Conclusie
Prestaen het pensioenfonds als
VLEP.
1.Inleiding
Rome I) [1] mag de werknemer als gevolg van een rechtskeuze echter niet de bescherming verliezen die hij geniet op grond van dwingende bepalingen uit het recht dat van toepassing zou zijn als geen rechtskeuze was gemaakt. In cassatie ligt de vraag voor of dit betekent dat op basis van een vergelijking moet worden bepaald welk recht de werknemer de meeste bescherming biedt, om vervolgens dat recht toe te passen. Presta klaagt er in cassatie over dat het hof deze vergelijking niet heeft gemaakt, terwijl het hof gelet op het arrest
Gruber Logistics [2] daar wel toe gehouden was. Die klacht is mijns inziens terecht voorgesteld.
2.Feiten
Wet Bpf 2000). Bij besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juni 2013,
Stcrt. 2013, nr. 15217 (hierna: het
Verplichtstellingsbesluit) [4] is deelneming voor de betrokken bedrijfstak verplicht gesteld, ook voor ondernemingen die zich niet bij de cao hebben aangesloten.
Werknemers).
3.Procesverloop
primairhet verzet tegen het dwangbevel gegrond te verklaren en het dwangbevel buiten effect te stellen, en
subsidiairde hoogte van de bedragen te beperken.
hof). Presta heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van haar vorderingen, die zij heeft gewijzigd. Haar vorderingen strekken er toe, voor zover in cassatie nog van belang, het verzet alsnog gegrond te verklaren en het dwangbevel buiten effect te stellen, alsmede VLEP te veroordelen tot (medewerking bij) ongedaanmaking van wat Presta reeds ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft gedaan.
arrest). Ik vat de overwegingen die in cassatie van belang zijn, kort samen.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Ikomt op tegen het oordeel dat het Verplichtstellingsbesluit van toepassing is op de rechtsverhouding tussen Presta en de werknemers.
Onderdeel II, dat voorwaardelijk is ingesteld, bestrijdt de oordelen dat Presta onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit valt en dat de verplichtstelling niet in strijd is art. 56 VWEU Pro.
Bij die afweging betrekt het hof ook de beschermingsgedachte van artikel 8 Rome Pro I (zie 2.12).
Deze keuze mag er evenwel niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel toepasselijk zou zijn geweest bij gebreke van een rechtskeuze.”
objectief toepasselijke recht). De gedachte daarachter is dat als het objectief toepasselijke recht niet in de mogelijkheid voorziet om bij overeenkomst van een beschermingsbepaling af te wijken, daarvan ook niet indirect moet kunnen worden afgeweken door het maken van een rechtskeuze.
Voor zover het op een individuele arbeidsovereenkomst toepasselijke recht niet door de partijen is gekozen,
wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waarof, bij gebreke daarvan, van waaruit
de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht wordt niet geacht te zijn gewijzigd wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht.
Indien het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 2 kan worden vastgesteld, wordt de overeenkomst beheerst door
het recht van het land waar zich de vestigingbevindt die de werknemer in dienst heeft genomen.
kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 2 of lid 3 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing.”
Gruber Logistics(hierna:
Gruber-arrest) [17] heeft het HvJ EU (hierna: het
Hof) duidelijk gekozen voor het begunstigingsbeginsel (de tweede benadering dus). In arbeidsovereenkomsten tussen Roemeense vrachtwagenchauffeurs en Roemeense transportondernemingen was een rechtskeuze opgenomen voor Roemeens recht. Het objectief toepasselijke recht was in die zaken echter niet het Roemeense recht omdat de arbeid gewoonlijk werd verricht in Italië (zaak C-152/20) respectievelijk Duitsland (zaak C-218/20). De Roemeense chauffeurs maakten op die grond tegenover hun Roemeense werkgever aanspraak op het hogere Italiaanse respectievelijk het Duitse minimumloon. Het Hof overwoog:
Indien deze bepalingen de betrokken werknemer een ruimere bescherming bieden dan het gekozen recht, prevaleren deze regels, terwijl, zoals de advocaat-generaal in punt 43 van zijn conclusie heeft beklemtoond,
het gekozen recht van toepassing blijft op de rest van de contractuele verbintenis.
Artikel 8 van Pro deze verordening beoogt aldus, waar mogelijk, de eerbiediging te waarborgen van de bepalingen die de bescherming van de werknemer verzekeren waarin is voorzien bij het recht van het land waarin deze zijn beroepsactiviteiten uitoefent(…).
vereist de juiste toepassing van artikel 8 van Pro de Rome I-verordening dus ten eerste dat de nationale rechter het recht aanwijst dat bij gebreke van een rechtskeuze toepasselijk zou zijn geweest en dat hij op basis van dit recht de regels vaststelt waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken, en ten tweede dat de rechter het niveau van bescherming dat aan de werknemer op grond van deze regels wordt geboden, vergelijkt met dat van het door de partijen gekozen recht. Indien het beschermingsniveau waarin deze regels voorzien hoger ligt, moeten die regels worden toegepast.”
voor zoverhet op grond van dwingend recht van een ander land (zoals het gewoonlijk werkland genoemd in lid 2) buiten toepassing moet worden gelaten. Dat is – zeker in het Unierecht – een begrijpelijke benadering, die bovendien maatwerk mogelijk maakt. Daar staat tegenover dat conflictregels in het i.p.r. primair de rechtszekerheid dienen. Ik sluit niet uit dat de in het
Gruber-arrest voorgeschreven vergelijking in de praktijk vragen zal oproepen. Ik neem daar vast een voorschotje op en beperk mij daarbij tot twee aspecten: wat moet met elkaar worden vergeleken en hoe moet de uitkomst van de vergelijking worden toegepast?
Gruber-arrest is in de literatuur de vraag opgeworpen waar een vergelijking van het beschermingsniveau uit zou moeten bestaan. Daaruit blijkt dat, samengevat, een vergelijking kan plaatsvinden op het niveau van (i) het gehele arbeidsrecht, (ii) samenhangende groepen van regels, of (iii) een enkele wetsbepaling. [19]
cherry picking, is de vergelijking te breed, dan zal zij moeilijker toepasbaar zijn. [21] Hier weerklinkt dus het Goudlokje-principe. [22]
in concreto, namelijk voor de werknemer(s) in kwestie, moet worden uitgevoerd of
in abstracto, namelijk voor werknemers algemeen. De concrete benadering heeft mijn voorkeur. Want dan is het duidelijker waarover je het hebt. Ook kunnen dan bepalingen die een hoger niveau van bescherming bieden maar voor de werknemer(s) in kwestie uitwerking missen, buiten de vergelijking blijven. [23]
Gruberleek dat relatief simpel omdat kennelijk het recht van de respectieve werklanden op het punt van het minimumloon gunstiger was voor de chauffeurs. De omgekeerde situatie waarin het gekozen recht de werknemer beter beschermt, komt vermoedelijk minder vaak voor maar is zeker niet ondenkbeeldig. Ook ‘deeloplossingen’ zijn mogelijk: voor het ene deel van de vergeleken rechtsregels (bijvoorbeeld ontslagbescherming) is het objectief toepasselijke recht gunstiger voor de werknemer, maar voor een ander deel (bijvoorbeeld het salarisniveau) is juist het gekozen recht gunstiger. Zilinsky [24] noemde al weer enige tijd geleden in dit verband het voorbeeld dat een werknemer onder het gekozen recht zonder opzegtermijn kan worden ontslagen maar hem een riante ontslagvergoeding toekomt, terwijl het objectief toepasselijke recht een langere opzegtermijn voorschrijft maar geen ontslagvergoeding kent. De uitkomst van de vergelijking zal dan moeten zijn dat óf de verzameling regels van het objectief toepasselijke recht, óf de verzameling regels van het gekozen recht, toepasselijk is. De werknemer heeft niet recht op
zowelde langere opzegtermijn,
alsde ontslagvergoeding omdat hij niet meer bescherming kan krijgen dan hij onder ieder betrokken rechtsstelsel afzonderlijk zou hebben gekregen. Anders wordt het echt een
pick and choose.
Gruber-arrest niet voorspelbaarder op geworden omdat een vergelijking moet worden gemaakt om te bepalen welk recht voor de werknemer het meest gunstig is. [26] Maar wel staat nu vast
datdie vergelijking moet worden gemaakt.
inhoudvan de relevante rechtsstelsels betrokken hebben bij de bepaling van het objectief toepasselijke recht. Dat is onjuist. De verwijzingsregels van art. 8 lid Pro 2-4 Rome I zijn er alleen op gericht het functioneel nauwst betrokken rechtsstelsel toepasselijk te verklaren, en niet het rechtsstelsel dat de meeste werknemersbescherming biedt. [27]
nadatis vastgesteld wat het objectief toepasselijke recht is en de hiervoor genoemde vergelijking moet worden gemaakt. Over die vergelijking gaat onderdeel IB.
minderbescherming bieden dan het gekozen recht (hier Luxemburgs recht), dan gaat het gekozen recht voor, zo volgt uit het
Gruber-arrest.
isvoor de Werknemers dan het Nederlandse. Het hof is niet op dit betoog in gegaan. Als in het oordeel van het hof ligt besloten dát het Nederlandse recht een hoger niveau van werknemersbescherming biedt, is dat oordeel onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
Gruber-arrest meen ik dat de klacht terecht is voorgesteld. Het hof heeft allereerst vastgesteld dat Luxemburgs recht het gekozen recht is (rov. 2.14). Vervolgens heeft het geoordeeld dat Nederlands recht het objectief toepasselijke recht is, op de grond dat Nederland het gewoonlijk werkland is (rov. 2.15-2.21). De arbeidsovereenkomsten zijn volgens het hof niet nauwer verbonden met een ander land dan het gewoonlijk werkland (rov. 2.22-2.24). Daarmee heeft het hof de eerste twee stappen uit het
Gruber-arrest toegepast (zie 4.11). In rov. 2.24 identificeert het hof de onder het objectief toepasselijk recht dwingende bepalingen die hier relevant zijn: de Wet Bpf 2000 en het Verplichtstellingsbesluit. Daarmee is ook de derde stap gezet.
Gruber-arrest wel moeten doen. [28] In zoverre getuigt het aangevochten oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het maken van de vergelijking bestond temeer noodzaak omdat de verschillen in het partijdebat uitvoerig aan de orde zijn geweest. [29]
slagen de klachten van onderdeel 1Ben dient het arrest te worden vernietigd. Ik zie gelet op het
Gruber-arrest geen aanleiding om uw Raad te adviseren een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. Het is nu immers zaak om dat arrest op een juiste manier op de feiten toe te passen.
Onder inleenbedrijf wordt verstaan de rechtspersoon (…) die in de regel voor meer dan 50% van de totale loonsom werknemers arbeid laat verrichten binnen ondernemingen binnen de Versvlees- of vleesbewerkende industrie op basis van een overeenkomst van opdracht of aanneming van werk met die ondernemingen (…)”.
totale loonsom” is niet omschreven. Omdat het Verplichtstellingsbesluit betrekking heeft op bedrijven in de vleesbewerkende industrie in Nederland, legt het hof dit begrip zo uit dat het gaat om de totale loonsom in Nederland. De uitleg die Presta voorstaat zou leiden tot het onaannemelijke rechtsgevolg dat een onderneming met bijvoorbeeld 1000 personeelsleden, die 40% van haar werknemers in Nederland laat werken en 60% in het buitenland, voor haar in Nederland werkende werknemers niet onder de werkingssfeer van het Verplichtstellingsbesluit zou vallen. Daarmee zou de bescherming van de werknemers in de Nederlandse vleesbewerkende industrie onvoldoende zijn gewaarborgd. De omstandigheid dat in het verleden in het aansluitingsformulier van VLEP ook werd gevraagd naar in het buitenland werkende werknemers kan niet tot een andere uitleg leiden. VLEP heeft uitgelegd dat dat te maken had met het feit dat in het verleden buitenlandse ondernemingen in de Gemaksvoedingindustrie (genoemd onder B, dus een andere categorie dan waar het hier over gaat) van deelname waren uitgesloten.
onaannemelijkerechtsgevolgen waartoe die uitleg zou leiden. Onderdeel van de toepassing van de CAO-norm is, zoals ook door het hof is gepreciseerd, dat “
ook (…) van belang [kan] zijn of de rechtsgevolgen waartoe de verschillende, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden, aannemelijk zijn.” (rov. 2.28, voorlaatste zin). Het gaat in dat geval om de aannemelijkheid van rechtsgevolgen van
op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties. Het middel bestrijdt dus kennelijk niet dat de door het hof gegeven interpretatie
eenmogelijke tekstinterpretatie van het Verplichtstellingsbesluit vormt. Ik zal daar dan ook van uit gaan.
in Nederland.Centraal in de uitleg van het hof staat namelijk dat het Verplichtstellingsbesluit betrekking heeft op bedrijven in de vleesbewerkende industrie
in Nederland.Ook acht het hof van belang dat het Verplichtstellingsbesluit kennelijk tot doel heeft de bescherming van werknemers in de
Nederlandsevleesbewerkende industrie voldoende te waarborgen. Gelet op dat doel is het door het middel geschetste rechtsgevolg is zeker niet onaannemelijk. Mij lijkt dat het hof hier dus is uitgegaan van een juiste uitleg en dat zijn oordeel zonder meer begrijpelijk is. Het ligt immers voor de hand dat de betrokken sociale partners buitenlandse ondernemingen die in de Nederlandse vleesbewerkende industrie actief zijn, ook onder het Verplichtstellingsbesluit hebben willen laten vallen. De wenselijk geachte sociale bescherming geldt voor alle werkenden in een bedrijfstak, ook als zij in dienst zijn van buitenlandse werkgevers. Op die manier wordt tevens een mogelijke concurrentieverstoring op het vlak van de arbeidskosten (te weten: het werkgeversdeel van de pensioenpremies) voorkomen. De sociale partners hebben niet het oog op werk dat in de vleesbewerkende industrie buiten Nederland wordt verricht. Daar gaan zij ook niet over.
Om de voorwaarden voor toepassing van artikel 90, lid 2, van het Verdrag als vervuld te kunnen beschouwen, is het bovendien niet noodzakelijk, dat het financiële evenwicht of de economische levensvatbaarheid van de met een dienst van algemeen economisch belang belaste onderneming wordt bedreigd. Het
volstaat, dat de onderneming zonder de litigieuze rechten de haar opgedragen bijzondere taak, zoals die door de haar opgelegde verplichtingen en feitelijke beperkingen nader wordt bepaald, niet kan vervullen (…), of dat handhaving van die rechten noodzakelijk is om de betrokkene in staat te stellen, de hem opgedragen taak van algemeen economisch belang onder economisch aanvaardbare omstandigheden te vervullen(…).”
. Door het vertrek van de “goede” risico's zou het bedrijfspensioenfonds met de “slechte” risico's blijven zitten, waardoor de kosten van de werknemerspensioenen, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen met een personeelsbestand op leeftijd, dat gevaarlijk werk verricht, zouden stijgen; aan die werknemers zou het Pensioenfonds dan niet meer tegen aanvaardbare kosten een pensioen kunnen bieden.
pensioenregeling wordt gekenmerkt door een hoge mate van solidariteit, met name door de ontkoppeling van premieniveau en gedekte risico's, de verplichting alle werknemers zonder medische keuring te accepteren, de voortzetting van de pensioenopbouw met premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid, de overname door het Pensioenfonds van de achterstallige premies bij faillissement van de werkgever, en de indexatie van de pensioenen voor het behoud van hun waardevastheid.
Uit het voorgaande volgt, dat indien het Pensioenfonds niet langer dat uitsluitend recht zou hebben, dit ertoe zou kunnen leiden, dat het de hem opgedragen taken van algemeen economisch belang niet meer op economisch aanvaardbare voorwaarden kan verrichten en dat zijn financieel evenwicht in gevaar komt.”
[…]en
Drijvende Bokkenzijn nagenoeg identiek. [37] Deze mededingingsrechtelijke beoordeling houdt naar mijn mening stand zo lang het stelsel voor aanvullende pensioenen voldoende solidariteitskenmerken kent. [38] Europese wetgeving die daar verandering in brengt, is er (tot dusver) niet.
Drijvende Bokkenwas een prejudiciële verwijzing van de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft toen bewust afgezien van het stellen van vragen over de vrijheid van vestiging (destijds: art. 43 EG Pro) en het vrij verkeer van diensten (destijds: art. 59 EG Pro). Zoals eerder in de zaak
[…], [39] oordeelde de Hoge Raad namelijk dat dit niet noodzakelijk was “
omdat redelijkerwijs niet valt te betwijfelen dat in het onderhavige geval niet mede sprake is van beperkingen van deze vrijheden.” [40] Voor een zelfstandige toetsing aan art. 59 EG Pro – náást toetsing aan het mededingingsrecht – zag de Hoge Raad toen dus geen noodzaak. [41] Het Hof heeft op zijn beurt geen aanleiding gezien om art. 59 EG Pro ambtshalve in zijn beoordeling te betrekken. Kennelijk werd dat ook niet nodig geoordeeld om ‘de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven’.
Albanymededingingsrechtelijk is toegestaan, onder het vrij verkeer verboden zou zijn) acht ik niettemin onwaarschijnlijk. Verschillende verdragsnormen worden door het Hof in de regel ‘convergerend’ toegepast. De zaak
Wouters/NOvA [43] geeft een voorbeeld van convergerende toepassing van de mededingingsregels en het vrij verkeer van diensten.
Freskotuit 2003. Die zaak ging over de wettelijke verplichting een bijdrage te betalen aan een fonds dat aan landbouwbedrijven uitkeringen deed bij natuurrampen. Een dergelijke betalingsverplichting vormde een belemmering van het vrij verkeer van diensten voor zover het verzekerbare risico’s betrof. Buitenlandse verzekeraars konden hun diensten immers niet aanbieden. Het Hof overwoog echter dat hiermee een doelstelling van sociaal beleid werd nagestreefd, die een dwingende reden van algemeen belang vormt. Het exclusieve recht van het Griekse fonds was bovendien evenredig indien het fonds gevaar zou kunnen lopen als deelnemers zich voor sommige risico’s elders konden verzekeren en in zoverre van de verplichte bijdrage zouden zijn vrijgesteld. [44] Net als in
Albanywerd dus voor de evenredigheid van de verplichtstelling beslissend geoordeeld of het fonds zonder (volledige) verplichte deelname een voldoende financiële basis zou hebben om zijn taken te vervullen. De rechtvaardiging als in
Albanykan dus ook op de
rule of reasonworden gebaseerd [45] en leidt dan tot het zelfde resultaat: er is geen verboden schending van art. 56 VWEU Pro.
Kattneruit 2009, welke zaak betrekking heeft op de verplichte aansluiting bij een Duits orgaan van sociale zekerheid voor een verzekering tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten. Het Hof wees daar, net als in
Albany, op het risico dat de wettelijke instelling zonder exclusiviteit met de slechte risico’s zou blijven zitten. Het Hof concludeerde dat het vrij verkeer van diensten zich niet verzet tegen een regeling die bepaalt dat de ondernemingen die in een bepaald gebied tot een bedrijfstak behoren, zich moeten aansluiten bij genoemd orgaan, voor zover dit niet verder gaat dan nodig is ter bereiking van het doel het financiële evenwicht van een socialezekerheidstak te verzekeren. [46]
Unis. In deze Franse zaak vroegen sociale partners de Minister van arbeid om de algemeenverbindendverklaring van collectieve overeenkomsten, waarbij een bepaalde marktdeelnemer was aangewezen als verzekeringsorgaan om een aanvullend stelsel van bepaalde sociale voorzieningen uit te voeren. Het Hof oordeelde dat in die zaak de algemeenverbindendverklaring in strijd is met de uit art. 56 VWEU Pro voortvloeiende transparantieverplichting omdat bij de selectie van het aangewezen verzekeringsorgaan geen transparantie was betracht. Er had met andere woorden een soort van aanbesteding moeten plaatsvinden om eventuele (buitenlandse) geïnteresseerden een kans te geven. Dat dit arrest vernieuwend is, blijkt wel uit het feit dat het Hof bij wijze van uitzondering de werking ervan in de tijd heeft beperkt tot collectieve overeenkomsten tussen sociale partners die na de datum van het arrest (17 december 2015) door de (Franse) minister algemeen verbindend zijn verklaard. [48]
Unislijkt mij echter dat in die zaak sociale partners een van de bestaande
marktdeelnemershadden aangewezen. Een bedrijfstakpensioenfonds daarentegen is door de sociale partners in het leven geroepen met als specifiek doel een bepaalde bedrijfstakpensioenregeling voor hen uit te voeren. Het is geen bestaande marktpartij waaraan een opdracht wordt verleend. Om die reden ligt het voor de hand dat het bedrijfstakpensioenfonds ook de werknemers verzekert die er als gevolg van de (‘grote’) verplichtstelling door de minister bijkomen. De uitvoering van d pensioenregeling kan ook niet worden gesplitst. Een andere serieuze gegadigde lijkt er dan ook niet te zijn. [50]
nietverboden door het Unierecht, en is dus ook niet in strijd met art. 56 VWEU Pro. [58] Omgekeerde discriminatie kan overigens wel verboden zijn op grond van regels of beginselen van nationaal recht, zoals het gelijkheidsbeginsel, maar dat staat in principe los van het Unierecht en is in dit geval voor Presta niet relevant.
Albanygenoemde solidariteitskenmerken van bedrijfspensioenen (zie 4.43). Sinds het eind van de jaren ’90 lijken de pensioenregelingen op het punt van de mate van solidariteit tussen de deelnemers aan de regeling niet wezenlijk veranderd. Bovendien geldt voor bedrijfspensioenfondsen het adagium ‘geen premie, wel pensioen’. [63] Dat betekent dat het fonds een pensioenuitkering aan werknemers die onder de verplichtstelling vallen ook moet betalen als daarvoor niet alle premies zijn voldaan. Als daartegenover geen verplichtstelling staat, kan de financiële houdbaarheid worden ondermijnd.