Conclusie
Inleiding
Het middel en de bespreking daarvan
1.Een proces-verbaal van 27 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pagina 125 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant of één of meer van hen:
Verweren tot bewijsuitsluiting
[betrokkene 1]en
[betrokkene 4], de onderlinge tegenstrijdigheden in hun verklaringen en het feit dat zij telkens wisselend hebben verklaard. Dit alles rechtvaardigt in de ogen van de raadsman geen andere conclusie dan dat die getuigenverklaringen en in het verlengde daarvan hun herkenning van de verdachte als schutter, niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.
hoordedat etc. Het gaat hier dus evident niet om een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, zodat de door de steller van het middel aangehaalde bepaling uit het Wetboek van Strafvordering van Curaçao ter onderbouwing van haar betoog, hier niet van toepassing is. [3] Deze deelklacht mist derhalve feitelijke grondslag.
enkele(mijn cursivering, A-G) inconsistentie niet maakt dat aan de betrouwbaarheid van de door deze getuige bij de politie afgelegde verklaring moet worden getwijfeld”. In dat verband overweegt het Hof verder dat de verklaring van [betrokkene 4] bij de rechter-commissaris “voor het overige op de van belang zijnde onderdelen in overeenstemming is met wat hij bij de politie heeft verklaard”. Dit is eveneens een vaststelling van feitelijke aard. Daarover wordt in cassatie niet geklaagd. Met het Hof meen ik dat ook deze inconsistentie in het licht van al het andere van ondergeschikte betekenis is. Het Hof is mijns inziens dan ook niet onbegrijpelijk tot het oordeel gekomen dat deze enkele inconsistentie niet maakt dat aan de betrouwbaarheid van de door [betrokkene 4] op 21 januari 2018 bij de politie afgelegde verklaring moet worden getwijfeld. Voorts acht ik het daarop gebaseerde oordeel van het Hof, dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring, dat de klant (en dus de verdachte) en de schutter dezelfde persoon zijn en dat deze verklaring bruikbaar is voor het bewijs, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Slotsom