ECLI:NL:PHR:2022:1097
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beklag tegen beslag en voornemen tot vervreemding van hond wegens dierenmishandeling
De klager verzocht om teruggave van zijn Amerikaanse Staffordshire terriër die in beslag was genomen wegens verdenking van dierenmishandeling. De officier van justitie maakte het voornemen kenbaar de hond te vervreemden op grond van artikel 117 Sv Pro. De rechtbank behandelde het beklag en concludeerde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de hond verbeurd zal verklaren, mede op basis van getuigenverklaringen en een dierenartsrapport dat aanwijzingen van mishandeling bevatte.
De klager voerde aan dat het dossier onvoldoende bewijs bevat en dat het voornemen tot vervreemding onrechtmatig is, omdat een hond een onvervangbaar goed betreft. De rechtbank oordeelde echter dat het onderzoek in de beklagprocedure summier is en dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag rechtvaardigt. Tevens stelde de rechtbank dat tegen het voornemen tot vervreemding geen beklag openstaat.
De klager stelde in cassatie drie middelen aan de orde, waaronder dat het voornemen tot vervreemding een voldongen feit zou zijn en dat de rechtbank onvoldoende op het bewijs en de getuigenverklaringen was ingegaan. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat de rechtbank haar beoordelingsvrijheid heeft en dat de beklagprocedure niet bedoeld is om inhoudelijk in te gaan op de hoofdzaak. Het cassatieberoep werd verworpen met de motivering bedoeld in artikel 81 RO Pro.
Uitkomst: Het beklag tegen het beslag op de hond wordt ongegrond verklaard en het cassatieberoep verworpen.