Conclusie
hij op 31 maart 2019 te [plaats] , gemeente Maasdriel, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto (bestelauto)) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 610 microgram [1] terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder dat aan hem een rijbewijs was afgegeven;
hij op 31 maart 2019 te [plaats] , gemeente Maasdriel als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto (bestelauto)) heeft gereden op de weg, de [a-straat] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.”
[…]
U houdt mij voor dat de auto is verbeurdverklaard. Ik heb 2.600 euro teruggekregen, maar de bus kostte mij 30.000 euro. U vraagt mij of ik een lening had. Ja, dat klopt. Ik had een financiering voor het hele bedrag.
[…]
U, voorzitter, vraagt mij wat voor werk ik doe. Ik verricht grondwerk, zoals de aanleg van kabels en leidingen. U vraagt mij wat ik verdien. Ik verdien zo ongeveer 1.500 euro per week bruto. U vraagt naar mijn schulden. Daar gaat het wel goed mee. De boekhouder heeft mijn pasje en die zet leefgeld op mijn privérekening.
Oplegging van de straf
€ 650,00 (zeshonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
13 (dertien) dagen hechtenis.
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
6 (zes) maanden.
hechtenisvoor de duur van
1 (één) week.
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Art. 33c, tweede lid, Sr:
“1. Bij de verbeurdverklaring van voorwerpen kan de rechter voor het geval waarin de verbeurd verklaarde voorwerpen meer zouden opbrengen dan een in de uitspraak vastgesteld bedrag, bevelen dat het verschil wordt vergoed.
Art. 62, eerste lid, Sr: “Bij samenloop op de wijze in de artikelen 57 en 58 bedoeld, hetzij van overtredingen met misdrijven, hetzij van overtredingen onderling, wordt voor elke overtreding zonder vermindering straf opgelegd.”
kanonder omstandigheden worden meegewogen in de beoordeling van de vraag of aan art. 33c, tweede lid, Sr toepassing zal worden gegeven, maar het is niet zo dat de toepasselijkheid van art. 33c, tweede lid, Sr uitsluitend en alleen afhangt van de draagkracht van de verdachte en daarop moet worden afgestemd.
onvoorwaardelijke hechtenis van een week voor feit 2, en heeft daarnaast de Mercedes-Benz verbeurdverklaard. [13] Anders dan het bestreden arrest, houdt het vonnis van de politierechter in verband met de verbeurdverklaring expliciet in dat daarbij rekening is gehouden met de draagkracht van de verdachte. In dit vonnis ligt besloten dat de politierechter feitelijk heeft vastgesteld dat het draagkrachtbeginsel zich niet verzet tegen de verbeurdverklaring van de Mercedes-Benz. Ik kom daarop nog terug. Als de voorzitter van de (enkelvoudige) strafkamer van het hof de verdachte voorhoudt dat de auto verbeurdverklaard is, antwoordt de verdachte: “Ik heb 2.600 euro teruggekregen, maar de bus kostte mij 30.000 euro.” Wat de verdachte daarmee precies bedoeld heeft te zeggen, is niet duidelijk. Het proces-verbaal biedt geen uitkomst. Gelet op de concrete vraagstelling van de voorzitter, zou uit deze verklaring van de verdachte kunnen worden opgemaakt dat hij het bedrag van € 2.600 (kennelijk) heeft teruggekregen in verband met de verbeurdverklaring van de Mercedes-Benz. Het is dan wel weer de vraag op welke grond dit is gebeurd. Wellicht betreft het een geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in art. 33c, tweede lid, Sr, maar in het vonnis van de politierechter lees ik daarover niets. Het zou zich, denk ik, ook niet goed verhouden tot het in art. 557, eerste lid (oud), Sv neergelegde uitgangspunt dat de rechterlijke beslissing niet ten uitvoer wordt gelegd zolang daartegen nog enig gewoon rechtsmiddel openstaat en, zo dit is aangewend, totdat het is ingetrokken of daarop is beslist. [14] Wel volgt uit de verklaring van de verdachte, zoals neergelegd in het zittingsverbaal, dat de aanschafprijs van deze Mercedes-Benz voor hem € 30.000 bedroeg, dat hij een financiering voor dat hele bedrag had en dat hij op dat bedrag nog afbetaalde (“de duurste bus waar ik iedere maand voor moet betalen”). Wanneer de financiering is ingegaan, hoeveel hij al had afbetaald en welk bedrag er nog openstond, is in het midden gelaten, althans het zittingsverbaal verschaft daarover geen informatie. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter d.d. 18 juni 2019, waar de verdachte niet bij aanwezig was, reikt enkele aanknopingspunten aan: de politierechter stelt vast dat uit de overgelegde stukken de conclusie lijkt te kunnen volgen dat de auto niet is geleased en de verdachte een lening heeft afgesloten voor de financiering van deze auto; de raadsman van de verdachte merkt met betrekking tot het beslag op dat (A-G: op dat moment) de auto een waarde had van € 18.000,-, zijn cliënt premie betaalde en de auto nog niet was afbetaald. Daaruit en uit de verklaring van de verdachte op de terechtzitting van het hof in onderling verband bezien, kan de voor de hand liggende gevolgtrekking worden gemaakt dat door tijdsverloop de Mercedes-Benz niet alleen ouder is geworden, maar daardoor ook navenant in waarde is gedaald. Tot slot merk ik op dat de verdachte op de terechtzitting van het hof heeft verklaard dat hij ongeveer € 1.500 per week bruto verdient, dat is ruim € 6.000 bruto per maand, en dat het met zijn schulden “wel goed gaat”.