Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
omdat“de totale termijn van vier jaren niet is overschreden”, is gelet op zijn vaststelling dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep met één jaar en twee maanden
nietzonder meer begrijpelijk in het licht van het hier toepasselijke beoordelingskader. Daarbij moet immers worden bedacht dat de redelijke termijn per procesfase dient te worden bezien en dat de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel dient te worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Bijzondere omstandigheden die een vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden in dit geval zouden kunnen rechtvaardigen, heeft het hof in zijn motivering niet betrokken. Uit dit een en ander volgt dat het oordeel van het hof ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn niet toereikend is gemotiveerd.
NJ2000/721, m.nt. De Hullu (en HR 9 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9372,
NJ2001/307, m.nt. De Hullu) zijn geformuleerd over de inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak (respectievelijk ontnemingszaak) binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden, zijn nadien verfijnd en aangescherpt, en uiteindelijk samengevat in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
NJ2008/358, m.nt. Mevis (het overzichtsarrest). In dat arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende uiteengezet:
Toetsing door de Hoge Raad als feitenrechter
NJ2008/358 – in algemene zin overwogen dat het stelsel van vuistregels – kort gezegd – inhoudt “dat in zaken die zijn geëindigd met de oplegging van een betrekkelijk geringe straf, wordt volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, terwijl in overige gevallen de betreffende verdragsschending in de regel wordt gecompenseerd door vermindering van de duur van de opgelegde vrijheidsstraf of taakstraf, dan wel de hoogte van de opgelegde geldboete of ontnemingsmaatregel”.
cassatierechter, dan gaat hij op dit punt kennelijk van hetzelfde schema uit. In het overzichtsarrest van 17 juni 2008 merkt de Hoge Raad immers op dat het de feitenrechter vrijstaat om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden – te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, waarbij hij wijst op de (in dat arrest) onder 3.6 genoemde gevallen, waaronder, zo vul ik aan, die ‘van’ 3.6.1 onder C. En in het arrest van 17 april 2018 zegt de Hoge Raad in algemene zin (onder meer) dat in zaken die zijn geëindigd met de oplegging van een betrekkelijk geringe straf, volstaan wordt met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.