Conclusie
voorbedachte raad, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met behulp van een vuurwapen een kogels in en/of door het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.”
"je hebt een probleem met mij!", welk aanroepen vergezeld ging van verdachtes kussen van zijn vinger en het maken van een handbeweging, daarmee kennelijk het gebruik van een vuurwapen richting [slachtoffer] simulerend. Nadat [slachtoffer] en [betrokkene 1] weer zijn uitgestapt is de ruzie in een handgemeen ontaard, waarbij de verdachte klappen heeft moeten incasseren. Toen [slachtoffer] en [betrokkene 1] in de pick-up wegreden is de verdachte door een ander tot kalmte gemaand, waarop de verdachte heeft gezegd:
"ok, ok, ik ben rustig, maar ik zal terugkomen". Hierop is ook de verdachte in zijn auto gestapt en is hij weggereden.
"I came to give myself, I just shot someone".Na te zijn aangehouden heeft de verdachte bij gelegenheid van zijn voorgeleiding verklaard:
“I have an ongoing problem with the man [slachtoffer] concerning land.
NJ2016/113, m.nt. Rozemond (een poging tot moord), gaat mijns inziens hier echter niet op. In die zaak casseerde de Hoge Raad het oordeel van het hof over de voorbedachte raad onder meer omdat het hof niets had vastgesteld over het tijdsverloop dat met een en ander gemoeid was geweest en het hof in een bewijsmiddel had vastgesteld dat de verdachte ‘woedend’ was en ook had overwogen dat sprake was van een ‘oplopend conflict’ dat was geëscaleerd
vlak voordatde verdachte op het slachtoffer schoot. Ook de vergelijking met HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:942 (poging tot zware mishandeling met voorbedachte raad) gaat naar mijn inzicht mank. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het hof inzake de aanwezigheid van voorbedachte raad ontoereikend was gemotiveerd, waarbij hij onder meer in aanmerking nam dat het hof niets had vastgesteld over het tijdsverloop dat met een en ander gemoeid was geweest en het geen overweging had gewijd aan het antwoord op de vraag of het redelijk was aan te nemen dat de verdachte daadwerkelijk had nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad, terwijl een getuige, die samen met de verdachte naar de woning van het slachtoffer was gegaan, ervan “stond te kijken” dat de verdachte “in één keer” het slachtoffer met de boksbeugel sloeg.