ECLI:NL:PHR:2021:856

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2021
Publicatiedatum
22 september 2021
Zaaknummer
20/01614
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33c SrArt. 36b SrArt. 552b SvArt. 1 EP EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing geldelijke tegemoetkoming eigenaar Audi A3 met gestolen onderdelen

De zaak betreft een verzoek van de klaagster om een geldelijke tegemoetkoming nadat haar Audi A3 met kenteken onttrokken was aan het verkeer wegens de aanwezigheid van gestolen onderdelen. De auto was in 2013 gekocht voor €11.700,- en op naam van de klaagster geregistreerd in 2014. Haar partner, die een garage had, gebruikte gestolen onderdelen bij het herstel van de auto.

Het hof wees het verzoek tot tegemoetkoming af omdat de klaagster volgens het hof niet als een willekeurige klant kon worden gezien en er aanwijzingen waren dat zij op de hoogte was van het omkatten van auto’s door haar partner. De klaagster ontkende echter kennis te hebben gehad van de strafbare feiten.

De advocaat-generaal concludeert dat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met het proportionaliteitsvereiste uit het EVRM en dat de afwijzing onvoldoende gemotiveerd is. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van het verzoek tot geldelijke tegemoetkoming.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de afwijzing van de geldelijke tegemoetkoming en wijst de zaak terug voor herbeoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/01614 B
Zitting28 september 2021
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de klaagster.

1.Het cassatieberoep

1.1.
Het gerechtshof Amsterdam heeft – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad [1] – bij beschikking van 3 september 2019 het verzoek tot toekenning van een geldelijke vergoeding in verband met de onttrekking aan het verkeer ex art. 552b Sv van de onder de klaagster inbeslaggenomen Audi A3 met kenteken [kenteken] afgewezen.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaak 20/02880B. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. R. Jonkers, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. De middelen keren zich tegen de afwijzing van het verzoek tot toekenning van een geldelijke tegemoetkoming als bedoeld in art. 36b jo 33c Sv.

2.Procesverloop

2.1.
Uit de gedingstukken blijkt het volgende procesverloop:
(i) Op 15 april 2014 is in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen [betrokkene 1] , de partner van de klaagster op de voet van art. 94 Sv Pro onder de klaagster een Audi A3 met kenteken [kenteken] in beslag genomen.
(ii) Deze [betrokkene 1] is op 22 juli 2016 door het hof veroordeeld ter zake van diefstal, gewoontewitwassen en gewoonteheling van auto’s, diefstal van kentekenplaten en gewoontewitwassen van auto-onderdelen. Daarbij is tevens de onttrekking aan het verkeer van voornoemde Audi A3 bevolen.
(iii) Op 20 oktober 2016 heeft de klaagster als belanghebbende een klaagschrift ex art. 552b Sv ingediend en verzocht de onttrekking aan het verkeer te herroepen en de Audi A3 aan haar te doen teruggeven. Subsidiair is verzocht om een tegemoetkoming als bedoeld in art. 36b jo 33c Sv.
(iv) De raadkamer van het hof heeft het klaagschrift op 31 maart 2017 ongegrond verklaard.
(v) Tegen deze beschikking is namens de klaagster beroep in cassatie ingesteld.
(vi) De Hoge Raad heeft op 19 februari 2019 de beschikking vernietigd, maar uitsluitend voor zover daarin niet is beslist op het subsidiaire verzoek tot toekenning van een geldelijke tegemoetkoming, en de zaak teruggewezen.
(vii) Vervolgens heeft het hof dit verzoek op 3 september 2019 afgewezen. Tegen deze beschikking is het cassatieberoep gericht.

3.De bestreden beschikking

3.1.
De zaak is na terugwijzing op 23 juli 2019 in raadkamer behandeld. Het hof heeft hetgeen door partijen is aangevoerd in zijn beschikking van 3 september 2019 als volgt samengevat:
“Standpunt klaagster
Klaagster stelt eigenaar van de auto te zijn. Zij heeft de auto rechtmatig verkregen en er is destijds € 11.700,- voor betaald. Klaagster heeft op geen enkele wijze verwijtbaar gehandeld. Zij heeft haar auto louter en alleen voor onderhoud naar de garage van haar partner ( [betrokkene 1] ) gebracht en had geen wetenschap van het feit dat er op enig moment een gestolen motorkap op de auto is gemonteerd.
Standpunt Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat er geen termen zijn voor enige
tegemoetkoming. Op basis van de stukken in het dossier is gebleken dat de Audi A3 feitelijk aan verdachte [betrokkene 1] toebehoorde. Er zijn aanwijzingen dat met desbetreffende auto strafbare feiten werden gepleegd. Van die auto waren de motorkap en de niet-identificeerbare airbags van misdrijf afkomstig en om die reden was het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd met de wet of met het algemeen belang.
Voorts is door de advocaat-generaal aangevoerd dat gezien de grote hoeveelheid gestolen spullen die in de auto gemonteerd waren en de nauwe relatie tussen [betrokkene 1] en klaagster het niet aannemelijk is dat zij van niets wist. Klaagster was geen willekeurige klant.”
3.2.
In aanvulling op de door het hof weergegeven standpunt van de klaagster maak ik nog melding van de door de raadsman in de raadkamer van 23 juli 2019 overgelegde pleitnotitie waarin het volgende naar voren is gebracht: [2]
“Anders dan de Advocaat-Generaal in zijn standpunt betoogd is het wat mij betreft evident dat [klaagster] de eigenaar van de Audi A3 met kenteken [kenteken] was. Mijn cliënte heeft het verhaal inmiddels meermalen uitgelegd. De auto was een cadeau van haar vader. De auto is in 2014 gekocht van [betrokkene 2] voor een bedrag van € 11.700,- Vervolgens is de auto op haar naam overgeschreven. Daar zijn ook bewijsstukken van. De auto blijkt schade te hebben, waarna de Audi naar de garage van [betrokkene 1] is gebracht, die er vervolgens - zo blijkt later - gestolen onderdelen in gezet heeft. Uit de onder mij bekende stukken blijkt nergens uit dat de Audi A3 feitelijk aan [betrokkene 1] toebehoorde, zoals door de Advocaat-Generaal wordt betoogd. Wel heeft cliënte wat mij betreft voldoende aannemelijk gemaakt dat de Audi van haar was.
(…) Het feit dat cliënte destijds een relatie had met [betrokkene 1] betekent nog niet dat zij op de hoogte was van zijn handelen. In de zaak tegen [betrokkene 1] waarbij zij kort als verdachte is gehoord, heeft zij ook meteen verklaard dat zij geen wetenschap had van het feit dat [betrokkene 1] haar auto had voorzien van gestolen onderdelen. In haar optiek heeft zij de auto enkel ter reparatie aangeboden bij de garage van haar vriend. Nooit heeft zij kunnen weten of vermoeden dat er op haar auto gestolen onderdelen gezet zouden worden.
Kort samengevat heeft mijn cliënte dus vijf jaar geleden (voor) € 11.700 euro een auto gekocht, even laten repareren, en is zij zo ongewild in de zaak van [betrokkene 1] betrokken waarbij haar auto in beslag genomen is. Door de onttrekking van het verkeer van deze auto is zij daarmee onevenredig in haar eigendomsbelangen getroffen, en is een geldelijke tegemoetkoming van in ieder geval het aankoopbedrag op zijn plaats.”
3.3.
Het hof heeft het verzoek afgewezen en daartoe het volgende overwogen:
“Beoordeling
Uit het dossier en het verhandelde in raadkamer komt naar voren dat de auto een schadeauto betreft die in juni 2013 in het bezit gekomen is van klaagster en/of haar partner [betrokkene 1] . Voor de auto is een bedrag van € 11.700,- betaald. Zowel klaagster en [betrokkene 1] waren bij de verkrijging van de auto op de hoogte van de schade aan de auto. De auto is gekocht met de bedoeling deze te laten herstellen door [betrokkene 1] , die een garage had. Eerst op 12 februari 2014 wordt klaagster bij de RDW geregistreerd als de nieuwe eigenaar/houder van de auto en wordt de auto ook daadwerkelijk gebruikt. Bij het herstel van de auto zijn onderdelen gebruikt die afkomstig zijn van diefstal. Dit betreft (onder meer) de motorkap en de airbags. De motorkap is afkomstig van een in Duitsland gestolen Audi A3. De carrosserie van deze auto wordt op 31 januari 2014 (onder water) aangetroffen, niet ver van de garage van [betrokkene 1] . Klaagster heeft verklaard dat zij wel eens had gehoord dat [betrokkene 1] zich bezig hield met het omkatten van auto’s.
Gelet op het voorgaande en het feit dat klaagster niet gezien kan worden als een willekeurige klant is het hof van oordeel dat klaagster door de onttrekking aan het verkeer niet onevenredig is getroffen en ziet het hof geen reden voor een geldelijke tegemoetkoming.”
3.4.
Ten slotte wijs ik nog op de volgende passage van verhoor van de klaagster als verdachte dat heeft plaatsgevonden op 2 juni 2014 en dat als bijlage 5 bij het initiële klaagschrift van 20 oktober 2016 bevindt:
“V: De politie heeft in een eerder onderzoek [betrokkene 1] ook aangehouden voor soortgelijke feiten als waar hij nu voor is aangehouden.
A: Ik heb het een en ander gehoord maar ik heb me er niet in verdiept.”

4.Volgorde van bespreking van de middelen

4.1.
Het eerste middel richt zich tegen de afwijzing van de geldelijke tegemoetkoming. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof niet heeft vastgesteld wie de eigenaar is van de auto.
Ik zal eerst het tweede middel bespreken omdat indien dit middel slaagt, het eerste middel geen bespreking meer behoeft. Op grond van art. 33c jo. 36b Sr kan een geldelijke tegemoetkoming immers uitsluitend toegekend worden aan de verdachte of een ander aan wie de aan het verkeer onttrokken voorwerpen toebehoren. Voorafgaand aan een beslissing over het toekennen of afwijzen van een geldelijke tegemoetkoming dient eerst te worden vastgesteld of de klaagster al dan niet als eigenaar kan worden aangemerkt.

5.Het tweede middel

5.1.
Ik kan over het tweede middel kort zijn. Naar mijn mening kan uit de overwegingen van het hof, in tegenstelling tot wat de steller van het middel aanvoert, wel worden afgeleid dat het hof ervan uit is gegaan dat de klaagster als eigenaar van de auto dient te worden aangemerkt. Het hof heeft immers vastgesteld dat de auto op 12 februari 2014, dus reeds voorafgaande aan het beslag dat op 15 april 2014 is gelegd, bij het RDW is geregistreerd op naam van de klaagster. Het hof heeft niets overwogen op grond waarvan moet worden aangenomen dat de klaagster desalniettemin niet als eigenaar zou moeten worden aangemerkt. [3]
5.2.
Dat betekent dat het tweede middel feitelijke grondslag mist en dus faalt.

6.Het eerste middel

6.1.
Zoals gezegd komt het eerste middel op tegen de afwijzing van de geldelijke tegemoetkoming en de wijze waarop het hof deze afwijzing heeft gemotiveerd. De kern van de klacht is dat het hof daarbij ten onrechte heeft meegewogen dat de klaagster verklaard zou hebben dat “zij wist dat [betrokkene 1] zich bezig hield met het omkatten van auto’s” op grond waarvan het hof heeft aangenomen dat de klaagster dus “niet gezien kan worden als een willekeurige klant”.
De afwijzing van de geldelijke tegemoetkoming is volgens de steller van het middel in het licht van hetgeen door de klaagster is aangevoerd onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, nu noch uit de verhoren, noch uit de processen-verbaal in raadkamer blijkt dat de klaagster voornoemde verklaring heeft afgelegd en ook steeds ten stelligste heeft ontkend wetenschap te hebben gehad van de strafbare activiteiten van [betrokkene 1] .
6.2.
Ik stel voorop dat – anders dan de toelichting op het middel vermeldt – het hof in zijn beschikking van 3 september 2019 niet heeft overwogen dat de klaagster heeft verklaard dat “zij wist dat [betrokkene 1] zich bezig hield met het omkatten van auto’s”, maar wel dat “zij wel eens had gehoord dat [betrokkene 1] zich bezig hield met het omkatten van auto’s”. De steller van het middel heeft gelijk, dat de klaagster in raadkamer steeds iedere betrokkenheid bij en wetenschap over de feiten waarvan haar partner [betrokkene 1] werd verdacht heeft ontkend en dat zij eenzelfde proceshouding heeft ingenomen tijdens haar verhoor als verdachte. Dat neemt niet weg dat zij in dat verhoor op 2 juni 2014 ook heeft verklaard dat zij “het een en ander gehoord” heeft over het feit dat de politie haar partner [betrokkene 1] in een eerder onderzoek heeft “aangehouden voor soortgelijke feiten als waar hij nu voor is aangehouden.” Uit de stukken blijkt dat [betrokkene 1] is aangehouden op verdenking van het feit dat hij in zijn garage beschadigde auto’s herstelde met gestolen of niet-identificeerbare auto-onderdelen, ook wel ‘omkatten’ genoemd. Met de overweging van het hof dat de klaagster heeft verklaard dat zij wel eens had gehoord dat [betrokkene 1] zich bezig hield met het omkatten van auto’s heeft het hof kennelijk het oog gehad op de wetenschap dat haar partner in het verleden is aangehouden op verdenking van onder meer het omkatten van auto’s.
6.3.
Wat daar ook van zij, waar het bij het eerste middel om gaat is of de vaststellingen van het hof voldoende aanleiding kunnen vormen om de klaagster een geldelijke tegemoetkoming te ontzeggen.
6.4.
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende uitgangspunten van belang. De geldelijke tegemoetkoming die de rechter ingevolge art. 33c, lid 2 Sr jo art. 36b, lid 2 Sr, kan toekennen is bedoeld om te voorkomen dat degene aan wie de aan het verkeer onttrokken voorwerpen toebehoren, door die onttrekking onevenredig zou worden getroffen. Of dat het geval is, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen worden betrokken hoe de eigenaar van het voorwerp zich in relatie tot dat voorwerp heeft gedragen, de waarde van het onttrokken voorwerp, alsmede het eventuele voordeel dat de Staat na de onttrekking met betrekking tot dat voorwerp verkrijgt, bijvoorbeeld door de verkoop van (onderdelen) daarvan. [4]
6.5.
Die regeling geeft invulling aan het in art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM (EP) besloten liggende proportionaliteitsvereiste. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat, wanneer een inbreuk op het eigendomsrecht een ‘individual and excessive burden’ op de betrokken persoon legt, geen sprake is van een ‘fair balance’ die op grond van art. 1 EP Pro dient te bestaan tussen het algemeen belang enerzijds en de bescherming van individuele rechten anderzijds. Bij de vraag of sprake is van een ‘individual and excessive burden’ kan de wijze waarop de persoon aan wie het voorwerp toebehoort zich heeft gedragen worden betrokken. [5] In de zaak Van G.I.E.M. S.R.L. e.a. tegen Italië [6] waarbij het ging om confiscatie van land in het kader van een strafzaak, verwoordde de Grote Kamer van het EHRM, het als volgt:
“301. The following factors may be taken into account in order to assess whether the confiscation was proportionate: the possibility of less restrictive alternative measures such as the demolition of structures that were incompatible with the relevant regulations or the annulment of the development plan; the unlimited nature of the sanction, as it affected both developed and undeveloped land, and even areas belonging to third parties;
and the degree of culpability or negligence on the part of the applicants or, at the very least, the relationship between their conduct and the offence in question [onderstreping AG TS].
6.6.
Waar het hof kennelijk het oog op heeft gehad is dat uit klaagsters gedrag een zekere vorm van verwijtbare betrokkenheid (culpability or negligence) bij het strafbare feit gepleegd door haar partner naar voren komt, waardoor niet kan worden gezegd dat de klaagster door de onttrekking aan het verkeer onevenredig getroffen is en dus ook geen recht heeft op een geldelijke tegemoetkoming. De vraag is of hetgeen het hof hieromtrent heeft overwogen voldoende is om die afwijzing te rechtvaardigen. Het gaat dan om de volgende feiten en omstandigheden:
(i) de klaagster was de partner van [betrokkene 1] ;
(ii) de auto is in juni 2013 gekocht voor € 11.700,-; [7]
(iii) zowel de klaagster als [betrokkene 1] waren op de hoogte van het feit dat deze auto schade had;
(iv) deze schade is hersteld in de garage van [betrokkene 1] met onderdelen die afkomstig zijn van diefstal en dat de carrosserie van deze auto op 31 januari 2014 onder water is aangetroffen, niet ver van de garage van [betrokkene 1] ;
(v) deze auto pas op 12 februari 2014, ongeveer negen maanden na verkrijging bij het RDW is geregistreerd [8] op naam van de klaagster.
6.1.
Ik ben de mening toegedaan dat de beslissing van het hof om de klaagster geen geldelijke tegemoetkoming toe te kennen onvoldoende gemotiveerd is. Daarbij weegt zwaar dat de klaagster in het onderzoek tegen [betrokkene 1] oorspronkelijk is aangemerkt als medeverdachte, maar dat het openbaar ministerie aanleiding heeft gezien de zaak tegen haar te seponeren en haar niet strafrechtelijk te vervolgen. Dat staat weliswaar niet gelijk aan een vrijspraak, maar ook dan brengt de presumptie van onschuld met zich mee dat een geldelijke tegemoetkoming niet zonder meer kan worden afgewezen op grond van “a degree of culpability or negligence”. De door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden aangevuld met de constatering dat de klaagster geen willekeurige klant is en zij wel eens had gehoord dat [betrokkene 1] zich bezig hield met het omkatten van auto’s (waarbij het hof niet heeft vastgesteld wanneer de klaagster daarvan op de hoogte is gekomen) is naar mijn mening onvoldoende om de belangenafweging in het nadeel van de klaagster te laten uitvallen. [9]
6.2.
Het middel is terecht voorgesteld.

7.Conclusie

7.1.
Het eerste middel slaagt en het tweede middel faalt.
7.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar het hof Amsterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2019:197, 17/02534B. Vernietiging beslissing maar uitsluitend voor zover daarin niet is beslist op het verzoek tot toekenning van een geldelijke tegemoetkoming en terugwijzing.
2.Met weglating van de voetnoten.
3.Zie a contrario: HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3452, NBSTRAF 2012/182 m.nt. mr. P.C. Verloop.
4.HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156, NJ 2019/328 m nt. T. Kooijmans, rov 3.4.1., HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:403, NJ 2020/239, m.nt. G.J.M.E. de Bont, HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1454.
5.EHRM 24 oktober 1986, nr. 9118/80, Agosi tegen het Verenigd Koninkrijk, par. 54.
6.EHRM 28 juni 2018, nr. 1828/06, G.I.E.M. S.R.L. e.a. tegen Italië.
7.Vgl. bijlage 3 bij het intiële klaagschrift: een rekeningafschrift van de klaagster met daarop weergegeven de overschrijving van een bedrag van € 11.700,- naar [betrokkene 2] met de omschrijving “Audi A3” op 11 juni 2013.
8.Vgl. bijlage 2 bij het intiële klaagschrift.
9.Zie ook de noot van Kooijmans onder HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1156, NJ 2019/328, onder 4.