Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
De man heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. Dit incidentele cassatieberoep is gericht tegen het oordeel van het hof dat het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot betaling van de kosten, verband houdende met het door de vrouw gelegde beslag ten laste van de man, moet worden afgewezen.Door de man wordt – samengevat – geklaagd dat de beslissing van het hof dat niet is komen vast te staan dat de vrouw het beslag zonder rechtsgrond heeft gelegd, zodat het onrechtmatig karakter van haar handelen ontbreekt en de vordering van de man daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk is en daarmee ondeugdelijk met redenen omkleed.
2.Feiten en procesverloop
De man heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en geconcludeerd tot verwerping. Tevens heeft de man incidenteel cassatieberoep ingesteld.
De vrouw heeft een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep ingediend en geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel cassatieberoep.
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Het bedrag van € 435.000,- (grief III in principaal appel)
5.9 De man betwist de verklaring van de vrouw. De vrouw stond volgens de man voorafgaand aan de verkrijging van de woning voor de volgende keuzen: ofwel zij kon het bedrag van € 435.000,- aan de man lenen, waarbij zij geen eigendomsaandeel zou verkrijgen en zij dus niet zou delen in een eventuele waardestijging van de woning, ofwel zij kon tegen dat bedrag een eigendomsaandeel in de woning financieren en aldus dat bedrag investeren in de woning. In dat laatste geval zou zij wel delen in de eventueel te maken winst. Op het moment dat de vrouw de bank opdracht gaf om het bedrag aan de man over te maken, was het nog de bedoeling dat zij dit bedrag aan de man zou lenen. Daarna, nog voordat de levering van de woning plaatsvond, heeft zij toch voor de laatst genoemde optie gekozen. Zij heeft daarna echter niet de vermelding ‘lening’ bij de overschrijving van het bedrag van € 435.000,- aan de man gecorrigeerd, aldus de man. Indien sprake was geweest van een lening, dan had het op de weg van de vrouw gelegen om de voorwaarden op papier te zetten. Volgens de man stelt de vrouw nu impliciet dat het bedrag van € 435.000,- een oneindige en rentevrije lening zou zijn. Bovendien heeft de vrouw vóór mei 2019 nooit kenbaar gemaakt dat zij dit bedrag aan de man zou hebben geleend, ook niet toen partijen in 2013 hun huwelijkse voorwaarden hebben gewijzigd.”
Het bedrag van € 435.000,- (grief III in principaal appel)
5.11 Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de vrouw een bedrag van € 435.000,- aan de man heeft overgemaakt met de omschrijving “lening” en dat zij [betrokkene 1] , werkzaam bij InsingerGilissen Bankiers, daartoe op 21 augustus 2012 opdracht heeft gegeven. Gelet op de feitelijke stellingen van partijen over en weer rijst allereerst de vraag of met deze overschrijving tussen partijen een overeenkomst van lening tot stand is gekomen; de man stelt immers dat dit laatste weliswaar op 21 augustus 2012 één van de opties was, maar dat de vrouw er daarna toch voor heeft gekozen om dit bedrag aan de man te betalen ter verkrijging van een eigendomsaandeel van 40% in de woning. Met deze stellingen betwist de man gemotiveerd dat op 31 augustus 2012, de datum van de levering van de woning, (nog) sprake was van een afspraak tussen partijen inhoudende dat de vrouw hem € 435.000,- zou lenen. Daarnaast heeft te gelden dat, zoals hiervoor in r.o. 5.10 fine is overwogen, voor toewijzing van de vordering van de vrouw daarnaast nog moet komen vast te staan dat tussen partijen is afgesproken dat zij haar eigendomsaandeel van 40% om niet zou verkrijgen.
De vrouw heeft weliswaar bewijs aangeboden van haar stelling dat partijen zijn overeengekomen dat zij het bedrag van € 435.000,- aan de man zou lenen, maar niet van haar stelling dat zij het eigendomsaandeel van 40% in de woning in [plaats 2] om niet heeft verkregen. Het hof is van oordeel dat de vrouw die laatste stelling, waarvoor zij dus geen bewijsaanbod heeft gedaan, niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd. In de stukken is er geen enkele aanwijzing te vinden voor het bestaan van een dergelijke afspraak tussen partijen. Hieruit volgt dat, ook indien de vrouw zou slagen in een eventuele bewijsopdracht met betrekking tot de gestelde lening, dit niet tot toewijzing van haar vordering kan leiden, omdat daarmee niet komt vast te staan dat de betaling later niet de titel heeft gekregen van betaling voor het aandeel van 40% in de woning. Om die reden zal het hof het bewijsaanbod van de vrouw ter zake van de vermeende lening passeren en de bestreden beschikking op het punt van de vordering van de vrouw met betrekking tot de lening bekrachtigen.”
subonderdeel 2.1wordt – samengevat – geklaagd dat het hof in rov. 5.10 met de overweging “Niettemin overweegt het hof dat de vraag of al dan niet sprake was van een lening en de wijze van verdeling van de verkoopopbrengst van de betreffende woning niet volledig los van elkaar kunnen worden gezien.” buiten de rechtsstrijd is getreden door opnieuw de verdeling aan de orde te stellen en daarmee het verweer van de man tegen de door de vrouw gestelde geldlening uit te breiden. Daarmee miskent het hof, aldus het subonderdeel, dat de man geen vergoedingsvordering heeft ingesteld voor het -om niet- verkrijgen van het aandeel van de vrouw in de woning, welke eventuele vordering zou hebben kunnen leiden tot een andere verdeling dan de door de rechtbank vastgestelde verdeling van de verkoopopbrengst. Die proceskeuze heeft de man echter niet gemaakt en daarmee is het recht van de vrouw op het aandeel in de overwaarde van de woning definitief vastgesteld.
subonderdeel 2.3wordt geklaagd dat het hof in voormelde overweging, die erop neerkomt dat voor het antwoord op de vraag of er sprake is van een geldlening mede bepalend is of komt vast te staan dat de vrouw haar aandeel om niet heeft verkregen, heeft miskend dat de vrouw heeft gesteld dat zij haar aandeel in de woning heeft verkregen ter compensatie van het niet delen in de aanzienlijke winst op de verkoop voor een bedrag van 3,1 miljoen euro van de tweede woning in Frankrijk, voor de bouw waarvan de vrouw destijds aan de man een lening heeft verstrekt van € 500.000,-. Die stelling heeft rechtsgevolg en is niet door de man betwist. Daarnaast heeft de vrouw aanspraak gemaakt op haar aandeel in de woning voor het wederom in 2012, ter financiering van de woning in [plaats 2] , aan de man lenen van een bedrag van € 435.000,-, welk bedrag aanzienlijk meer is dan het evenredig aandeel van 40% van de aankoopsom in 2012 van € 1225.000,-. Welbeschouwd heeft de vrouw nauwelijks een jaar nadat zij de lening van € 500.000,- in 2011 nominaal had teruggekregen, het merendeel van dat bedrag in augustus 2012 al weer aan de man terug overgemaakt als lening voor de financiering van de woning in [plaats 2] . Op dit punt berust het oordeel van het hof op een onjuiste feitelijke grondslag, althans is de gevolgde gedachtegang van het hof onvoldoende inzichtelijk en daarmee onbegrijpelijk, nu het hof voorbij gaat aan de essentiële stelling van de vrouw dat het bedrag van de lening ad € 435.000,- zelfs 75,65% van de aankoopsom van de woning ad € 1.225.000,- bedroeg. Daarop stuit immers het verweer van de man af, aldus het subonderdeel, dat de vrouw het bedrag van € 435.000,- aan hem heeft willen betalen ter verkrijging van haar eigendomsaandeel van 40%.
lening’ heeft overgemaakt. Gegeven het feit dat dit bedrag tot op heden niet door de man aan de vrouw is terugbetaald, heeft de vrouw in beginsel aan haar stelplicht voldaan om de grondslag van haar vordering te kwalificeren als een overeenkomst van geldlening, die moet worden terugbetaald. Pas bij de voorbereiding van het hoger beroep heeft de vrouw extra stukken kunnen krijgen bij [A] , waaruit de uitgebreid beschreven opdracht tot overschrijving naar de man van een bedrag ad € 435.000,- met de herhaalde vermelding ‘
lening’. De in eerste aanleg nog door de man ontkende ontvangst van het bedrag van de aandelenoverdracht ad € 156.952,78, wordt in het verweerschrift in appel door de man alsnog erkend.
Voor zover het hof heeft bedoeld dat de man de vordering van de vrouw voldoende heeft betwist met het ‘
Nee, want....ze heeft betaald voor haar aandeel’ verweer, inhoudende dat de vrouw het bedrag van € 435.000,- toch op 31 augustus 2012 aan de man heeft willen betalen (in plaats van te lenen) ter verkrijging van een eigendomsaandeel van 40% in de woning, heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtengang waarom het de essentiële stelling van de vrouw heeft gepasseerd dat een bedrag van € 435.000,- niet overeenkomt met 40% van de aankoopsom voor de woning. Daaruit volgt immers onomstotelijk dat de vrouw niet voornemens was om € 435.000,- te betalen voor een 40% aandeel in de woning. Zoals gezegd, was, aldus het onderdeel, tussen partijen immers afgesproken dat de man de kosten van de verbouwingen zou dragen, hetgeen nog onderstreept waarom de vrouw bij de levering op 31 augustus 2012 geen bedrag van € 435.000,- voor het 40% aandeel zou behoeven te betalen. Onduidelijk en daarmee onbegrijpelijk blijft daarmee aan de hand van welke feitelijke stellingen van de vrouw het hof tot het oordeel heeft kunnen komen dat de vrouw een dergelijke, door de man beweerde, afweging heeft gemaakt in de periode van 21 tot 31 augustus 2012 en vervolgens van gedachten zou zijn veranderd. In de redenering van het hof wordt niet duidelijk waarom de vrouw bereid zou zijn geweest om een veel te hoog bedrag te betalen voor een aandeel van 40% in de woning en bovendien geheel zou afzien van de bij de lening bedongen compensatie voor de door de man zelf als ‘flinke’ winst aangemerkte opbrengst op de laatste woning in Frankrijk.
lening’ en het feit dat vaststaat dat dit bedrag niet door de man is terugbetaald, de vrouw voldoende heeft gesteld, en daartoe beperkt zich volgens het onderdeel ook de stelplicht van de vrouw, voor het honoreren van het bewijsaanbod van de vrouw ten aanzien van de overeenkomst tot geldlening, indien en voor zover bewijs daarvan nodig is. Om de in onderdeel 2 aangegeven redenen is voor het bestaan van de overeenkomst van geldlening niet vereist dat komt vast te staan dat de vrouw het aandeel van de woning om niet heeft verkregen en evenmin is, om de in onderdeel 3 aangegeven redenen, daarvoor vereist dat de vrouw niet van gedachten zou zijn veranderd en op 31 augustus 2012 niet met het bedrag van de geldlening alsnog zou hebben willen betalen voor de levering aan haar van het 40% aandeel in de woning. Aan het slot van rov. 5.11 heeft het hof het bewijsaanbod dan ook op onjuiste gronden gepasseerd, althans is de overweging van het hof tegenstrijdig en daarmee onbegrijpelijk waar het overweegt dat ook indien de vrouw zou slagen in een eventuele bewijsopdracht met betrekking tot de gestelde lening, dit niet tot toewijzing van de vordering uit geldlening kan leiden.
Met de overweging van het hof dat met het slagen van een eventueel bewijsaanbod ten aanzien van de geldlening nog niet komt vast te staan dat de betaling later niet de titel heeft gekregen van betaling voor het aandeel van de 40% in de woning, getuigt het hof van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de overeenkomst van geldlening, die ten grondslag ligt aan de vordering van de vrouw. Het is aan de man om zijn stelling te onderbouwen en te bewijzen dat de vrouw tussen 21 en 31 augustus 2012 van gedachte zou zijn veranderd en heeft willen betalen voor haar aandeel in de woning met eenzelfde bedrag als de geldlening. Zonder medewerking van de vrouw kan de man haar wilsverklaring niet eenzijdig wijzigen van geldlening naar betaling voor een aandeel in de woning. Het hof heeft daarmee geen duidelijk inzicht gegeven in diens oordeel (zie ook onderdeel 3) waarom de man met de stelling dat de vrouw van gedachten zou zijn veranderd en op 31 augustus 2012 heeft betaald voor haar aandeel in de woning, de vordering van de vrouw voldoende gemotiveerd heeft betwist.
op 21 augustus 2012 één van de opties was, maar dat de vrouw er daarna toch voor heeft gekozen om dit bedrag aan de man te betalen ter verkrijging van een eigendomsaandeel van 40% in de woning.”
op 21 augustus 2012met de opdracht door de vrouw aan de bank om een bedrag van € 435.000,- aan de man over te maken met de omschrijving ‘lening’ sprake was van een lening, kan het verweer van de man dat op 31 augustus 2012 de betaling echter de titel zou hebben gekregen van betaling door de vrouw voor het aandeel van de 40% in de woning, niet anders gekwalificeerd worden dan een zelfstandig (of: bevrijdend) verweer. Onderdeel 4 voert dan ook terecht aan dat het aan de man is om zijn stelling te onderbouwen en te bewijzen dat de vrouw tussen 21 en 31 augustus 2012 van gedachte zou zijn veranderd en heeft willen betalen voor haar aandeel in de woning met eenzelfde bedrag als de geldlening. Het hof heeft dit m.i. miskend door onder meer in rov. 5.11 te overwegen dat “(…) ook indien de vrouw zou slagen in een eventuele bewijsopdracht met betrekking tot de gestelde lening, dit niet tot toewijzing van haar vordering kan leiden, omdat daarmee niet komt vast te staan dat de betaling later niet de titel heeft gekregen van betaling voor het aandeel van 40% in de woning.” Bovendien heeft het hof – dat in rov. 5.11 heeft overwogen dat de man gemotiveerd heeft betwist dat op 31 augustus 2012, de datum van de levering van de woning, (nog) sprake was van een afspraak tussen partijen inhoudende dat de vrouw hem € 435.000,- zou lenen – de stelling van de vrouw dat een bedrag van € 435.000,- niet overeenkomt met 40% van de aankoopsom voor de woning, [6] ten onrechte onbesproken gelaten.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
De beslagkosten (grief II in incidenteel appel)Standpunten van partijen5.15 De man stelt dat de rechtbank artikel 827 lid 1 sub f Rv Pro te beperkt heeft uitgelegd door hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek om te bepalen dat alle kosten van het door de vrouw gelegde beslag voor haar rekening komen. De bedoeling van deze bepaling is dat (toekomstige) ex-echtgenoten een uitspraak krijgen over alle conflicten die hen verdeeld houden, mede om te voorkomen dat er voor een laatste onderdeel een aparte dagvaardingsprocedure gestart moet worden. De man voert aan dat hij eerder al aan de vrouw had voorgesteld om het bedrag van € 435.000,- niet in depot te houden bij de notaris, maar om dit vast te zetten op de derdenrekening van een van de advocaten. Ook heeft de man aan de vrouw aangegeven bereid te zijn een bankgarantie te geven. Het is de keuze van de vrouw geweest om het bedrag in depot bij de notaris te laten staan, aldus de man. De vrouw stelt daarentegen dat de man door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek, omdat artikel 706 Rv Pro de kosten uitsluitend bij de beslaglegger legt indien het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig is. In eerste aanleg kon niet worden beoordeeld of daarvan sprake was, omdat dat tot onnodige vertraging zou leiden. De vrouw is van mening dat zij de voorzieningenrechter in 2019 om goede redenen om verlof tot beslaglegging heeft gevraagd, mede gelet op haar vrees dat de man het geld zou kunnen verplaatsen naar een rekening in Andorra, maar vooral gelet op het feit dat de man altijd heeft belegd in aandelen. Bovendien was sprake van strijdigheid in de concepten van de bankgarantie en de contragarantie, waardoor zij pas later heeft ingestemd met de bankgarantie.
Oordeel hof5.16 In artikel 827 lid 1 onder Pro f Rv is bepaald dat als nevenvoorziening een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met e kan worden getroffen, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de behandeling van het verzoek van de man niet tot onnodige vertraging van het geding zal leiden. Bovendien houdt het verzoek direct verband met (de tenuitvoerlegging van de beslissingen op nevenverzoeken bij) het echtscheidingsverzoek. Het hof zal de man daarom alsnog ontvangen in zijn verzoek om de vrouw te veroordelen tot het betalen van de beslagkosten.
5.17 Het hof stelt voorop dat artikel 706 Rv Pro ziet op het terugvorderen van de beslagkosten die gemaakt zijn door de beslaglegger, in dit geval de vrouw. Het verzoek van de man heeft echter betrekking op de door hem – als beslagene – gemaakte kosten. De grondslag van een dergelijke vordering zou gelegen moeten zijn in het leerstuk van de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW Pro). Bijzondere omstandigheden daargelaten, is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt (zie Hoge Raad 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608). Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval niet is komen vast te staan dat de vrouw zonder enige rechtsgrond beslag heeft laten leggen onder de notaris. Daarmee ontbreekt het onrechtmatige karakter van haar handelen. De vordering van de man komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en het verzoek van de man afwijzen.”
Dat ten tijde van de beslaglegging daartoe in de ogen van de vrouw een rechtsgrond aanwezig was, valt, aldus het onderdeel, niet te kwalificeren als bijzondere omstandigheid, zo volgt uit het in het onderdeel aangehaalde arrest van Uw Raad van 15 april 1965. [9]
Snel/Ter Steege) [11] het standaardarrest. In de zaak die leidde tot het arrest van 1965 was de vordering waarvoor beslag was gelegd, geheel afgewezen. Het beslag was om die reden niet van waarde verklaard (voor 1992 moest een conservatoir beslag namelijk van waarde worden verklaard). [12] In cassatie werd onder meer door de beslaglegger aangevoerd dat indien als gevolg van een conservatoir beslag dat niet van waarde wordt verklaard, door de beslagene schade is geleden, de beslaglegger tot de vergoeding van die schade slechts verplicht zal zijn ingeval hij bij het leggen van het beslag onzorgvuldig had gehandeld. De Hoge Raad heeft deze opvatting echter niet aanvaard en overwoog hiertoe het volgende: