ECLI:NL:PHR:2022:616

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
22 juni 2022
Zaaknummer
21/01984
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14c SrArt. 14a SrArt. 6:3:14 SvArt. 96a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bijzondere voorwaarde omtrent toestemming raadplegen referenten in voorwaardelijke straf

De verdachte is door het hof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf weken, waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met diverse algemene en bijzondere voorwaarden. Eén van deze bijzondere voorwaarden verplichtte de veroordeelde toestemming te geven voor het raadplegen van alle door de reclassering noodzakelijk geachte referenten.

De advocaat-generaal betoogt dat deze voorwaarde niet voldoet aan de wettelijke eisen van artikel 14c lid 2 onder 14° Sr, omdat het gedragsvoorschrift onvoldoende precies is geformuleerd en niet duidelijk is hoe deze voorwaarde zich verhoudt tot andere voorwaarden en het toezicht door de reclassering. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin soortgelijke voorwaarden zijn vernietigd.

De Hoge Raad oordeelt dat de opgelegde bijzondere voorwaarde niet voldoet aan de wettelijke vereisten en vernietigt deze voorwaarde. De rest van het vonnis blijft in stand. Hiermee wordt verduidelijkt dat gedragsvoorwaarden in een voorwaardelijke straf nauwkeurig moeten zijn en niet verder mogen gaan dan noodzakelijk voor het toezicht op naleving van andere voorwaarden.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de bijzondere voorwaarde omtrent toestemming voor het raadplegen van referenten door de reclassering.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/01984
Zitting28 juni 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 28 april 2021 door het gerechtshof Amsterdam in twee zaken met verschillende parketnummers wegens telkens “diefstal”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken, waarvan vier weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en algemene en bijzondere voorwaarden zoals nader in het arrest is vermeld.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters, beiden advocaat te Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. [1]

2.Het middel

2.1.
Het middel bevat de klacht dat de door het hof bij de deels voorwaardelijke straf opgelegde bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde verplicht is om toestemming te geven voor het raadplegen van alle door de reclassering noodzakelijk geachte referenten, ontoelaatbaar is omdat dit niet het gedrag van de veroordeelde als bedoeld in art. 14c Sr betreft.
2.2.
Het hof heeft aan de verdachte een gevangenisstraf opgelegd van vijf weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en daarbij als bijzondere voorwaarden gesteld dat:
“- de veroordeelde verplicht is zich te melden bij GGZ Fivoor Haarlem, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van instelling De Waag/Ambulant Centrum van Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Tevens kan een kortdurende klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek voor de duur van maximaal zeven weken tot de mogelijkheden behoren, dit naar inzicht van de reclassering;
- dat de veroordeelde meewerkt aan controle op het gebruik van alcohol en drugs om zicht te krijgen op zijn middelenproblematiek of om dit te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voorde controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;
- dat de veroordeelde verplicht is om toestemming te geven voor het raadplegen van alle door de reclassering noodzakelijk geachte referenten.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.”
2.3.
Art. 14c leden 2, 3 en 6 Sr luidt, voor zover van belang:
“2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:
(...)
14° andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.
3. Indien bij de toepassing van artikel 14a een bijzondere voorwaarde is gesteld, zijn daaraan van rechtswege de voorwaarden verbonden dat de veroordeelde:
(...)
b. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in het zesde lid, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
(…)
6. De rechter kan opdracht geven dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.”
2.4.
Art. 6:3:14 leden Pro 1, 3 en 5 Sv luidt, voor zover van belang:
“1. Het openbaar ministerie is belast met het toezicht op de naleving van:
a. voorwaarden die zijn gesteld bij:
(...)
4°. een veroordeling waarin de rechter heeft bepaald dat de straf of maatregel of een gedeelte daarvan niet zal worden tenuitvoergelegd;
(...)
3. De onder toezicht gestelde is verplicht medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht. (...)
5. De officier van justitie kan van een ieder vorderen de inlichtingen te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het toezicht op de naleving, bedoeld in het eerste lid. Artikel 96a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.”
2.5.
Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld.
2.6.
Art. 14c lid 2, aanhef en onder 14°, Sr biedt de rechter de mogelijkheid om, naast de algemene voorwaarde uit lid 1 dat de veroordeelde zich binnen de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, bepaalde gedragsvoorwaarden te stellen. Dat kan gebeuren in aanvulling op of in plaats van de overige in art. 14c lid 2 Sr genoemde bijzondere voorwaarden. Zo’n bijzondere voorwaarde moet het gedrag van de veroordeelde betreffen. Het gaat daarbij om voorwaarden die strekken ter bevordering van goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht. De Hoge Raad heeft deze definities onlangs zo uitgelegd [2] dat onder ‘voorwaarden die strekken ter bevordering van goed levensgedrag van de veroordeelde’ moeten worden verstaan voorwaarden die strekken tot het voorkomen van strafbaar gedrag van de veroordeelde. Bij ‘voorwaarden die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht’ gaat het om voorwaarden die een gedraging van de veroordeelde betreffen waartoe hij naar aanleiding van het bewezen verklaarde feit uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden is, bijvoorbeeld jegens slachtoffers van het bewezen verklaarde feit.
2.7.
Zo’n gedragsvoorwaarde moet voldoende precies het daarin vervatte gedragsvoorschrift formuleren. Zij mag niet gedrag van de verdachte omvatten dat in feite overeenkomt met het meewerken aan door de politie uit te oefenen veelomvattende en ingrijpende dwangmiddelen. [3]
2.8.
Op grond van art. 14c lid 3, aanhef en onder b, Sr is aan het stellen van een bijzondere voorwaarde van rechtswege onder meer de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in art. 14c lid 6 Sr. Daarnaast voorziet art. 6:3:14 Sv Pro in voorschriften en bevoegdheden in verband met het toezicht op de naleving van aan een voorwaardelijke veroordeling verbonden voorwaarden. Deze regelingen staan er niet aan in de weg dat – voor zover dat, gelet op de mogelijkheden die de zojuist genoemde wettelijke bepalingen al bieden, aangewezen is – een gedragsvoorwaarde wordt gesteld die een gedraging van de veroordeelde betreft en die ertoe strekt het toezicht op (een) andere door de rechter op grond van art. 14c lid 2 Sr gestelde bijzondere voorwaarde(n) mogelijk te maken of te bevorderen. Ook hierbij geldt dat het moet gaan om een voldoende precies geformuleerd gedragsvoorschrift. Dat gedragsvoorschrift mag niet verder strekken dan voor het toezicht op de naleving van de andere bijzondere voorwaarde(n) noodzakelijk is. [4]
2.9.
De Hoge Raad heeft vrij recent in een vergelijkbare casus in zijn arrest van HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1403, het volgende overwogen:
“3.4 De door het hof gestelde bijzondere voorwaarde “dat de veroordeelde toestemming zal geven relevante referenten te raadplegen” voldoet niet aan de onder 3.3 genoemde eisen en is daarom in strijd met artikel 14c lid 2, onder 14°, Sr. Het hof heeft immers in het midden gelaten hoe die voorwaarde zich precies verhoudt tot de overige door het hof gestelde bijzondere voorwaarden en de al beschikbare mogelijkheden om toezicht op de naleving van die voorwaarden te houden. Bovendien heeft het hof door uitsluitend te bepalen dat de verdachte toestemming moet geven voor het raadplegen van “relevante referenten” onder meer niet duidelijk gemaakt wie als zodanige referenten kunnen worden aangemerkt en met welk doel deze referenten (mogen) worden benaderd.
3.5 Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen en de bijzondere voorwaarde vernietigen.”
2.10.
Op grond van het voorgaande ben ik van oordeel dat ook in deze zaak op dezelfde gronden de opgelegde bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is om toestemming te geven voor het raadplegen van alle door de reclassering noodzakelijk geachte referenten niet voldoet aan de wettelijke vereisten en daarom in strijd is met art. 14c lid 2, onder 14° Sr.
2.11.
De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen en de bijzondere voorwaarde vernietigen.
2.12.
Het middel slaagt.

3.Conclusie

3.1.
Het middel slaagt.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de bijzondere voorwaarde dat “de veroordeelde verplicht is om toestemming te geven voor het raadplegen van alle door de reclassering noodzakelijk geachte referenten”.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Aanvankelijk was nog een middel van cassatie voorgesteld, over het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof van 28 april 2021. Nadat het hof dit proces-verbaal alsnog heeft toegezonden, heeft advocaat T.P.A.M. Wouters dit middel bij aanvullende schriftuur ingetrokken.
2.HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807, op aanzet van PG Bleichrodt.
3.Vgl. HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1215.
4.Vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1403, HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:338 en HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:807.