 2023
Zaaknummer
21/05379
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 SvArt. 366 SvArt. 434 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verstekarrest wegens detentie verdachte tijdens hoger beroep

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken en betaling van schadevergoeding. In hoger beroep verscheen hij niet, waarna het hof Arnhem-Leeuwarden verstek verleende en de verdachte niet-ontvankelijk verklaarde. De raadsman was niet gemachtigd en er was geen appelschrift ingediend.

In cassatie klaagt de verdachte dat het verstek onterecht is verleend omdat hij tijdens de zitting in hoger beroep in detentie in het buitenland verbleef en dus niet vrijwillig afzag van zijn recht op aanwezigheid. De Hoge Raad onderzoekt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat niet met zekerheid vaststaat wanneer de verdachte kennis nam van het verstekarrest.

De Hoge Raad neemt kennis van een document waaruit blijkt dat de verdachte van oktober 2016 tot april 2018 ononderbroken in een Duitse penitentiaire inrichting verbleef. Dit leidt tot de conclusie dat het verstek onjuist is verleend. Gezien het belang van aanwezigheid bij de behandeling van de zaak, vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling in aanwezigheid van de verdachte.

Uitkomst: Het verstekarrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling in aanwezigheid van de verdachte.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/05379

Zitting12 december 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 23 januari 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 25 april 2016, waarbij de verdachte was veroordeeld wegens onder 1 primair
“medeplegen van verduistering”en onder 2
“opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast”tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek van voorarrest, en tot betaling van een schadevergoeding aan de benadeelde partij, een en ander zoals in het vonnis vermeld.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namen de verdachte. T. Straten en I.T.H.L. van de Bergh, beiden advocaat te Maastricht, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte aangezien deze ten tijde van de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd en hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.

Het procesverloop

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2017 houdt in dat de verdachte aldaar niet is verschenen, en voorts onder meer het volgende:

De raadsman van verdachte mr. M.E.W. Harskamp heeft het hof bij e-mail van 20 januari 2017 gemeld dat hij geen contact met verdachte heeft gehad en dat hij ook niet gemachtigd is en daarom niet op de zitting aanwezig zal zijn.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte.
De advocaat-generaal deelt – zakelijk weergegeven – mede:
Ik was voornemens om een vordering tot wijziging van de tenlastelegging in te dienen. Maar nu er niemand is verschenen, de raadsman niet is gemachtigd en door de verdediging geen appelschriftuur is ingediend, vorder ik dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en spreekt, na gehouden beraad, het arrest uit.

De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

5. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik ambtshalve het volgende op. Namens de verdachte heeft de griffier cassatie ingesteld op 28 december 2021. [1] Het door het hof gewezen verstekarrest dateert van 23 januari 2017. Dat zou (kunnen) betekenen dat het beroep in cassatie te laat is ingesteld.
6. Het bestreden arrest is gewezen buiten aanwezigheid van de verdachte en van een namens hem optredende raadsman, terwijl de dagvaarding voor de zitting van 23 januari 2017 de verdachte niet in persoon is betekend. Uit de stukken die de griffier van het hof op de voet van het bepaalde in artikel 434 lid 1 Sv Pro aan de griffier van de Hoge Raad heeft gezonden, bevindt zich geen stuk waaruit kan worden opgemaakt dat het arrest van het hof van 23 januari 2017 overeenkomstig (het ook in hoger beroep toepasselijke) artikel 366 Sv Pro daadwerkelijk aan de verdachte is betekend c.q. uitgereikt. Daarmee is m.i. niet met voldoende zekerheid vast te stellen op welke datum de verdachte met het verstekarrest van het hof bekend is geraakt en kan dan ook niet worden geoordeeld dat het beroep in cassatie te laat is ingesteld. De verdachte kan dus in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

De bespreking van het middel

7. In cassatie is – door middel van aanhechting aan de schriftuur – overgelegd een ‘
Haftbescheinigung’ van de penitentiaire inrichting te [plaats] gedateerd 12 oktober 2022. In dit stuk staat vermeld dat de verdachte van 18 oktober 2016 tot 13 april 2018 zonder onderbreking in deze penitentiaire inrichting heeft verbleven. Voorts is aan de schriftuur de bijbehorende mailwisseling tussen de raadsman van de verdachte en de Duitse justitiële autoriteiten, gedateerd 11 en 12 oktober 2022, gehecht.
8. Uit de hiervoor onder randnummer 7 vermelde stukken – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld – moet worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep in verband met een andere strafzaak was gedetineerd, zodat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten, achteraf bezien onjuist was. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, dient de verdachte de mogelijkheid te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. [2] Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het middel is dus terecht voorgesteld.

Slotsom

9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Blijkens de e-mailwisseling die is gehecht aan de akte (tot het instellen van) cassatie(beroep), stelt de raadsman van de verdachte dat hij de griffier van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden reeds op 14 december 2021 per faxbericht heeft gemachtigd om namens de verdachte cassatieberoep in te stellen tegen het bestreden arrest. Er is geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze stelling. Niet blijkt dat aan dit verzoek (en deze machtiging) gehoor is gegeven. Op 28 december 2021 heeft de daartoe gemachtigde griffier van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijkens een daarvan opgemaakte akte van die datum (alsnog) namens de verdachte cassatie ingesteld. Het tijdsverloop tussen 14 december 2021 en 28 december 2021 kan de verdediging m.i. niet worden tegengeworpen bij de vraag naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.
2.Vgl. HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:388; HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:561; HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:985.