ECLI:NL:PHR:2022:1102

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 2022
Publicatiedatum
22 november 2022
Zaaknummer
21/03641
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 94a SvArt. 522a SvArt. 552a SvArt. 435 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over eigendom en beslag op Rolex horloge in strafrechtelijke procedure

In deze zaak heeft klager een klaagschrift ingediend tegen het conservatoir beslag op een Rolex horloge dat onder belanghebbende was gelegd in een strafrechtelijk onderzoek. Klager stelde eigenaar te zijn van het horloge en vorderde teruggave. De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard omdat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat klager de eigenaar is.

De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse stukken, waaronder een handgeschreven rekening zonder naam koper, ongedateerde getuigenverklaringen die vermoedelijk onder invloed van belanghebbende tot stand zijn gekomen, en een garantiebewijs zonder ingevulde naam van de koper. Belanghebbende droeg het horloge op het moment van inbeslagname en heeft het geprobeerd te verbergen. Foto's uit 2019 en 2020 tonen een horloge dat sterk lijkt op het in beslag genomen exemplaar aan belanghebbende.

De rechtbank overwoog dat het onderzoek naar het klaagschrift summier van aard is en dat de rechter niet hoeft te beslissen over burgerrechtelijke eigendomskwesties, maar wel civielrechtelijke aspecten mag betrekken. Gezien de verdenking tegen belanghebbende en het belang om het horloge te verbergen, achtte de rechtbank het aannemelijker dat belanghebbende eigenaar is.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert dat het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk is en adviseert het cassatieberoep te verwerpen. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging van de beschikking gevonden.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt ongegrond verklaard en het beslag op het horloge blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/03641 B
Zitting29 november 2022

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de klager
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 13 augustus 2021 het klaagschrift van de klager strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van een onder [betrokkene 1] op grond van art. 94a Sv in beslag genomen Rolex horloge, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat klager redelijkerwijs als eigenaar moet worden aangemerkt van het inbeslaggenomen horloge, niet zonder meer begrijpelijk is.
3.2
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Klager verklaart:
Ik zou het horloge graag terugkrijgen. Als ik het niet terugkrijg dan zal belanghebbende mij moeten betalen. Ik heb het horloge voor € 29.750,00 gekocht bij [betrokkene 2] in Venlo. Het was een tweedehands horloge. U deelt mee dat op het garantiebewijs de maand oktober 2018 is vermeld. U houdt mij voor dat het horloge in beslag is genomen onder belanghebbende en dat hij dat horloge op dat moment droeg. Ik heb het horloge gekocht in februari 2019. Belanghebbende heeft hetzelfde horloge, maar dan niet de originele versie. We hadden de horloges geruild. Toen hij wegging, had hij mijn horloge nog om en we hebben afgesproken later terug te ruilen. Ik had niet voorzien dat de politie achter hem aan zou komen. Hij wist dat er een strafzaak tegen hem liep, maar daar hebben wij het die middag niet over gehad. U vraagt mij waarom het een maand heeft geduurd voordat ik een klaagschrift in heb gediend. Ik had vertrouwen in belanghebbende, maar het kwam niet goed.
Belanghebbende verklaart:
Het verhaal van klager klopt. Ik toon u mijn horloge. Ik heb het in Thailand gekocht. Toen de politie eerder bij mij binnenviel hebben ze dit horloge laten liggen. Dit horloge weegt bijna niets en daaruit blijkt dat hij nep is. Ik vind het heel sneu dat zijn horloge nu in beslag is genomen. U vraagt mij waarom ik het horloge heb geprobeerd te verstoppen voor de politie toen ik staande werd gehouden. Ik heb het horloge verstopt om het te beschermen. De officier van justitie heeft geschreven over foto’s waarop te zien is dat ik het horloge aan zou hebben. Het horloge op die foto’s is dit nephorloge. U vraagt mij waarom ik niet meteen bij de politie heb verklaard dat het horloge niet van mij was. Ik was ontzettend kwaad op die verbalisant. U zegt mij dat ik verschillende keren ben gehoord. Ik had bedacht dat ik het wel bij de rechter uit zou kunnen leggen.
De raadsman zegt dat er stukken in het dossier zitten waaruit blijkt dat ik contact heb gehad met [betrokkene 2] over het horloge. Ik ken hem goed. Klager heeft het horloge via mij gekocht bij [betrokkene 2] . Ik heb later aan [betrokkene 2] gevraagd of hij ook het onderhoud van het horloge kon doen.
Klager verklaart:
U vraagt mij waarom ik afspraken over het onderhoud niet zelf heb gemaakt met [betrokkene 2] . Het is een duur horloge en daar hoort garantie en service bij. Ik kreeg zelf geen contact met [betrokkene 2] en daarom heeft belanghebbende daarmee geholpen.
(…)
Belanghebbende verklaart:
Ik moest regelen dat de getuigen zouden verklaren. Eén van hen was op vakantie en een ander kreeg ik niet te pakken. Om die reden heeft het langer geduurd voordat het klaagschrift is ingediend.
Klager verklaart bij wijze van laatste woord:
Dit is de eerste keer dat ik bij een rechtbank kom en nu wordt gezegd dat het niet klopt wat ik zeg. De officier van justitie gelooft niet dat ik de eigenaar ben en dat vind ik niet prettig. Ik wil gewoon mijn horloge terug.”
3.3
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
• de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv), waaruit blijkt dat op 4 april 2021 in het strafvorderlijk onderzoek tegen [betrokkene 1] onder die persoon de Rolex model 326935 met serienummer [001] in beslag is genomen;
• het klaagschrift, ingediend op 7 mei 2021 ter griffie van deze rechtbank ingevolge artikel 552a Sv;
• het verweerschrift van de officier van justitie; en
• de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Het klaagschrift is behandeld in raadkamer op 30 juli 2021. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. E. de Feijter, klager, mr. Y. Quint als raadsman van klager en [betrokkene 1] als belanghebbende.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het gelegde beslag met last tot teruggave aan de klager.
Daartoe is aangevoerd dat het horloge niet aan belanghebbende maar aan klager toebehoort.
Belanghebbende droeg het horloge uitsluitend op de dag van inbeslagneming en zou het horloge de volgende dag teruggeven. Ter onderbouwing van het klaagschrift heeft klager een handgeschreven rekening, een garantiebewijs en vijf getuigenverklaringen overgelegd.
De officier van justitie heeft zich schriftelijk en in raadkamer op het standpunt gesteld dat het horloge niet aan klager maar aan belanghebbende toebehoort. Belanghebbende droeg het horloge op het moment dat hij staande werd gehouden. Hij heeft toen geprobeerd het horloge te verbergen voor de politie. Nadat het horloge in beslag werd genomen heeft hij niet verklaard dat het niet zijn eigendom was. Dit heeft hij ook niet meegedeeld tijdens de verhoren die daarna plaatsvonden. Pas ruim een maand na inbeslagneming heeft klager meegedeeld dat het horloge niet van hem is. Op de telefoon van belanghebbende zijn foto’s aangetroffen waarop te zien is dat hij het horloge in 2019 en 2020 al droeg. Belanghebbende heeft bovendien op 21 juli 2020 een gesprek gevoerd met [betrokkene 2] over het horloge. Ook de handgeschreven bon en de toegezonden foto van het garantiebewijs tonen niet aan klager de eigenaar van het horloge is. Om die reden is de officier van justitie van mening dat het horloge niet aan klager toebehoort en dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard.
In raadkamer heeft de raadsman het standpunt van klager herhaald en aangevoerd dat het klaagschrift pas na een maand is ingediend omdat er tijd nodig was voor het opstellen van het klaagschrift.
Belanghebbende heeft in raadkamer bevestigd dat het horloge toebehoort aan klager en dat het enige tijd heeft geduurd voordat het klaagschrift werd ingediend, omdat hij de overgelegde getuigenverklaringen nog moest regelen. Daarnaast heeft hij bevestigd dat hij contact heeft gehad over het horloge met [betrokkene 2] , maar hij heeft verklaard dat hij dit deed in het belang van klager. Het horloge op de foto’s uit 2019 en 2020 betreft een replica van het echte horloge dat belanghebbende in het buitenland heeft gekocht.
2. De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in het klaagschrift.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het conservatoir beslag dat is gelegd op grond van artikel 94a Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 r.o. 2.14, dient de rechter, in geval van een klaagschrift tegen een op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv gelegd beslag te onderzoeken:
(i) of ten tijde van de beslissing op het klaagschrift sprake van een redelijk vermoeden van schuld van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een schadevergoedingsmaatregel, artikel 94a lid 3 Sv) of vijfde categorie (in het geval van conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een geldboete of ontnemingsmaatregel, respectievelijk artikel 94a lid I en 2 Sv) kan worden opgelegd; en
(ii) of zich het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel een schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.
Indien een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op grond van artikel 522a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van artikel 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet. (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823,NJ 2010/654, r.o. 2.15)
Bij de beoordeling van de vraag of de klager die stelt eigenaar te zijn, inderdaad redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt zal de rechter niet hoeven te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar zal daarbij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken (vgl, HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3826, NJ 2003, 459). Het gaat in de beslagprocedure om een voorlopig oordeel omtrent de eigendomsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp (HR 3 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6983).
De rechtbank is van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat klager redelijkerwijs als eigenaar moet worden aangemerkt van het inbeslaggenomen horloge. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Door klager zijn bij het klaagschrift diverse stukken gevoegd waaruit zou blijken dat hij eigenaar van het horloge is. Er zijn diverse ongedateerde verklaringen gevoegd van personen die verklaren dat belanghebbende feitelijk het horloge droeg van klager. Opmerkelijk is hierbij dat belanghebbende in raadkamer heeft verklaard dat hij deze verklaringen heeft geregeld voor klager. Dit doet vermoeden dat de getuigen is gevraagd een specifieke verklaring af te leggen. Door klager is ook een handgeschreven rekening ingediend ter onderbouwing van zijn standpunt. De rechtbank stelt vast dat de naam van de koper van het horloge op deze bon niet is vermeld. Nu het aankoopbedrag van € 29.750,00 bovendien contant is voldaan, bestaat er geen mogelijkheid om via bankafschriften te controleren of het horloge daadwerkelijk door klager is aangekocht. Voorts heeft klager foto’s van het garantiebewijs van de horloge ingediend. Het valt de rechtbank hierbij op dat zichtbaar is dat de foto’s niet met de telefoon van klager zelf zijn genomen, maar aan hem zijn toegezonden door een derde genaamd “Schatje”. Ten aanzien van het garantiebewijs zelf valt op dat bij “purchaser” geen enkele naam is ingevuld. Daarnaast kan een enkel garantiebewijs ook niet gelden als eigendomsbewijs. De ingediende stukken tonen dan ook niet aan dat klager de eigenaar van het horloge is.
Uit het raadkamer dossier blijkt echter wel dat er in 2019 en 2020 foto’s zijn gemaakt waarop te zien is dat belanghebbende een horloge draagt dat op zijn minst zeer sterk lijkt op het inbeslaggenomen horloge. Bovendien heeft belanghebbende bevestigd dat hij contact heeft gehad met [betrokkene 2] over een servicebeurt voor het horloge. Dit geeft ondersteuning aan het standpunt van het Openbaar Ministerie dat het horloge niet toebehoort aan klager maar aan belanghebbende.
Daar komt bij dat als uitgangspunt geldt dat een beslagene in beginsel aangemerkt wordt als redelijkerwijs rechthebbende. De rechtbank stelt vast dat in onderhavige zaak niet klager maar belanghebbende de beslagene is. Belanghebbende droeg het horloge en heeft het bij zijn staandehouding geprobeerd te verbergen voor de politie. Gedurende de eerste maand na zijn staandehouding heeft hij op geen enkele manier kenbaar gemaakt dat hij niet de eigenaar zou zijn van het horloge. Pas ruim een maand na de inbeslagname is door klager een klaagschrift ingediend waarin hij heeft meegedeeld de eigenaar van het horloge te zijn. Uit het raadkamerdossier blijkt niet dat klager dit eerder, bijvoorbeeld op het moment van inbeslagname van het horloge, op enigerlei wijze kenbaar heeft gemaakt bij de politie of het Openbaar Ministerie.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende wordt verdacht van betrokkenheid bij de productie van synthetische drugs in drie labs en de (poging tot) uitvoer van een grote hoeveelheid Xtc-pillen. In dit kader is er een machtiging tot het leggen van conservatoir beslag afgegeven. Gelet hierop heeft belanghebbende er alle belang bij om te verbergen dat het horloge aan hem toebehoort en te doen voorkomen dat het aan klager toebehoort. Immers, het horloge zou kunnen dienen ter betaling van een geldboete of een ontnemingsbedrag. Dit zou betekenen dat belanghebbende het horloge zou verliezen. Om die reden kan de rechtbank er niet van uitgaan dat belanghebbende in raadkamer de waarheid heeft gesproken.
Gelet op alle voornoemde bevindingen is de rechtbank van oordeel dat niet klager, maar belanghebbende [betrokkene 1] aangemerkt dient te worden als redelijkerwijs rechthebbende op het horloge. Om die reden zal zij het klaagschrift dan ook ongegrond verklaren.”
3.4
De rechtbank heeft geoordeeld dat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat klager redelijkerwijs als eigenaar moet worden aangemerkt van het inbeslaggenomen horloge. Blijkens de bestreden beschikking heeft de rechtbank bij dit oordeel de door de klager ter staving van zijn eigendomsrecht overgelegde stukken, dossierstukken en vaststellingen over de jegens [betrokkene 1] (de belanghebbende) gerezen verdenking en het in dat verband gelegde conservatoire beslag op het horloge, betrokken. Volgens de rechtbank leiden de in dat verband gedane bevindingen tot de slotsom dat niet de klager, maar de belanghebbende [betrokkene 1] aangemerkt dient te worden als redelijkerwijs rechthebbende op het horloge.
3.5
De in cassatie opgeworpen klachten richten zich tegen hetgeen de rechtbank heeft overwogen in verband met de door de klager overgelegde stukken en de dossierstukken. In de eerste plaats wordt geklaagd dat de vaststelling van de rechtbank dat op de door de klager overgelegde handgeschreven rekening de naam van de koper van het horloge niet is vermeld niet zonder meer begrijpelijk is, omdat op deze aankoopnota onder meer staat vermeld “Rekening” (…) “van [betrokkene 2] handelsonderneming” (…) “voor [klager] ” en uit de overgelegde getuigenverklaringen blijkt dat de roepnaam van de klager “ [klager] ” is. Dat het bedrag contant is betaald doet daar volgens de steller van het middel niet aan af. In de tweede plaats wordt geklaagd dat het oordeel van de rechtbank dat de door de klager overgelegde getuigenverklaringen, ertoe strekkende dat [betrokkene 1] feitelijk het horloge droeg van de klager, vermoedelijk tot stand zijn gekomen doordat hen door [betrokkene 1] is gevraagd een specifieke verklaring af te leggen, ook niet zonder meer begrijpelijk is. Daartoe wordt gesteld dat de omstandigheid dat genoemde [klager] de getuigen heeft beïnvloed tot het afleggen van een specifieke verklaring geen gewicht in de schaal kan leggen, omdat niet is vastgesteld dat sprake is geweest van uitlokking van het afleggen van een valse verklaring. Zo bezien zou het oordeel dat de door de klager ter staving van zijn eigendomsrecht overgelegde stukken niet aantonen dat de klager de eigenaar van het horloge is, niet zonder meer begrijpelijk zijn.
3.6
De door de klager ter staving van zijn eigendomsrecht overgelegde stukken betreffen een handgeschreven rekening, ongedateerde getuigenverklaringen ertoe strekkende dat [betrokkene 1] (de belanghebbende) het horloge van de klager droeg en foto’s van een (door een derde aan de klager toegestuurd) garantiebewijs. Met betrekking tot de overgelegde handgeschreven rekening heeft de rechtbank vastgesteld dat de naam van de koper daarop niet is vermeld. Met de steller van het middel meen ik dat die vaststelling niet zonder meer begrijpelijk is. Genoemde rekening vermeldt onder het hoofdje “voor” namelijk wel degelijk een naam, te weten “ [klager] ”. Bovendien wordt ook het adres van de koper vermeld. Uit mijn onderzoek naar de naleving van het bepaalde in art. 435, eerste lid, Sv volgt dat de klager sinds 9 juli 2018 op het op de rekening vermelde adres staat ingeschreven. In zoverre legt genoemde rekening, ook indien geen waarde wordt gehecht aan de door de klager overgelegde getuigenverklaringen (waarin de klager door de getuigen als “ [klager] ” wordt aangeduid), wel degelijk een link met de klager.
3.7
Toch meen ik dat deze onvolkomenheid niet afdoet aan de begrijpelijkheid van het (slot)oordeel dat niet de klager, maar de belanghebbende [betrokkene 1] aangemerkt dient te worden als redelijkerwijs rechthebbende op het horloge. Daarbij merk ik op dat er, zoals de rechtbank ook overweegt, door de contante betaling geen controlemogelijkheid is of het horloge daadwerkelijk door de klager is aangekocht. Daar komt bij dat, anders dan in het klaagschrift is vermeld, er door de klager ook geen stukken zijn overgelegd die het aankoopbedrag (à € 29.750,-) kunnen verantwoorden, terwijl de getuigenverklaringen vermoedelijk tot stand zijn gekomen doordat de getuigen door [betrokkene 1] is gevraagd een specifieke verklaring af te leggen. Dat niet is vastgesteld dat sprake is geweest van uitlokking, doet daar mijns inziens niet aan af. De link met de klager is zo bezien mager, terwijl de rechtbank uitvoerig heeft gemotiveerd dat er redenen aanwezig zijn die het standpunt van het Openbaar Ministerie dat het horloge niet aan de klager maar aan de belanghebbende [betrokkene 1] toebehoort ondersteunen. Voor zover in dat verband wordt betoogd dat de rechtbank de juistheid van de in raadkamer ingenomen stellingen van belanghebbende [betrokkene 1] ertoe strekkende dat (i) hij op de foto’s uit 2019 en 2020 een nep-variant van het inbeslaggenomen horloge droeg, (ii) hij het horloge heeft willen verstoppen om het te beschermen en (iii) het indienen van het klaagschrift langer heeft geduurd omdat hij de getuigenverklaringen moest regelen en één van de getuigen op vakantie was en hij de ander niet kon bereiken, in het midden heeft gelaten, merk ik op dat deze klacht feitelijke grondslag mist. De rechtbank overweegt immers expliciet dat zij er, gelet op de jegens de [betrokkene 1] gerezen verdenking en de in dat verband afgegeven machtiging conservatoir beslag, waardoor [betrokkene 1] er belang bij heeft om te verbergen dat het horloge aan hem toebehoort, niet vanuit kan gaan dat hij in raadkamer de waarheid heeft gesproken. Daarmee heeft de rechtbank zich wel degelijk uitgelaten over de juistheid van genoemde stellingen. Daar voeg ik nog aan toe dat de rechtbank er dus ook vanuit gaat dat de verklaring van [betrokkene 1] dat klager het horloge via hem bij [betrokkene 2] heeft gekocht en hij daarom later aan [betrokkene 2] heeft gevraagd om het onderhoud van het horloge te doen, niet op waarheid berust. Hierin ligt besloten dat de rechtbank ook geen geloof hecht aan de verklaring van de klager dat hij zelf geen contact met [betrokkene 2] kreeg en [betrokkene 1] hem daarom daarmee heeft geholpen.
3.8
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG