Conclusie
Nummer20/04090
Inleiding
Het eerste middel
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en/of gehandeld heeft in strijd met de eisen van een eerlijk proces en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Algemeen
opmerking griffiers: daar waar het hof [medeverdachte 5] noemt, dient steeds te worden gelezen [medeverdachte 5] thans [medeverdachte 5]].
het oogmerk heeft van het plegen van een bepaald misdrijf of misdrijven. Het oogmerk betreft het naaste doel van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of meerdere delicten, maar een pluraliteit daarvan is noodzakelijk. Het oogmerk impliceert dat de betreffende misdrijven (of pogingen of voorbereidingen daartoe) nog niet hoeven te hebben plaatsgevonden (vgl. HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 425). Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht.
deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413). Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend.
Bewijsoverweging
(Zaak 2: niet aangemelde vuurwerktransporten)(…)
(…)
Uitgaande van bovenstaand toetsingskader komt het hof tot het oordeel dat er sprake is geweest van medeplegen van verdachte met medeverdachte [medeverdachte 6] [medeverdachte 2] was direct betrokken bij de getransporteerde pallets en bij het opstellen en het invullen van de CMR. [medeverdachte 2] wist dat de CMR vals was. Hij wist dat de twee pallets ‘fout’ waren, in die zin dat het geen 1,4G vuurwerk betrof, terwijl op die CMR 1,4G was ingevuld. Door de chauffeur vervolgens op weg te sturen met de valse CMR, heeft [medeverdachte 2] van die valse CMR gebruik gemaakt. Het bedrijf [medeverdachte 6] organiseerde het transport tot het ophalen van het vuurwerp in [plaats] in het kader waarvan het strafbare feit kon worden begaan, In de samenwerking tussen beiden kon het feit worden begaan.
(…)
Zaak 7: valse bedrijfsadministratie)
Zaak 2: niet aangemelde vuurwerktransporten”, in op een aantal vermeende door de verdediging gevoerde verweren en concludeert het hof onder meer dat [medeverdachte 6] als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] als feitelijk leidinggevers kunnen worden aangemerkt aan de verboden gedragingen begaan door [medeverdachte 6] en dat sprake is van medeplegen. Onder de kopjes “
Zaak 4: niet aangemelde vuurwerktransporten”, “
Zaak 7: valse bedrijfsadministratie” en “
Zaak 7: gewoontewitwassen” doet het hof feitelijke vaststellingen over vuurwerktransporten verricht namens [medeverdachte 4] door [medeverdachte 1] en de verdachte en het voeren van een valse bedrijfsadministratie en gewoontewitwassen door de criminele organisatie. Onder deze drie kopjes worden geen (al dan niet) door de verdediging in de onderhavige zaak gevoerde verweren vermeld. Deze zaken zijn niet aan de verdachte tenlastegelegd, [17] maar dienen naar ik de bewijsoverwegingen van het hof begrijp ter motivering van de wel aan de verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie.
Het tweede middel
tweede middelricht zich tegen het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn is beperkt tot een termijn van achttien maanden en behelst de klacht dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.
(…)
De redelijke termijn is ruimschoots overschreden, sterker nog: deze is “over de kop gegaan”. De gevolgen van die lange behandelduur zijn u voorgehouden. Dat het O.M. in dat kader wijst naar de verzoeken van de verdediging is slechts voor een klein deel redelijk. Dat er om het horen van getuigen wordt verzocht, betekent niet vanzelfsprekend dat de verdediging daarmee instemt met jaren oponthoud. Dat is wel de praktijk gebleken, in dit proces. De lange duur van de overschrijding van de redelijke termijn brengt met zich mee dat uw hof in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad kan handelen naar bevind van zaken.”