ECLI:NL:PHR:2022:652
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling omzetbelasting voor diensten maatschappelijk werk en schuldhulpverlening
Belanghebbende verricht diensten op het gebied van budgetbeheer, beschermingsbewind en schuldhulpverlening en stelt dat deze diensten vrijgesteld zijn van omzetbelasting op grond van artikel 11 lid 1 onderdeel Pro f Wet OB in samenhang met het Uitvoeringsbesluit OB en bijlage B.
De rechtbank Den Haag oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat haar werkzaamheden als schuldhulpverlening konden worden aangemerkt en wees de vrijstelling af. Het Hof Den Haag kwam tot het oordeel dat de werkzaamheden als eenheid beschouwd moeten worden en kwalificeerde deze als schuldhulpverlening, waardoor de vrijstelling van toepassing was.
De staatssecretaris van Financiën stelde cassatie in tegen het oordeel van het Hof, stellende dat het begrip schuldhulpverlening te ruim werd uitgelegd en dat beschermingsbewind niet onder schuldhulpverlening valt. De Hoge Raad overweegt dat het begrip schuldhulpverlening ruimer moet worden geïnterpreteerd en dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verschillende diensten als één prestatie moeten worden gezien.
De Hoge Raad geeft de zaak terug aan een ander gerechtshof voor nader onderzoek naar de kwalificatie van de diensten als één ondeelbare prestatie of meerdere prestaties en de toepassing van de btw-vrijstelling daarop.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen naar een ander gerechtshof voor nader onderzoek.