Conclusie
advocaten: D.M. de Knijff en M.S. van der Keur
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Juridisch kader
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1keert zich tegen het oordeel van het hof dat de Gemeente het economisch claimrecht van art. 110 Wpo Pro toekomt met betrekking tot het terrein van de school. Het voert aan dat de Gemeente dat claimrecht slechts heeft als zij de grond aan de Stichting of haar rechtsvoorgangers heeft verstrekt of verwerving ervan heeft bekostigd.
Onderdeel 2valt het oordeel van het hof aan over de ongerechtvaardigde verrijking van de Gemeente (rov. 3.14). Dit onderdeel bouwt geheel voort op onderdeel 1.
Onderdeel 3richt zich tegen het oordeel van het hof dat de school niet kon worden aangemerkt als een zogenaamde oude eigendomsschool (rov. 3.6). Het voert aan (onder 3.1) dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat van een dergelijke school slechts sprake is als het schoolbestuur de eigendom van het terrein of het gebouw vóór 1 januari 1921 heeft verkregen. Voorts klaagt het (onder 3.2) dat het hof ten onrechte bij zijn oordeel in aanmerking heeft genomen hoe verbouwingen van de school in de periode 1947-2015 zijn gefinancierd.
Onderdeel 4keert zich tot slot tegen het oordeel van het hof dat het beroep op wanprestatie door [de erven] naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (rov. 3.21 en 3.22).
met uitzondering vandie genoemd in art. E33 Overgangswet WBO, dat op zijn beurt dus verwijst naar art. 205 Lager Pro-onderwijswet 1920. Het is echter niet aannemelijk dat de wetgever met deze wijziging een inhoudelijke verandering in het toepassingsbereik van het economisch claimrecht heeft beoogd en wel door voor het niet-toepasselijk zijn van dat recht de nadere voorwaarde in te voeren dat het gebouw of het terrein op de in art. 205 Lager Pro-onderwijswet 1920 genoemde datum van 1 januari 1921 in gebruik was bij de school (zoals in de combinatie van thans de art. 110 lid 4 Wpo Pro, E33 Overgangswet WBO en 205 lid 1 Lager-onderwijswet zou kunnen worden gelezen).
eigendomvan het schoolbestuur waren. Art. 205 lid 1 Lager Pro-onderwijswet stelt die eis als gezegd niet en de wetgever heeft dat als gezegd al in 1936 uitdrukkelijk buiten twijfel gesteld (zie hiervoor in 3.22). Waarom het hof hieraan in rov. 3.6 is voorbijgegaan (het lijkt de toevoeging uit dat jaar daar slechts van betekenis te achten voor de gebruiksvergoeding van het artikellid), is onduidelijk.