Conclusie
1.Overzicht
BNB2019/72 [1] gaat deze zaak over de vraag of de belanghebbende ongerechtvaardigd nadelig wordt behandeld als hij de (fiscaal aftrekbare) koopsom voor een lijfrente niet in mindering kan brengen op de heffingsgrondslag voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) hoewel andere oudedagsvoorzieners hun oudedags-voorzieningsbijdragen wél in mindering kunnen brengen op hun Zvw-bijdrage-inkomen.
i.e.de winst uit onderneming zonder de fiscale aftrekpost ad € 70.000. Omdat het maximum bijdrage-inkomen € 52.763 is, is de Zvw-bijdrage berekend naar een bijdrage-inkomen ad € 36.041,
i.e.€ 52.763 minus het inkomen uit vroegere arbeid ad € 16.722, waarop immers al Zvw-bijdrage is ingehouden.
BNB2019/72 drie categorieën Zvw-verzekerden onderscheiden: (i) zij die in dienstbetrekking een oudedagsvoorziening opbouwen ex art. 11(1)(c) en (j)(1e) Wet LB 1964, (ii) zij die als ondernemer een oudedagsvoorziening opbouwen met fiscaal aftrekbare verplichte-pensioenpremies of FOR-dotaties en (iii) zij die een oudedagsvoorziening opbouwen met fiscaal aftrekbare lijfrentepremies. Uit HR
BNB2019/72 volgt, aldus de Rechtbank, dat de gevallen (i) en (ii) gelijk moeten worden behandeld voor de Zvw-premiegrondslagbepaling, maar niet dat dat ook geldt voor geval (iii). De Rechtbank acht geval (iii) niet vergelijkbaar met de gevallen (i) en (ii) omdat (a) een lijfrente vrijwillig opgebouwd wordt, (b) lijfrente-opbouw/aankoop geen causaal verband houdt met inkomenshoogte of arbeidsduur, (c) met een lijfrente een hogere opbouw mogelijk is dan toegestaan in pijler 2 (categorieën (i) en (ii)), (d) lijfrente-aankoop een incidenteel karakter heeft en (e) lijfrentepremies fiscaal niet aftrekbaar zijn binnen een
bepaaldeinkomstenbron (box 1: werk en woning), maar op het
geheleinkomen als uitgave voor inkomensvoorziening.
BNB2019/72 gelijk getrokken gevallen (i) en (ii). Uit dat arrest blijkt dat voor de Zvw-bijdragegrondslag een lijfrentekoopsom betaald uit een FOR-afname net als een pensioenbijdrage in mindering komt op de Zvw-bijdragegrondslag. Dan moet ook een rechtstreeks uit stakingswinst betaalde lijfrentekoopsom daarop in mindering komen, aldus de belanghebbende, nu een stakingslijfrente precies zoals een FOR-lijfrente in de oude dag van de ondernemer voorziet. Anders dan de Rechtbank meent, valt de stakingswinstlijfrente niet in pijler 3, maar in pijler 2 van het pensioenstelsel, nu de lijfrente is betaald uit arbeidsinkomsten en in pijler 2 arbeid centraal staat. In pijler 3 bestaat bovendien wel degelijk causaal verband tussen inkomen en pensioenopbouw, nu ook in pijler 3 rekening wordt gehouden met het inkomen van de belastingplichtige. Dat met een stakingslijfrente een hogere oudedagsvoorziening kan worden opgebouwd dan in pijler 2, is geen grond voor ongelijke behandeling, nu de Rechtbank niet motiveert waarom dat zo zou zijn en een stakingslijfrente ook tot een lagere oudedagsvoorziening kan leiden dan in pijler 2. Evenmin valide acht de belanghebbende het argument dat een stakingslijfrente incidenteel wordt opgebouwd, nu ook een FOR gedurende slechts één jaar kan zijn opgebouwd. De Rechtbank gaat er ten onrechte aan voorbij dat het doel van de drie pensioenpijlers hetzelfde is, nl. opbouw van een adequate toekomstvoorziening binnen de grenzen van de fiscale wetgeving. De doelen van pijlers 2 en 3 zijn zijns inziens identiek. Gelijke behandeling van gevallen zoals het zijne doet volgens hem geen zodanige uitvoeringsproblemen ontstaan dat zij ongelijke behandeling zouden kunnen rechtvaardigen.
de Staatssecretarismiskent de belanghebbende dat HR
BNB2019/72 de toepassing van het gelijkheidsbeginsel beperkt tot gevallen waarin over de opbouw van de oudedagsvoorziening geen Zvw-bijdrage wordt geheven (categorieën (i) en (ii)) en niet gaat over categorie (iii). De categorieën (i) en (ii) kenmerken zich door een periodieke opbouw binnen wettelijke grenzen. HR
BNB2019/72 zegt dat als met een FOR-vrijval een lijfrente wordt gekocht, die aftrekpost ook de Zvw-bijdragegrondslag verlaagt omdat anders de Zvw-facilitering in de opbouwfase alsnog ongedaan zou worden gemaakt bij de lijfrente-aankoop. Wordt immers de FOR-vrijval in de Zvw-bijdragegrondslag begrepen, dan worden de tijdens de FOR-opbouw buiten die grondslag gehouden dotaties alsnog in de Zvw-bijdragegrondslag (de winst) begrepen en dat achtte u onaanvaardbaar inconsistent. Daarentegen wordt bij
allebelastingplichtigen in categorie (iii) (aanvullend pensioen door fiscaal aftrekbare lijfrentepremies ex art. 3.127 en 3.129 Wet IB 2001) wél Zvw-bijdrage geheven in de opbouwfase, zodat bij die categorie geen sprake kan zijn van frustratie van enige eerder in een opbouwfase verleende aftrek voor de Zvw: aan categorie (iii) wordt überhaupt geen aftrek van lijfrentepremies verleend bij de bepaling van de Zvw-bijdragegrondslag. De wetgever behandelt categorie (iii) in de opbouwfase juist
andersdan de gevallen (i) en (ii).
BNB2019/72 kon op een categorie (iii)-geval gewacht worden, dat zich nu dan ook aandient in de personen van de belanghebbende en zijn echtgenote, die u vragen na A (gelijke behandeling
binnenpijler 2, tussen groepen (i) en (ii)) ook B te zeggen (gelijke behandeling
tussenpijlers 2 en 3, i.e. tussen de groepen (ii) en (iii)).
BNB2019/72 betoogde dat voor de Zfw-premiegrondslagbepaling als gelijke gevallen moeten worden beschouwd (a) personen die hun boven-AOW-pensioen zelf (moeten) opbouwen met een lijfrenteverzekering, zoals onze belanghebbenden (categorie (iii) in HR
BNB2019/72), en (b) cao-pensioenopbouwers (categorie (i) in HR
BNB2019/72) en ondernemers die verplicht een beroepspensioen of vrijwillig een FOR opbouwen (categorie (ii) in HR
BNB2019/72). In het licht van het doel van de Zvw-bijdrage - inkomensafhankelijke bekostiging van zorguitgaven - zag en zie ik geen relevant verschil tussen die categorieën. Ook fiscaal zie ik geen verschil: in alle gevallen wordt de bijdrage voor de oudedagvoorziening - binnen wettelijke grenzen - geëlimineerd uit het fiscale inkomen (omkeerregel).
BNB2019/72). Maar ook als ze wel bestaan, kunnen deze verschillen mijns inziens hoe dan ook niet verklaren of rechtvaardigen dat/waarom de ene groep Zvw-verzekerde oudedagsvoorzieners dubbel wordt belast en de andere groep Zvw-verzekerde oudedagsvoorzieners niet.
isjuist de discriminatie van categorie (iii) ten opzichte van categorieën (i) en (ii). Het verschil in behandeling van categorie (iii) moet uiteraard door een
anderverschil verklaard worden dan het verschil in behandeling. Dat de wetgever voor de Zvw-bijdragegrondslag-aftrek alleen de
binnenbronnelijke fiscale aftrek in box 1 (aftrekbare pensioenpremies en FOR-dotaties) volgde en de
bovenbronnelijke fiscale aftrek van uitgaven voor inkomensvoorzieningen (aftrekbare lijfrentepremies) niet,
isjuist de discriminatie: de wetgever belastte
bewustcategorie (iii)-gevallen dubbel.
BNB2019/72: het gegeven dat de wetgever de categorieën (i) en (ii) in de opbouwfase gelijk
behandelde, was voor u reden om te oordelen dat die gevallen dan ook gelijk zouden
zijn. De wetgever handelt dan willekeurig (en daarmee volgens u kennelijk discriminatoir) door die opbouwfase-gelijke behandeling alsnog te frustreren op het moment waarop de FOR, geheel volgens de bedoeling van de wetgever, in een lijfrente wordt omgezet. Die benadering wreekt zich in het omgekeerde geval van onze belanghebbende omdat u nu logischerwijze ook zou moeten oordelen dat als de wetgever gevallen
ongelijk behandelt, zij dan ook ongelijk
zijn. Maar daarmee wordt het discriminatieverbod betekenisloos: de ongelijke behandeling zou dan verklaard worden door de ongelijke behandeling. Het resultaat van uw benadering zou in belanghebbendes geval zijn dat
omdatde wetgever zijn geval dubbel belast, hij niet gelijk is aan de Zvw-verzekerden die niet dubbel worden belast. Dat resultaat veroordeelt zichzelf. De rechter moet
zelfde ongelijke behandeling toetsen aan het discriminatieverbod, met als toetsingsmaatstaf de doelstellingen van
inkomensafhankelijke zorguitgavenfinanciering en
voorkomingvan dubbele bijdrageheffing. Hij moet daarbij een ruime
margin of appreciationin acht nemen, maar ik meen dat de wetgever die heeft overschreden bij de vraag of de categorieën (i), (ii) en (iii) vergelijkbaar zijn vanuit het perspectief van inkomensafhankelijke zorguitgaven-financiering en voorkoming van dubbele bijdrageheffing. De belanghebbende betaalt dubbel Zvw-bijdragen enkel omdat zijn oudedagsvoorzieningopbouw fiscaal niet in box 1 viel (zoals pensioenpremies en FOR-dotaties), maar bovenbronnelijk in het verzamelinkomen. Dat
veroorzaaktjuist dubbele belasting en het dient de
inkomensafhankelijkheid van de bijdrage niet, maar vervuilt die juist.
BNB2019/72 werd aangevoerd, nl. uitvoeringsproblemen bij (deeltijd) werknemers die aanvullend lijfrente opbouwen en aan wie in geval van aftrekbaarheid individuele aanslagen opgelegd zouden moeten worden. Zoals uiteengezet in de conclusie voor HR
BNB2019/72, is dit betoog, zo al feitelijk correct, hoe dan ook ongeschikt om de discriminatie van de belanghebbende te rechtvaardigen, die geen werknemer is, maar ondernemer, en aan wie hoe dan ook jaarlijks aanslagen opgelegd moeten worden. In HR
BNB2019/72 verwierp ook u die gestelde uitvoeringsproblemen als rechtvaardiging voor de dubbele belasting van Zvw-bijdrageplichtige ondernemers.
BNB2019/72 meen ik dat rechtsherstel binnen de rechtsvormende taak van de rechter valt.
2.De feiten en het geding in feitelijke instantie
De feiten
i.e.het bedrag van de stakingswinst zonder aftrek van de lijfrentekoopsom. Omdat € 76.704 hoger is dan het maximale bijdrage-inkomen ad € 52.763, is de aanslag zvw-bijdrage berekend naar een bijdrage-inkomen ad € 36.041,
i.e.€ 52.763 minus het inkomen uit vroegere arbeid ad € 16.722, waarop immers al bijdrage Zvw was ingehouden.
BNB2019/72 [4] voor de aftrekbaarheid van de Zvw-bijdrage drie gevallen onderscheidde: (i) Zvw-bijdrageplichtigen die in dienstbetrekking een pensioen opbouwen met toepassing van art. 11(1)(c) en (j)(1e) Wet LB 1964, (ii) Zvw-bijdrageplichtigen die als ondernemer een oudedagsvoorziening opbouwen met fiscaal aftrekbare premies voor een verplichte pensioenregeling of fiscaal aftrekbare dotaties aan een FOR en (iii) Zvw-bijdrageplichtigen die - al dan niet in aanvulling daarop - een oudedagsvoorziening opbouwen met een lijfrenteverzekering. U overwoog in dat arrest dat de wetgever de gevallen (i) en (ii) als gelijk beschouwt omdat hij in beide gevallen in de opbouwfase van de oudedagsvoorziening de premies/dotaties buiten de Zvw-bijdragegrondslag heeft gelaten, maar liet u niet uit over geval (iii), zodat uit dat arrest niet volgt dat ook geval (iii) - belanghebbendes geval - gelijk zou zijn aan (een van de) gevallen (i) en (ii).
BNB2019/72, uit de vrijval van een FOR die Zvw-bijdragevrij werd opgebouwd omdat FOR-dotaties net als pensioenpremies buiten de grondslag van de Zvw-bijdrageheffing worden gelaten. De belanghebbende is volgens de Rechtbank daarom niet vergelijkbaar met de gevallen (i) en (ii) uit HR
BNB2019/72, waarin belasting- én Zvw-bijdragevrij een oudedagsvoorziening wordt opgebouwd, en waarin niet-aftrekbaarheid van de uit een FOR-vrijval betaalde lijfrentekoopsom tot gevolg zou hebben dat de opbouw-faciliëring alsnog gefrustreerd zou worden in de lijfrente-aankoopfase. Alsdan is het gelijkheidsbeginsel van art. 14 EVRM Pro volgens de Rechtbank niet geschonden door weigering van de aftrek die de gevallen (i) en (ii) wél krijgen.
V-N2020/16.8) tekende bij de geciteerde uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland het volgende aan:
3.Het geding in cassatie
BNB2019/72 blijkt dat het gelijkheidsbeginsel eist dat voor de bepaling van de Zvw-bijdragegrondslag een lijfrentekoopsom betaald uit een FOR-afname net zoals pensioenbijdragen in mindering komt op de Zvw-bijdragegrondslag. Dan moet ook een uit stakingswinst betaalde lijfrentekoopsom in mindering komen, aldus de belanghebbende, nu een stakingslijfrente precies zoals een FOR-lijfrente in de oudedag van de ondernemer voorziet.
lagereoudedagsvoorziening kan leiden dan in pijler 2 toegestaan. Evenmin valide acht de belanghebbende het argument dat een stakingslijfrente incidenteel wordt opgebouwd, gegeven dat ook een FOR incidenteel kan zijn opgebouwd door FOR-opbouw gedurende slechts één jaar.
BNB2019/72. De belanghebbende concludeert tot vermindering van de Zvw-bijdragegrondslag tot € 15.714.
verweermeent de Staatssecretaris dat de belanghebbende miskent dat HR
BNB2019/72 voor wat betreft de toepassing van het gelijkheidsbeginsel is beperkt tot de gevallen waarin bij de opbouw van de oudedagvoorziening geen Zvw-bijdrage wordt geheven. Die situaties kenmerken zich door een periodieke opbouw binnen wettelijk gestelde grenzen (een maximum jaarlijkse premiegrondslag). U oordeelde dat als met de opgebouwde FOR een lijfrente wordt gekocht, met die IB-aftrekpost ook voor de Zvw-bijdragegrondslag rekening gehouden moet worden omdat anders de aftrek in de opbouwfase ongedaan zou worden gemaakt in de lijfrente-aankoopfase: de tijdens de opbouw buiten de Zvw-bijdragegrondslag gelaten FOR zou anders alsnog bij de Zvw-bijdragegrondslag (de winst) worden opgeteld bij de aankoop van een lijfrente uit de FOR-vrijval. Bij alle belastingplichtigen in het door u onderscheiden geval (iii) (aanvullend pensioen door middel van fiscaal aftrekbare lijfrentepremies ex art. 3.127 en 3.129 Wet IB 2001) daarentegen, wordt in de opbouwfase wél Zvw-bijdrage geheven, anders dan in de gevallen (i) en (ii). Voor geval (iii) geldt dus niet, zoals wél voor de gevallen (i) en (ii), dat de wetgever door voor de Zvw-bijdrageheffing aan te sluiten bij - alleen - het fiscale inkomen uit werk en woning (niet bij het verzamelinkomen), geval (iii) als gelijk heeft beschouwd aan de gevallen (i) en (ii); hij heeft geval (iii) immers in de opbouwfase juist anders behandeld dan de gevallen (i) en (ii).
BNB2019/72 betrof eveneens een stakende ondernemer die zich gediscrimineerd achtte doordat hem voor de bepaling van het Zvw-bijdrage-inkomen aftrek werd geweigerd van de voor € 18.500 uit zijn stakingswinst gekochte, fiscaal wel aftrekbare oudedagslijfrente. Ook bij hem ontstond door de aftrekweigering dubbele bijdrageheffing. U stelde van ambtswege vast dat die € 18.500 fiscaal-technisch afkomstig was uit vrijval van een FOR. U achtte aftrekweigering in strijd met het discriminatieverbod op de volgende gronden:
BNB2019/72, geen gefacilieerde FOR heeft opgebouwd, maar ineens uit zijn stakingswinst fiscaal aftrekbaar een oudedagslijfsrente heeft gekocht - en als gevolg daarvan dubbel belast wordt met Zvw-bijdrage, net zoals de ondernemer in HR
BNB2019/72 dubbel belast werd totdat u ingreep.
NTFR2018/2732 onder meer het volgende aan bij uw arrest:
BNB2019/72) becommentarieerde uw arrest als volgt:
nietuit tot hoe de wetgever de lijfrenteopbouwers beschouwt ten opzichte van de pensioenopbouwers en de FOR-opbouwers. Kortom, hoewel wel de indruk kan ontstaan dat de Hoge Raad het niet eens is met de opvatting van de A-G (en het Hof), kan dat strikt genomen niet uit het arrest worden afgeleid. [10] Dat neemt overigens niet weg dat het spijtig is dat de Hoge Raad hierover geen duidelijkheid heeft geschapen. De zaak leende zich ervoor gegeven het oordeel van het Hof, en het is nu wachten op een procedure waarin het gaat om een uitgave voor een lijfrente in een andere situatie dan de FOR-omzettingssituatie.
lijfrenteopbouwersvergelijkbaar zijn met pensioenopbouwers voor de bijdrageheffing. Over FOR-opbouwers heeft de staatssecretaris zich niet uitgelaten, wat begrijpelijk is. Ik kom daar in onderdeel 17 op terug.
5.Documentatieverwijzing
BNB2019/72. [20] Voor de relevante rechtspraak over het discriminatieverbod in art. 14 EVRM Pro en in het Twaalfde Protocol EVRM verwijs ik naar onderdeel 5 van die conclusie; voor beschouwingen over rechtsherstel naar onderdeel 6 van die conclusie.
BNB2019/72) en een doe-het-zelf-lijfrentevoorziening in pijler 3 (categorie (iii) in HR
BNB2019/72) dezelfde doelstelling hebben: [21]
6.Beoordeling
BNB2019/72 ontweek een oordeel over categorie (iii) door alleen naar de gelijke behandeling van categorieën (ii) en (i) (FOR-dotatie- en pensioenpremie-gevallen) in de opbouwfase te kijken en vervolgens van de wetgever consistentie te eisen in de lijfrente-aankoopfase (die in pensioenpremiegevallen overigens niet bestaat). Na dat arrest kon dus gewacht worden op een categorie (iii)-geval, dat zich nu dan ook aandient in de personen van de belanghebbende en zijn echtgenote, die u vragen na A (gelijke behandeling
binnenpijler 2, tussen categorieën (i) en (ii)) ook B te zeggen (gelijke behandeling
tussenpijlers 2 en 3, i.e. tussen de categorieën (ii) en (iii)).
BNB2019/72 [23] betoogde dat voor de Zvw-premiegrondslagbepaling als gelijk moeten worden beschouwd (a) personen die hun boven-AOW-pensioen zelf (moeten) opbouwen met een lijfrenteverzekering, zoals de belanghebbende (categorie (iii) in uw arrest HR
BNB2019/72), en (b) cao-pensioenopbouwers (categorie (i) in HR
BNB2019/72) en ondernemers die verplicht een beroepspensioen of vrijwillig een FOR opbouwen (categorie (ii) in HR
BNB2019/72). Op basis van het doel van de Zvw-bijdrage - inkomensafhankelijke bekostiging van zorguitgaven - zie ik ook nu geen relevant verschil tussen de genoemde categorieën. Ook fiscaal zie ik geen verschil: in alle gevallen wordt de bijdrage voor de oudedagvoorziening - binnen wettelijke grenzen - geëlimineerd uit het fiscale inkomen. Het elimineren van pensioenpremies uit het fiscale loonbegrip, van verplichte pensioenbijdragen en FOR-dotaties uit de fiscale ondernemingswinst en van lijfrentepremies uit het verzamelinkomen dient het temporeel omkeren van de belastbaarheid van het voor de oude dag gereserveerde inkomen: de premie/dotatie is aftrekbaar en de uitkering/afkoop is belast (omkeerregel of EET [24] -systeem).
BNB2019/72), maar aangenomen moet worden dat het om voorkoming van dubbele Zvw-bijdrageheffing gaat (net zoals de aftrekbaarheid in de inkomstenbelasting de omkeerregel en daarmee de voorkoming van dubbele heffing dient), nu over pensioenuitkeringen en FOR-gefinancierde stamrecht-uitkeringen Zvw-bijdrage wordt geheven (art. 43(2)(d) Zvw). Ook bij de lijfrente-opbouwers/kopers (categorie (iii)) wordt over hun latere lijfrente-uitkeringen Zvw-bijdrage geheven, maar de door hen betaalde premie/koopsom is, hoewel wél aftrekbaar voor de inkomsten/loonbelasting, niet aftrekbaar voor de bepaling van hun Zvw-bijdrage-inkomen omdat, kort gezegd, de wetgever dat voor de fiscus te lastig uitvoerbaar vond. De vraag is of tussen hen en de categorieën (i) en (ii) een objectief verschil bestaat dat kan verklaren waarom zij wel en de categorieën (i) en (ii) niet dubbel belast worden met Zvw-bijdrage (dus of zij relevant en voldoende verschillen), dan wel (zo neen) of lastige uitvoerbaarheid rechtvaardigt dat zij dubbel worden belast.
bepaaldeinkomstenbron (box 1: werk en woning), maar op het
geheleinkomen als uitgave voor inkomensvoorzieningen. Zij heeft zich denkelijk daarom niet meer verdiept in eventuele rechtvaardigingsgronden voor de ongelijke (dubbele) belasting van categorie (iii)-gevallen.
periodieklijfrentepremiebetalenden. Dat in casu de voor lijfrente-aankoop gebruikte stakingswinst niet bestaat uit FOR-vrijval maar ineens fiscaal aftrekbaar in een oudedagsvoorziening wordt gestopt (verschil (d)), is mijs inziens trouwens hoe dan ook niet relevant voor de vraag of de belanghebbende qua inkomensafhankelijke zorgfinanciering en voorkoming van dubbele heffing vergelijkbaar is met de bijdrageplichtigen in de categorieën (i) en (ii) bij wie dubbele heffing wél wordt voorkomen. Fiscaal-technisch lijkt ook verschil (d) zelfs niet te bestaan: door de FOR-vrijval bij staking komt fiscaal-technisch ook een FOR-opbouwer in belanghebbendes positie: ook die FOR-opbouwer moet volgens de wet een lijfrente kopen om belaste winst te voorkomen en ook die aankoop is volgens de wet niet aftrekbaar voor de Zvw-bijdragebepaling (juist daarom heeft u de FOR-opbouwer moeten redden in HR
BNB2019/72). Ik zie niet hoe stakende ondernemers zonder FOR en werknemers wier werkgever geen pensioen voor hen opbouwt aftrek voor de bijdragebepaling ontzegd kan worden (en zij dus dubbel belast kunnen worden) enkel omdat zij niet na
periodiekeopbouw maar
ineensbij staking in hun oudedag voorzien, resp. enkel omdat hun werkgever niet in pensioenopbouw voorziet, en zij dus genoodzaakt zijn daar zelf in te voorzien. Evenmin zie ik hoe de mogelijkheid dat via lijfrenten een hogere of lagere voorziening opgebouwd wordt dan in pijler 2 (verschil (c)) zou kunnen verklaren dat bepaalde oudedagsvoorzieners dubbel belast worden en andere oudedagsvoorzieners niet. Mijns inziens kan geen van deze genoemde verschillen, als zij al bestaan, op welke wijze dan ook verklaren of rechtvaardigen dat de ene groep Zvw-verzekerde fiscale aftrek genietende oudedagsvoorzieners dubbel wordt belast en de andere groep Zvw-verzekerde fiscale aftrek genietende oudedagsvoorzieners niet.
isjuist de discriminatie van categorie (iii) ten opzichte van de categorieën (i) en (ii). De ongunstiger behandeling van categorie (iii) zal uiteráárd door een
anderverschil verklaard moeten worden dan het ongunstige verschil in behandeling. Ongelijke behandeling kan niet zichzelf verklaren. Er moet een vanuit de doelstellingen van de regeling bezien objectief verschil bestaan tussen de dubbel belasten en de enkelvoudig belasten dat die verschillende fiscale behandeling kan verklaren, of het verschil in heffing moet gerechtvaardigd kunnen worden door een grond van algemeen belang. Dat de wetgever voor de Zvw-bijdragegrondslag-aftrek “bewust” alleen de
binnenbronnelijke fiscale aftrek in box 1 (aftrekbare pensioenpremies en FOR-dotaties) volgde en dus even bewust de
bovenbronnelijke fiscale aftrek van uitgaven voor inkomensvoorzieningen (aftrekbare lijfrentekoopsommen en -premies) uitsloot,
isjuist de discriminatie: de wetgever belastte dus
bewustcategorie (iii)-gevallen dubbel.
BNB2019/72: u baseerde op het gegeven dat de wetgever de gevallen (i) en (ii) in de opbouwfase gelijk
behandelde, dat die gevallen dan ook gelijk zouden
zijn. U oordeelde vervolgens dat de wetgever dan willekeurig inconsistent (en daarmee kennelijk volgens u discriminatoir) handelde door de opbouwfase-gelijke behandeling alsnog te frustreren op het moment waarop de FOR geheel volgens de bedoeling van de wetgever vrijvalt om er een lijfrente uit te betalen. Zoals te verwachten viel, wreekt die benadering zich in het omgekeerde geval van onze belanghebbende, omdat u nu logischerwijze ook zou moeten oordelen dat als de wetgever gevallen
ongelijk behandelt, zij dan ook ongelijk
zijn. Maar dat maakt het discriminatieverbod betekenisloos: de ongelijke behandeling zou verklaard worden door de ongelijke behandeling. Het resultaat van deze benadering zou in belanghebbendes geval zijn dat
omdatde wetgever hem dubbel belast, hij niet gelijk is aan de Zvw-verzekerden die niet dubbel worden belast. Dat resultaat veroordeelt zichzelf. Vanuit het perspectief van
inkomensafhankelijke zorguitgaven-financiering en
voorkomingvan dubbele bijdrageheffing is juist onverklaarbaar waarom de ene groep Zvw-verzekerde fiscale aftrek genietende oudedagsvoorzieners dubbel wordt belast en de andere groep Zvw-verzekerde fiscale aftrek genietende oudedagsvoorzieners niet. De rechter moet
zelf, op basis van de doelen van de te toetsen regeling, de (on)gelijkheidsopvatting van de wetgever toetsen aan het discriminatieverbod. De rechter moet de wetgever een
margin of appreciationlaten bij zowel de vraag naar de (on)gelijkheid van de gevallen als die naar de rechtvaardigbaarheid en proportionaliteit van onderscheid tussen vergelijkbare gevallen, maar ik meen dat de wetgever die
marginduidelijk heeft overschreden bij de vraag of de categorieën (i), (ii) en (iii) vergelijkbaar zijn op in het licht van inkomensafhankelijke zorguitgavenfinanciering en voorkoming van dubbele bijdrageheffing. De belanghebbende moet dubbel Zvw-bijdragen betalen enkel omdat zijn oudedags-voorzieningopbouw fiscaal-technisch niet in box 1 viel (zoals pensioenpremies en FOR-dotaties), maar bovenbronnelijk in het verzamelinkomen. Dat
veroorzaaktjuist dubbele belasting en het dient de
inkomensafhankelijkheid van de bijdrage niet, maar vervuilt die juist.
BNB2019/72 worden beschouwd.
BNB2019/72 aanvoerde, nl. mogelijke uitvoeringsproblemen bij een groep Zvw-verzekerden waartoe de belanghebbende echter
nietbehoort, nl. bij (deeltijd) werknemers die aanvullend lijfrente opbouwen). Die mogelijke problemen bij andere gevallen dan dat van de belanghebben kan
zijnongelijke behandeling dus hoe dan ook niet rechtvaardigen. Bij (deeltijd)werknemers die naast hun AOW en cao-voorziening ook nog zelf aanvullende lijfrenten opbouwen kan volgens de fiscus voor het Zvw-bijdrage-inkomen geen rekening gehouden worden met lijfrentepremie-aftrek omdat er dan, naast de inhouding van loonbelasting, aan deze werknemers ook individuele aanslagen opgelegd zouden moeten worden en dat acht de fiscus niet praktisch. Zoals uiteengezet in de conclusie voor HR
BNB2019/72, is dit betoog, zo al feitelijk correct, hoe dan ook ongeschikt om de discriminatie van de belanghebbende te rechtvaardigen, die geen werknemer is, maar ondernemer, en aan wie hoe dan ook jaarlijks aanslagen opgelegd moeten worden. Ook u bleek niet onder de indruk van de in de zaak HR
BNB2019/72 door de Staatssecretaris aangevoerde en - in elk geval voor ondernemers - niet ter zake doende rechtvaardigingen voor de selectieve dubbele belasting van Zvw-bijdrageplichtigen.
BNB2019/72 meen ik dat rechtsherstel binnen de rechtsvormende taak van de rechter valt.