Conclusie
Nummer21/00618
Inleiding
Het middel
Feiten en omstandigheden
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens opzettelijke vernieling van een auto, waarbij hij met een ijzeren staaf de voorruit insloeg. Hij voerde beroep op noodweer en noodweerexces, stellende dat de bestuurder met gierende banden op hem afreed.
Het hof oordeelde dat het handelen van de verdachte niet als verdediging maar als aanvallend moest worden gezien, mede vanwege het bestaande conflict tussen verdachte en de familie van de benadeelde. De verklaring van de verdachte en getuigen werden gewogen, waarbij het hof de verklaring over het met hoge snelheid aanrijden niet doorslaggevend achtte.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Het hof had terecht geoordeeld dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dat het handelen van verdachte niet noodzakelijk was ter verdediging. Ook het beroep op noodweerexces faalde omdat geen noodweersituatie bestond.
De strafrechtelijke beoordeling benadrukte dat het gebruik van een auto als wapen niet automatisch een noodweerrechtvaardiging oplevert wanneer de reactie van verdachte als aanvallend wordt beoordeeld. De Hoge Raad vond geen onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijkheid in het oordeel van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de veroordeling wegens opzettelijke vernieling blijft in stand.