Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
shortstayverhuur. Deze woningen zijn uiteindelijk in 2014 vrijgesteld van omzetbelasting verhuurd, aangezien de
shortstayverhuur niet mogelijk bleek.
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende, een fiscale eenheid die zowel belaste als vrijgestelde prestaties verricht, heeft twee gebouwen gerealiseerd met gesplitste winkelruimten, woningen en parkeergarages. De woningen zijn gefaseerd verhuurd, waarbij een deel aanvankelijk bestemd was voor belaste shortstay verhuur maar uiteindelijk vrijgesteld werd verhuurd. Na naheffingsaanslagen en bezwaarprocedures bevestigde het Hof dat voor de pro-rata aftrek geen rekening kan worden gehouden met fictieve huuropbrengsten van leegstaande ruimten en dat de woningen als zelfstandige onroerende zaken individueel in gebruik worden genomen.
Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het oordeel dat de pro-rata aftrek niet op theoretische huuropbrengsten gebaseerd kan worden en dat de eerste ingebruikneming per appartement geldt in plaats van één ingebruikneming voor het gehele gebouw. De Advocaat-Generaal concludeert dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de door belanghebbende verstrekte gegevens onvoldoende nauwkeurig zijn om het werkelijke gebruik vast te stellen en dat het Hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de eerste ingebruikneming.
De Hoge Raad wordt geadviseerd het cassatieberoep ongegrond te verklaren, waarmee het oordeel van het Hof wordt bekrachtigd dat de integratieheffing terecht is nageheven voor de vrijgestelde woningen en dat de eerder afgetrokken omzetbelasting voor shortstay verhuur moet worden herzien.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd.