Conclusie
1.Samenvatting
2.Feiten
3.Het procesverloop
4.Het juridisch kader
Algemeen
zich tegen het in artikel 10 bedoelde Pro risico te verzekeren”).
plegen te bieden” is af te leiden dat de wettelijke regeling de vrijheid biedt om nader te bepalen over welke kwalificaties de zorgaanbieder voor een bepaalde vorm van verzekerde zorg moet beschikken. In plaats van een dwingende omschrijving door welke zorgverlener de betreffende zorg moet worden verleend om als verzekerde zorg te kwalificeren, is namelijk een zogenoemde functiegerichte of functionele omschrijving van prestaties gehanteerd. [10]
Menzis & Zorginstituut– voor wat betreft het begrip ‘stand van de wetenschap en praktijk – als volgt weergegeven (rov. 4.2.4). [12] Het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’ van art. 2.1 lid 2 Bzv is in de plaats gekomen van het voorheen geldende ‘gebruikelijkheidscriterium’ van de Ziekenfondswet (‘de gebruikelijke zorg’). Met het nieuwe criterium is bedoeld een “geactualiseerde vertaling” van het gebruikelijkheidscriterium te geven. Beoogd is om met het nieuwe criterium die zorg tot onderdeel van het verzekerde pakket te maken, die de betrokken beroepsgroep rekent tot het aanvaarde arsenaal van medische onderzoeks- en behandelingsmogelijkheden. Daarbij zijn zowel de stand van de medische wetenschap als de mate van acceptatie in de medische praktijk belangrijke graadmeters. Met het nieuwe criterium is tevens bedoeld te voldoen aan het (in verband met de vrijheid van diensten gegeven) oordeel van het HvJEU in zijn uitspraak van 12 juli 2001, ECLI:EU:C:2001:404,
NJ2002/3 (
Smits en Peerbooms) dat ‘gebruikelijkheid’ alleen aanvaardbaar is als maatstaf, indien daarmee wordt verwezen naar hetgeen door de internationale medische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden. Volgens de toelichting bij het Besluit zorgverzekering kan het begrip ‘stand der wetenschap’ “slechts internationaal worden uitgelegd”, zo is ten slotte overwogen.
Zorg die ‘pleegt te worden geboden’ betreft - kort gesteld - zorg die de beroepsgroep van de in de regelgeving genoemde zorgverlener rekent tot het aanvaarde arsenaal van zorg en die geleverd wordt op een wijze die de betreffende beroepsgroep als professioneel juist beschouwt. In de regel kan aan de hand van de richtlijnen en de standaarden van de beroepsgroep worden vastgesteld of sprake is van zorg die de beroepsgroep ‘pleegt te bieden’. Genoemde documenten kunnen in voorkomend geval ook dienen om na te gaan wanneer/of sprake is van zorgverlening op ‘professioneel juiste wijze’.”
eerstmoet worden beoordeeld of voldaan is aan het criterium ‘plegen te bieden’;
daarnamoet beoordeeld worden of voldaan is aan het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’. Als aan het eerste criterium niet wordt voldaan, wordt niet toegekomen aan een toetsing aan het tweede criterium.
De term ‘zoals ….. plegen te bieden’ was bij de invoering van de Zvw noodzakelijk in verband met de functionele prestatieomschrijving, waarbij niet meer dwingend wordt voorgeschreven door welke zorgverlener de betreffende zorg moet worden verleend. Verzekerd was niet meer de zorg van bijvoorbeeld een huisarts, maar zorg zoals huisartsen plegen te bieden. Door te verwijzen naar bepaalde typen zorgverleners wordt een nadere invulling gegeven aan de inhoud van de zorg. Bij plegen te bieden gaat het om een domeinvraag, om het onderscheiden van desoortenzorg.
Om te beoordelen of zorg behoort tot de zorg die een bepaalde beroepsgroep pleegt te bieden, gaat het er om, welke klachten/aandoeningen een bepaalde beroepsgroep behandelt en welke vormen van zorg hij daarvoor in het algemeen aanbiedt. M.a.w: behoort de zorg tot het domein van een bepaalde beroepsgroep en rekent hij die tot het deskundigheidsgebied van de beroepsgroep. [17] Daarbij gaat het om het soort zorg en watglobaalhet behandelaanbod inhoudt. Het plegen te bieden-criterium is niet bedoeld om te beoordelen of specifieke behandelingen (interventies) aangeboden worden en als effectief beschouwd worden. Op dat moment betreden we het terrein van de sw&p.
soort zorgonder het domein van de Zvw valt. Het gaat dus om een ‘domeincriterium’. Als het gaat om specifieke verrichtingen of een specifieke behandelmethode, is bepalend het criterium ‘stand van de wetenschap en praktijk’.
Medisch-specialistische revalidatie - Zorg zoals revalidatieartsen die plegen’
Medisch-specialistische revalidatie - Zorg zoals revalidatieartsen die plegen” (hierna: het ZIN-rapport) heeft het Zorginstituut beschreven wat verstaan moet worden onder medisch-specialistische revalidatiezorg zoals revalidatieartsen die plegen te bieden. [22]
9. De revalidatiearts heeft in (alle fasen van) het revalidatieproces direct (face-to-face) arts-patiënt contact.”
5.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1: maatstaf die het hof heeft toegepast
Het hof overweegt hierover als volgt. Hiervoor (rov. 3.4) is beschreven dat sprake is van verzekerde zorg indien het gaat om zorg die een bepaalde beroepsgroep (in dit geval: revalidatieartsen) plegen te bieden en die voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. In het ZIN-rapport heeft het ZIN omschreven welke zorg revalidatieartsen plegen te bieden. Het ZIN heeft daarbij verwezen naar het ABK 2012 als een document waarin de VRA transparant heeft gemaakt wat de minimale kwaliteitseisen zijn die gesteld kunnen worden aan de praktijkvoering binnen de revalidatiegeneeskunde. Het ABK 2012 kan – zo begrijpt het hof – met name worden gebruikt om vast te stellen wat destijds de stand van de wetenschap en praktijk is ter zake van de revalidatiegeneeskunde (althans wat de normen zijn die gelden voor verantwoorde en adequate zorg). Wat betreft de 62 randvoorwaarden uit het ABK 2012 geldt dat het enkele feit dat niet is voldaan aan één of enkele randvoorwaarde(n), niet zonder meer betekent dat geen sprake is van verzekerde zorg. Wanneer in een voorkomend geval wordt vastgesteld dat niet aan alle randvoorwaarden is voldaan, zal vervolgens nog moeten worden vastgesteld of dit in de gegeven omstandigheden meebrengt dat niet (langer) kan worden gesproken van (medisch-specialistische) revalidatiezorg zoals een revalidatiearts die pleegt te bieden en die voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk.”
wat de normen zijn die gelden voor verantwoorde en adequate zorg”, onjuist en/of onbegrijpelijk is (procesinleiding onder 2.6).
Meer in het bijzonder is het hof ter zake van randvoorwaarde 9 – waarin staat dat de revalidatiearts in (alle fasen van) het revalidatieproces direct (face-to-face) arts-patiënt contact heeft – van oordeel dat dit een belangrijke voorwaarde is. Hiervoor in rov. 3.7 is aan de orde gekomen dat het ABK 2012 vier revalidatiegeneeskundige fasen onderscheidt, te weten diagnostiek, prognostiek, behandeling en evaluatie. Reeds uit de omschrijving van deze fasen in hoofdstuk 4 ABK 2012 volgt dat de revalidatiearts nauw betrokken is in iedere fase en dat hij in iedere fase (naar het hof begrijpt: met uitzondering van de fase ‘prognostiek’) contact heeft met de patiënt. Ook uit het in rov. 3.5 geciteerde ZIN-rapport volgt dat de revalidatiearts een centrale en (eind)verantwoordelijke rol speelt in een multidisciplinaire behandeling. Volgens het ZIN-rapport is de revalidatiearts medisch eindverantwoordelijk voor de inhoud en de kwaliteit van revalidatie-geneeskundige zorg geleverd door het interdisciplinair team; de revalidatiearts heeft het overzicht over het hele proces. Randvoorwaarde 9 moet tegen deze achtergrond worden bezien: om de rol van eindverantwoordelijke waar te kunnen maken, moet – zo begrijpt het hof – de revalidatiearts in beginsel in alle fasen van het revalidatieproces face-to-face-contact hebben met de patiënt.”
De revalidatiearts heeft in (alle fasen van) het revalidatieproces direct (face-to-face) arts-patiënt contact.”
onderdeel 4.1wordt aangevoerd dat het hof in rov. 4.4-4.5 lijkt te zijn uitgegaan van een te beperkte lezing van grief 2. Het hof heeft die grief kennelijk zo opgevat, dat alleen is opgekomen tegen het door de rechtbank gestelde vereiste dat er in de behandelfase
ten minste één keer fysiek contactmoet zijn tussen de patiënt en de revalidatiearts. Grief 2 was echter ook gericht tegen het door de rechtbank gestelde vereiste dat er
in alle fasenvan het revalidatieproces contact zou moeten zijn tussen de patiënt en de revalidatiearts. Voor zover het hof dat niet heeft onderkend, is zijn oordeel onbegrijpelijk (procesinleiding onder 2.14).
alle fasenvan de behandeling (b)
fysiekcontact hoeft plaats te vinden tussen arts en patiënt (MvG onder 4.29). In de hierop volgende uitwerking van de grief spitst het betoog van Ciran zich toe op het al dan niet vereist zijn van fysiek contact tussen arts en patiënt (MvG 4.31-4.32). In reactie hierop hebben DSW c.s. in hun memorie van antwoord gesteld dat zij uit de toelichting op de grief afleiden dat niet uitdrukkelijk en gemotiveerd is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat er in alle fasen van het revalidatieproces voldoende contact dient te zijn tussen arts en patiënt (MvA onder 59). De curator heeft bij pleidooi geen bezwaar gemaakt tegen deze uitleg van de grief door DWS c.s.
De revalidatiearts is betrokken bij de interdisciplinaire behandeling en ziet de patiënt tenminste 1 keer fysiek tijdens deze behandeling” (zie onder 5.22). Ook de laatste passage van het antwoord op vraag 3, dat de arts de patiënt niet alleen gezien moet hebben, maar ook “
geproefd en geroken” moet hebben (zie onder 5.23), laat geen andere conclusie toe dan dat de deskundigen – kennelijk in lijn met de geïnterviewde persoon – van oordeel zijn dat de arts óók fysiek contact met de patiënt moet hebben gehad.
onderdeel 4.3is het oordeel van het hof dat de revalidatiearts de patiënt onder het ABK 2012
in alle fasenmoet zien om vergelijkbare redenen onjuist en/of onbegrijpelijk. Met “
alle fasen” doelt het hof kennelijk op alle revalidatiegeneeskundige fasen, met uitzondering van de fase ‘prognostiek’. Voor zover het hof hiermee bedoelt dat de arts de patiënt daadwerkelijk in iedere fase moet zien (derhalve vier keer), is dat oordeel onbegrijpelijk. Dat volgt namelijk niet uit rov. 4.4 en ook niet uit het deskundigenbericht (procesinleiding onder 2.24). Dat geldt al helemaal nu het deskundigenbericht innerlijk tegenstrijdig is (procesinleiding onder 2.26). Het hof heeft dat ten onrechte onbesproken gelaten (procesinleiding onder 2.27). Hoogstens volgt uit het deskundigenbericht dat de deskundigen van mening zijn dat in de diagnostische fase en tijdens de eindevaluatie arts-patiënt contact dient plaats te vinden, aldus het onderdeel.
in alle fasenmoet zien ook onjuist, omdat het niet volgt uit de tekst van randvoorwaarde 9. ‘In alle fasen’ is immers tussen haakjes geplaatst, wat betekent dat niet in elke fase altijd contact tussen de patiënt en de revalidatiearts hoeft plaats te vinden. [28] Het volgt evenmin uit de omschrijving van de revalidatiegeneeskundige fasen in hoofdstuk 4 van het ABK 2012. Voor wat betreft de fase ‘behandeling’ volgt uit hoofdstuk 4 slechts dat de revalidatiearts daarvoor medisch verantwoordelijk is en bereikbaar is voor overleg. Met betrekking tot de fase ‘behandeling’ is bovendien specifiek bepaald dat de revalidatiearts andere specialisten/hoofdbe-handelaars kan
ondersteunenof
adviserenwat betreft de specifieke revalidatiegeneeskundige aspecten van de behandeling (procesinleiding onder 2.25).
ondanks de vele kanttekeningen die Ciran daarbij heeft geplaatst in haar omvangrijke conclusie na deskundigenbericht”. De constatering van het hof dat de curator in hoger beroep heeft volstaan met een verwijzing naar de in eerste aanleg aangevoerde bezwaren tegen het deskundigenbericht, is echter juist: de curator meldt expliciet “dat hij de verschillende kanttekeningen hier niet zal herhalen, doch verwijst naar hetgeen hij over het rapport van de deskundigen heeft opgemerkt in zijn ‘conclusie na deskundigenbericht’, waarvan de tekst als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd” (MvG onder 4.38). Gelet hierop, kon het hof volstaan met zijn overweging in rov. 4.9.
waaromde werkwijze van Ciran
in alle gevallenniet voldeed aan de vereisten voor medisch-specialistische revalidatiezorg. Het hof motiveert niet op welke wijze uit “
de hierboven weergegeven bevindingen over de werkwijze binnen Ciran”, die naar het oordeel van het hof onvoldoende zijn weersproken, volgt dat niet aan het door het hof in rov. 4.5 geformuleerde criterium wordt voldaan (procesinleiding onder 2.35).
eersteplaats wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat DSW c.s. (in ieder geval tot 19 december 2016) een deugdelijke grondslag hadden voor de generieke maatregel om
allein die periode als medisch-specialistische revalidatiezorg verrichte prestaties van Ciran niet meer te vergoeden, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft hier namelijk ten onrechte ‘extrapolatie’ toegestaan. DSW c.s. hebben op basis van een steekproef van slechts tien dossiers en een interview met betrekking tot de geleverde zorg in 2013 de generieke maatregel genomen geen enkele declaratie met betrekking tot de door Ciran geleverde revalidatiezorg meer te vergoeden. Daarmee hebben DSW c.s. hun bevindingen geëxtrapoleerd naar alle dossiers in 2013 en naar alle dossiers uit de daarop volgende jaren. Het hof heeft miskend dat dit geen juiste benadering is (procesinleiding onder 2.39).
tweedeplaats wordt geklaagd dat als extrapolatie wel zou zijn toegestaan, het hof dan heeft miskend dat dit slechts geldt onder strikte voorwaarden (procesinleiding onder 2.40). Daarvoor is vereist dat de steekproeven en extrapolatie geschieden volgens een wetenschappelijk verantwoorde methodiek, waarbij onder andere aandacht dient te worden besteed aan de volgende aspecten:
derdeplaats wordt geklaagd dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is, omdat de volgende essentiële stellingen van de curator onbehandeld zijn gebleven (procesinleiding onder 2.42):