Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt dat het hof nergens in het arrest heeft gerespondeerd op het generieke betoog dat renteswaps niet geschikt zijn voor het MKB en dus ook niet voor de lastgevers. Het hof heeft eveneens het bewijsaanbod met betrekking tot dit punt gepasseerd.
Onderdeel 2komt op tegen de verwerping door het hof van de stelling dat de lastgevers het risico op daling van het Euribor-tarief van ABN AMRO hebben overgenomen en tegen het oordeel dat de lastgevers met de combinatie van een renteswap en een variabelrentende lening hetzelfde bereiken als met een vastrentende lening.
Onderdeel 3richt zich tegen de verwerping door het hof van de vorderingsgrondslag dat door ABN AMRO misbruik zou zijn gemaakt van een economische machtspositie.
Onderdeel 4bevat een louter voortbouwende klacht.
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof nergens in het arrest ingaat op de centrale stelling van Claim Participants dat renteswaps niet geschikt zijn voor het MKB. Claim Participants heeft die stelling onderbouwd en onder meer gewezen op het Uniform Herstelkader Rentederivaten. Het bestaan van dit Uniform Herstelkader Rentederivaten impliceert al dat rentederivaten niet geschikt zijn voor het MKB. Ook heeft Claim Participants gewezen op uitspraken van verschillende deskundigen. De stelling is relevant/essentieel omdat de juistheid ervan impliceert dat renteswaps niet aan het MKB (en dus ook niet aan de lastgevers) mogen worden aangeboden, en leidt dus of kan leiden tot de conclusie dat ABN AMRO haar zorgplicht jegens de lastgevers heeft geschonden. Het hof is niet gemotiveerd ingegaan op deze stelling en het hof is dan ook van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan dan wel heeft het zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Het hof heeft in verband met de
individuelekenmerken van de afgesloten renteswaps, kort gezegd, geoordeeld dat Claim Participants haar stelling dat de swapovereenkomsten tot stand zijn gekomen door bedrog of misbruik van omstandigheden of onder invloed van dwaling dan wel dat ABN AMRO haar bijzondere zorgplicht jegens hen heeft geschonden, onvoldoende heeft toegelicht (rov. 3.17). In dit verband heeft ABN AMRO, als zodanig niet (voldoende) betwist, onder meer gesteld (i) dat bij geen van de renteswaps sprake was van een
overhedgein omvang of tijd, (ii) dat bij het aangaan ervan niet de verwachting bestond dat de leningen tussentijds zouden worden afgelost, dat (iii) geen marginverplichtingen zijn opgelegd en geen zekerheden zijn gevraagd voor de negatieve waarde van de renteswaps, en (iv) dat de combinatie van een renteswap met een variabelerentende lening bij zes van de door de lastgevers gesloten acht swaps goedkoper was dan een vastrentende lening en dat bij twee swaps een vastrentende lening goedkoper zou zijn geweest (rov. 3.16).
Voorts heeft het hof in verband met de
generiekekenmerken van de afgesloten renteswaps geoordeeld dat deze kenmerken niet tot toewijzing van de vorderingen kunnen leiden (rov. 3.17). In dat verband overwoog het hof onder meer dat niet is komen vast te staan dat de renteswap voor de individuele lastgevers een ongeschikt, althans een bijzonder risicovol product was, waarvoor ABN AMRO onvoldoende heeft gewaarschuwd (rov. 3.15).
subonderdeel 1.1bedoelde stelling dat renteswaps niet geschikt zijn voor het MKB, in relatie tot de lastgevers voldoende gemotiveerd verworpen. Er was voor het hof geen aanleiding om de bedoelde stelling nog te onderzoeken in relatie tot het MKB in het algemeen.
subonderdeel 1.1bedoelde stelling wordt gesteld dat de rente al langer een dalende trend vertoonde en dat dit bekend was in kringen waartoe de banken behoorden. Het hof heeft (in rov. 3.5) een stelling van Claim Participants over de neerwaartse trend van de rente op lange termijn als tardief beschouwd en voorts (in rov. 3.13) overwogen dat als onvoldoende betwist vaststaat dat ten tijde van het aangaan van de renteswaps ook voor ABN AMRO niet voorzienbaar was dat de rente na 2008 structureel sterk zou gaan dalen.
Voorts wordt in de schriftelijke toelichting namens Claim Participants (in nr. 1.8) nog gesteld dat rationeel economisch gedrag en verantwoord ondernemerschap voor een MKB-ondernemer inhield dat deze, in de hypothetische situatie dat geen swapcontract was gesloten, zou hebben gekozen voor afdekking van het risico van rentestijgingen zonder de mogelijkheid om te profiteren van rentedalingen prijs te geven. [7] Het hof heeft echter (in rov. 3.13) overwogen dat elke wijze van risicoafdekking voor- en nadelen heeft en, in verband met rentecaps, dat het niet voor de hand ligt om indien, zoals destijds het geval was, de verwachting was dat de rentetarieven zouden blijven stijgen, een (aanzienlijke) premie te betalen voor de mogelijkheid om te profiteren van niet verwachte rentedalingen.
Voor zover het debat in cassatie al ruimte laat voor deze stellingen in de schriftelijke toelichting van Claim Participants, [8] moet worden geconstateerd dat deze stellingen voorbij gaan aan de hiervoor vermelde overwegingen van het hof.
capen een geschreven
floor, met dezelfde
strike priceen looptijd. Dit kan gedemonstreerd worden aan de hand van een rentecollar. Als de Euribor zich beweegt tussen de uitoefenprijs van de
capen de lagere uitoefenprijs van de
floor, profiteert de klant van de daling van de Euribor in juist dat gebied. Als de uitoefenprijs van de
floorwordt opgetrokken naar de uitoefenprijs van de
cap, is de MKB-ondernemer beschermd tegen een stijging van de Euribor boven de cap en profiteert hij [in het geheel niet meer] [9] van een daling onder de
strike pricevan de
cap. Als de
floorechter geschreven is op een niveau onder de uitoefenprijs van de
cap, neemt de MKB-ondernemer het risico van de bank op daling onder de uitoefenprijs van de
floorover. De facto zijn bij een renteswap de uitoefenprijs van de
capen de
floorgelijk aan elkaar.
(b) Deze werking van de renteswap demonstreert dat de bank het risico op rentestijging van de klant overneemt en dat de klant het risico op rentedaling van de bank overneemt.
(c) Deze werking van de renteswap maakt duidelijk dat de renteswap geen geschikt product was voor het MKB. Het deel rentecap was wel geschikt, want vormde een verzekering tegen het ondernemersrisico van rentestijging. Het deel rentefloor was ongeschikt en stelde de ondernemer bloot aan een onverantwoord risico.
(d) De MKB-ondernemer is – samengevat − gebaat bij zo laag mogelijke rentekosten en daarom is maximering van de rente het best haalbare. Het blootstellen van de onderneming aan het risico van renteswaps dat bij een daling van de variabele rente onder het niveau ten tijde van het afsluiten de klant de vaste (hoge) swaprente moet blijven betalen, is onverantwoord.
Subonderdeel 2.2voegt hieraan toe dat hetgeen is betoogd temeer geldt gezien tegen de achtergrond van HR 29 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, rov. 3.6, waarin is overwogen dat een renteswap gaat om een overeenkomst waarvan een wezenlijk kenmerk is dat de risico’s van toekomstige ontwikkelingen worden verdeeld en dat de uitleg van dit arrest door het hof (in rov. 3.9) onbegrijpelijk is.
subonderdeel 2.1 onder (a) en (b)wijst ABN AMRO er terecht op (in haar schriftelijke toelichting nr. 11) dat een renteswap moet worden onderscheiden van een
capen een
floor.Op grond van een renteswapovereenkomst worden rentevoorwaarden uitgewisseld. De ene partij betaalt een vaste rente aan de andere partij, die een variabele rente betaalt aan de eerstgenoemde partij. Anders dan bij renteswaps, wordt bij
caps,
floorsen
collarsde variabele rente niet geruild tegen een vaste rente. De klant en de bank spreken af dat de door de klant te betalen rente nooit boven een
capof onder een
floor, een vooraf vastgesteld niveau, komt te liggen. Een
collaris een combinatie van een
capen een
floor, waarbij in feite een bandbreedte wordt afgesproken waartussen de door de klant te betalen variabele rente zich zal bewegen, met een maximum en een minimum. [10] Het gaat Claim Participants er (blijkens haar repliek op p. 2 e.v.) met de vergelijking van een swap met een
capen een
floorechter slechts om, om het door haar bedoelde werkingsmechanisme van een swap te illustreren.
subonderdeel 2.1 onder (a) en (b). Het middel laat ten onrechte buiten beschouwing dat de lastgever de swap met ABN AMRO afsluit ter afdekking van het renterisico op een onderliggende variabelerentelening die de lastgever heeft gesloten (zoals volgt uit de feitenvaststelling in rov. 2.1 onder (ii) van het bestreden arrest). Het oordeel van het hof in rov. 3.9 en 3.19 moet tegen die achtergrond worden begrepen. Dit is niet anders in het lichtvan HR 29 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046, om de door het hof in rov. 3.9 genoemde reden. Het hof heeft het betoog van Claim Participants dan ook niet miskend, maar daarop gereageerd met zijn overweging (in rov. 3.9) dat het niet langer kunnen profiteren van rentedalingen niet kan worden geduid als een van ABN AMRO overgenomen risico op rentedalingen. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk.
subonderdeel 2.1 onder (c) en (d)staan los van de begrijpelijkheid van de verwerping door het hof van de stelling van Claim Participants dat de lastgevers het risico op daling van het Euribor-tarief van ABN AMRO hebben overgenomen. Deze stellingen betreffen de geschiktheid van renteswaps voor MKB-ers in het algemeen. Dit punt kwam reeds aan de orde bij de bespreking van onderdeel 1.1 (wat het punt van de
capals geschikt alternatief betreft, hiervoor in 2.3.5).
subonderdelen 3.1 (3.1.1-3.1.3) en 3.2 (3.2.1-3.2.2)klachten tegen rov. 3.15.
subonderdeel 3.1.2dat het oordeel van het hof dat de ACM niet heeft vastgesteld dat sprake was van een collectieve machtspositie van de drie grootbanken, niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Met de vaststelling dat sprake is van verminderde concurrentie en dat er een reëel risico op stilzwijgende coördinatie is, is de economische machtspositie gegeven.
Subonderdeel 3.1.3voegt hieraan toe dat nu er stilzwijgende coördinatie mogelijk is, deze ook daadwerkelijk zal plaatsvinden omdat dit rationeel economisch gedrag is.
onderdeel 4. Het cassatieberoep dient daarom te worden verworpen.
3.Conclusie
.