Conclusie
(hierna:
ES)
SZV)
engagement letter) niet heeft opgezegd, zodat ES geen beroep kan doen op de daarin opgenomen ‘beëindigingsclausule’ en SZV jegens ES geen boete verschuldigd is, en dat de
engagement lettermet wederzijds goedvinden geëindigd is, zodat partijen thans over en weer bevrijd zijn van de daarin neergelegde verplichtingen. M.i. faalt het cassatiemiddel van ES en kan het bestreden vonnis in stand blijven.
1.Feiten
hof) in rov. 2.1-2.4 van zijn vonnis van 14 februari 2020 [1] (hierna: het
bestreden vonnis) vastgestelde feiten.
mantelovereenkomst) gesloten. In de mantelovereenkomst staat, voor zover van belang:
Artikel 2. Werkzaamheden
engagement letter.
engagement letterovereengekomen. In de
engagement letterzijn onder meer opgenomen vier (sub)project voorstellen en het volgende beëindigingsbeding:
2.Procesverloop
In eerste aanleg
gerecht) en gevorderd:
primair: de
engagement letterte ontbinden zonder toekenning van een vergoeding;
subsidiair: te verklaren voor recht dat SZV de
engagement lettermag opzeggen, althans (buitengerechtelijk) mag ontbinden, zonder toekenning van een vergoeding;
primair en subsidiair: ES te veroordelen in de kosten van deze procedure, met inbegrip van het salaris van gemachtigden en daarbij te bepalen dat 14 dagen na vonniswijzing wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal worden.
deliverables, en geen inzage te geven in de op handen zijnde projectwerkzaamheden, tijdslijnen en kosten, en bij diverse hoge facturen ongespecificeerde bedragen in rekening te brengen, in strijd heeft gehandeld met art. 2 lid 3 en Pro art. 5 mantelovereenkomst Pro en met het bepaalde in art. 7:401 t/m 7:403 BW Sint Maarten.
ES heeft ter verweer, kort gezegd, betwist dat zij de uit de mantelovereenkomst of de wet op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, aangevoerd dat zij voor de uitwerking van de vier in de
engagement lettervermelde subprojecten een gedetailleerd en afgebakend projectplan heeft opgesteld, voorzien van tijdslijnen, en geconcludeerd tot ontbinding van de
engagement lettermet veroordeling van SZV in de proceskosten. Voorts heeft ES, kort gezegd, een reconventionele eis ingesteld en in dat verband betaling gevorderd van NAf. 1.863.400,- (vermeerderd met wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening), zijnde het boetebedrag (“het bedrag aan penalty”) dat SZV overeenkomstig de
engagement lettermoet betalen wegens haar vroegtijdige beëindiging, alsmede veroordeling van SZV in de proceskosten, met als grondslag dat SZV de
engagement lettervroegtijdig heeft beëindigd en daarom verplicht is conform de beëindigingsclausule in de
engagement lettereen boete te betalen die gelijk is aan de resterende looptijd van de
engagement letter.
SZV heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering in reconventie. Zij heeft onder meer aangevoerd dat het beëindigingsbeding niet van toepassing is als de schuldeiser zelf tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen.
eindvonnis) de conventionele vordering van SZV afgewezen en de reconventionele vordering van ES toegewezen.
In conventie (waarin voorlag of ES is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de
engagement letteren, zo ja, of die tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt, zie rov. 3.1-3.3 en 4.1-4.4 eindvonnis) heeft het gerecht overwogen, kort gezegd:
engagement letteren het projectplan uitvoering gegeven is; [2]
engagement letteraan te passen, onder meer in die zin dat technische ondersteuning er buiten zou vallen en dat art. 5 mantelovereenkomst Pro bepaalt dat SZV te allen tijde tijdig aangekondigde en verantwoorde wijzingen kan aanbrengen in de wijze waarop de uitvoering van de werkzaamheden door ES geschiedt, maar dat dit niet meebrengt dat zolang de opdracht als vervat in de
engagement letterniet is aangepast, ES kan worden verweten conform de dan geldende afspraken te hebben gehandeld; [3]
engagement letterheeft geschonden; [4]
engagement lettermag worden opgezegd zonder toekenning van een vergoeding, bij gebrek aan voldoende onderbouwing wordt afgewezen, zodat SZV in de proceskosten moet worden verwezen. [6] In reconventie (waarin voorlag of SZV gehouden is om overeenkomstig de in de
engagement letterneergelegde “beëindigingsclausule” aan ES een boete te betalen wegens opzegging van die overeenkomst, zie rov. 3.3-3.5 eindvonnis) heeft het gerecht overwogen:
engagement letterdient te worden aangemerkt als een opzegging daarvan en dat 6 juli 2016 als opzeggingsdatum geldt omdat op die datum de mantelovereenkomst door SZV is opgezegd waarmee voor ES duidelijk kon zijn dat SZV ook de
engagement letterniet meer zou uitvoeren; [7]
engagement lettervoortvloeiende verplichtingen en dat het verweer van SZV dat de beëindigingsclausule enkel ziet op beëindiging van de
engagement letterdoor opzegging niet hoeft te worden behandeld, aangezien vaststaat dat de
engagement letterniet is beëindigd door ontbinding of anderszins maar door opzegging, zodat het beëindigingsbeding toepasselijk is; [8]
engagement letteris tekortgeschoten faalt, nu geen sprake is van een tekortkoming van de zijde van ES; [9]
engagement lettergeen schade heeft geleden, de aard van de overeenkomst geen aanleiding tot matiging geeft, de inhoud en strekking van het beëindigingsbeding evenmin zodanig zijn dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat toepassing daarvan achterwege moet blijven, en dat voor zover de omstandigheden waaronder het beding tot stand is gekomen bij de beoordeling een rol dienen te spelen, zoals SZV stelt, ook deze omstandigheden niet tot matiging leiden. [10]
engagement lettermet ingang van 6 juli 2016, ingevolge het beëindigingsbeding SZV aan ES verschuldigd is NAf. 1.738.800,-, te weten 138 weken maal 36 uur maal NAf. 350,-, en dat SZV in de proceskosten moet worden verwezen. [11]
primair: de
engagement letterte ontbinden zonder toekenning van een vergoeding en ES te veroordelen tot terugbetaling aan SZV van de bedragen die op basis van het eindvonnis aan ES zijn betaald, tot een maximumbedrag van NAf. 1.757.550,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover;
subsidiair: voor recht te verklaren dat SZV de
engagement lettermag opzeggen althans (buitengerechtelijk) mag ontbinden, zonder toekenning van een vergoeding;
meer subsidiair: voor recht te verklaren dat ES de
engagement letterheeft opgezegd, zonder toekenning van een vergoeding;
nog meer subsidiair: voor recht te verklaren dat de
engagement letteris beëindigd met wederzijds goedvinden, zonder toekenning van een vergoeding;
nog meer subsidiair: de opzeggingsboete te matigen naar nihil, althans naar een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;
engagement letter, mantelovereenkomst en art. 7:401 t/m 7:403 BW Sint Maarten, omdat ES heeft geweigerd de instructies van SZV op te volgen, ES heeft geweigerd inzicht te geven in de reeds uitgevoerde en gefactureerde werkzaamheden en bij ES de deskundigheid ontbreekt de opdracht uit te voeren, en dat uit de brief van 6 juli 2016 blijkt dat SZV de mantelovereenkomst wenste op te zeggen maar daaruit niet volgt dat SZV ook de wil heeft gehad ook de
engagement letterop te zeggen, zodat de beëindigingsclausule niet van toepassing is.
Bij schriftelijk pleidooi heeft ES geconcludeerd tot bevestiging van het eindvonnis en tot niet-ontvankelijkheid althans afwijzing van de vorderingen van SZV in conventie en tot bevestiging van de veroordeling en de vorderingen in reconventie, een en ander zo nodig onder aanvulling of verbetering van gronden, met veroordeling van SZV in de kosten, waartoe zij, ter bestrijding van de grieven van SZV, onder meer en kort gezegd heeft aangevoerd dat zij niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de opdracht, dat SZV met de brief van 6 juli 2016 de gehele opdrachtrelatie heeft beëindigd en dus ook de
engagement letter,en dat de beëindigingsclausule van toepassing is zodat SZV verplicht is tot betaling van het daarin overeengekomen boetebedrag.
SZV heeft eveneens schriftelijk gepleit en daarbij de genoemde ongedaanmakingsvordering ingediend.
engagement letteris beëindigd met wederzijds goedvinden, zonder toekenning van een vergoeding;
engagement letterneergelegde verplichtingen) verwerpt het hof vervolgens in rov. 3.4 bestreden vonnis, op de grond, kort gezegd, dat de feiten en omstandigheden en de argumenten die SZV voor de gestelde wanprestatie aanvoert - gelet op de gemotiveerde betwisting van ES - onvoldoende onderbouwd zijn om daartoe te concluderen.
engagement letterop te zeggen en bestreed zij het oordeel van het gerecht dat deze brief een opzegging bevat. Vanaf juli 2016 heeft ES haar werkzaamheden gestaakt, waarmee zij de
engagement letterheeft opgezegd en niet SZV. Volgens SZV is de opzeggingsclausule niet toepasselijk bij ontbinding en streeft zij in de onderhavige procedure ontbinding na. Hierover oordeelt het hof in rov. 3.5-3.6 bestreden vonnis:
3.Bespreking cassatiemiddel
Onderdeel 1(2.1) en
onderdeel 2(2.2) zijn gekant tegen rov. 3.5 bestreden vonnis en bestaan uit respectievelijk negen subonderdelen (2.1-I t/m 2.1-IX) en vier subonderdelen (2.2-I t/m 2.2-IV).
Onderdeel 3(2.3) is gericht tegen rov. 3.6 bestreden vonnis en bestaat uit twee subonderdelen (2.3-I en 2.3-II).
Onderdeel 4(2.4) ziet op rov. 3.1 en 3.8 bestreden vonnis.
Onderdeel 5(2.5), ten slotte, komt erop neer dat gegrondbevinding van een of meer van de voorgaande klachten tegen rov. 3.5 en 3.6 bestreden vonnis de daarop voortbouwende rov. 3.7 en 3.8 en het dictum bestreden vonnis raakt.
engagement letteromdat ES volgens haar wanpresteert,
termination on part of SZV for any reason” [15]
engagement letteris beëindigd. “Dit wordt hierna nog verder uitgewerkt en toegelicht”, alsnog nog steeds het subonderdeel.
Het subonderdeel bevat m.i. geen zelfstandige klacht. [18] Voor zover dat anders zou zijn, loopt het subonderdeel erop vast dat deze klacht dan niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van art. 407 Rv Pro. Het subonderdeel doet immers enkel beroep op stellingen, omstandigheden en overwegingen zonder uit te leggen waarom deze stellingen, omstandigheden en overwegingen ertoe zouden leiden dat de aangevallen overwegingen van het hof in rov. 3.5 bestreden vonnis rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn.
Hierop stuit het subonderdeel af.
engagement letterbehelst. Het hof gaat met dit oordeel, waarbij het enkel acht slaat op de inhoud van de brief van 6 juli 2016, uit van een onjuiste rechtsopvatting, omdat opzegging een eenzijdige rechtshandeling is waarvan het tot stand komen op grond van art. 3:33 en Pro 3:35 BW Sint Maarten wordt vastgesteld. Er moet sprake zijn van een op rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard, waarbij waarde wordt toegekend aan het bij de geadresseerde opgewekte vertrouwen, zodat, ook als de wil zou ontbreken, er een rechtshandeling tot stand kan komen. De verklaring kan op grond van art. 3:37 BW Pro Sint Maarten vormvrij worden gedaan. Zij kan dan ook in gedragingen besloten liggen. Het hof heeft dit miskend.
Bij de beoordeling van de grief stelt het hof in rov. 3.5 bestreden vonnis voorop dat niet beslissend is de letterlijke tekst van de brief van 6 juli 2016, maar de betekenis die ES in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de inhoud van deze brief mocht toekennen, waarbij mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen de partijen horen en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht, alsmede of voorafgaand aan de brief reeds overleg tussen opdrachtnemer en opdrachtgever over de voorgenomen beëindiging heeft plaatsgevonden. Daarop laat het hof volgen:
Hierop stuit het subonderdeel af.
engagement letterniet langer gestand wil(de) doen voor wat de toekomst betreft. Het hof miskent dat het was gehouden al deze “omstandigheden” bij zijn oordeel te betrekken nu ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2018 [22] (ook) de eenzijdige rechtshandeling of mededeling, zoals gedaan bij brief van 6 juli 2016, moet worden uitgelegd “aan de hand van art. 3:33 en Pro art. 3:35 BW Pro”, waarin de wilsvertrouwensleer is neergelegd, en dat daarbij alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Indien het hof dat niet miskent, geeft het geen inzicht in zijn gedachtegang dan wel een onbegrijpelijk oordeel. [23]
Hetgeen het subonderdeel aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie dat het oordeel van het hof in rov. 3.5 bestreden vonnis blijk geeft van een miskenning van de (in het samenstel van art. 3:33 en Pro 3:35 BW Sint Maarten neergelegde) wilsvertrouwensleer, met inbegrip van het gegeven dat in dat verband de omstandigheden van het geval van belang zijn, noch van een ontoereikende motivering ter zake. Daarbij betrek ik, naast de behandeling van subonderdeel 1.2 (zie onder 3.6 hiervoor), dat het hof de stellingen van partijen waarnaar het subonderdeel verwijst slechts bij zijn beoordeling in rov. 3.5 (kort gezegd: of de brief van 6 juli 2016 ook een opzegging van de
engagement letterbehelsde) had te betrekken voor zover deze (ook) in dat kader zijn aangevoerd, en dat bestudering van de door het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de processtukken van partijen leert dat dit - naar het geenszins onbegrijpelijke oordeel van het hof, aan wie de uitleg van de gedingstukken in beginsel is voorbehouden - niet het geval is, [24] zodat niet valt in te zien dat door deze stellingen (“omstandigheden”) niet ook in zijn oordeel te betrekken het hof, dat blijkens het partijdebat juist aansluit bij hetgeen door partijen ter zake - dus ook aan relevante omstandigheden - is aangevoerd, [25] en waaruit overigens en logischerwijs volgt dat de brief van 6 juli 2016 voor ES niet uit de lucht kwam vallen, [26] blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk oordeel zoals bedoeld in het subonderdeel. Dat ES dit beroep op, kort gezegd, “de gedragingen van SZV die vooraf gingen aan de brief van 6 juli 2016 (het weigeren verder uitvoering aan de overeenkomst te geven)” niet voor het eerst in cassatie kan doen, behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuit het subonderdeel af.
ook volgens het hof zonder enige grondis opgehouden uitvoering aan de overeenkomsten te geven en aldus de samenwerking heeft opgeblazen en vervolgens met andere partijen in zee is gegaan met wie zij al in gesprek was. [29] Door vervolgens te oordelen dat door SZV
nietis opgezegd, zonder enige motivering te wijden aan het feit dat het SZV is die zonder aanleiding ophield met het uitvoeren van de overeenkomst en wat ES daaruit (in combinatie met de brief van 6 juli 2016) mag opmaken, miskent het hof dat
het alle omstandigheden van het geval moet betrekkenbij de beoordeling of sprake is van een opzegging (“de artikelen 3:33 en 3:35 BW”), waarbij tevens gewicht toekomt aan het feit dat ingevolge art. 3:37 BW Pro Sint Maarten de opzegging in een vormvrije verklaring kan geschieden. Indien het hof van een andere rechtsopvatting is uitgegaan, is het oordeel rechtens onjuist en voor zover het hof deze artikelen wel in zijn oordeel heeft betrokken, is het vonnis in het licht van het oordeel dat ES geen wanprestatie pleegde innerlijk tegenstrijdig. Bovendien had het hof zijn oordeel op dit punt - hoe dan ook - nader moeten motiveren, aldus nog steeds het subonderdeel.
Het gerecht heeft in rov. 4.1-4.5 eindvonnis ontkennend beantwoord de door SZV in conventie aan de orde gestelde vraag of ES tekortgeschoten is in de nakoming van de verplichtingen uit de
engagement letteren, zo ja, of die tekortkoming ontbinding rechtvaardigt. Anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, heeft het gerecht daarbij niet (ook) vastgesteld dat SZV ten onrechte voor 5/6 juli 2016 stopte met het uitvoeren van de overeenkomst. Dat het hof grief 2 van SZV (waarmee SZV aanvoerde dat het gerecht in rov. 4.1-4.5 ten onrechte heeft geoordeeld dat ES niet tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen zoals neergelegd in de
engagement letter) verwerpt in rov. 3.4 bestreden vonnis, in essentie omdat de feiten en omstandigheden en de argumenten die SZV voor de gestelde wanprestatie van ES heeft aangevoerd - gelet op de gemotiveerde betwisting van ES - onvoldoende onderbouwd zijn om daartoe te concluderen, maakt daarom niet, anders dan het subonderdeel verder ten onrechte tot uitgangspunt neemt, dat het hof het door het subonderdeel bedoelde geschilpunt beslecht in rov. 3.4, dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat SZV ten onrechte voor 5/6 juli 2016 stopte met het uitvoeren van de overeenkomst of dat SZV ook volgens het hof toen zonder enige grond is opgehouden uitvoering aan de overeenkomsten te geven en aldus de samenwerking heeft opgeblazen en vervolgens met andere partijen in zee is gegaan met wie zij al in gesprek was. In zoverre gaat het subonderdeel uit van een verkeerde lezing van (het eindvonnis en) het bestreden vonnis en mist het daarmee feitelijke grondslag. In het verlengde daarvan strandt het subonderdeel ook voor het overige. Nu van hetgeen het subonderdeel als “feit” presenteert (dat het SZV is die zonder aanleiding ophield met het uitvoeren van de overeenkomst) in werkelijkheid dus geen sprake is althans niet op hier relevante wijze, waarover hiervoor, kan evenmin worden gezegd dat het hof zijn oordeel in rov. 3.5 (in de woorden van het subonderdeel) “dat door SZV
nietis opgezegd” ontoereikend motiveert door daarbij niet enige motivering te wijden aan dat “feit” en wat ES “daaruit (in combinatie met de brief van 6 juli 2016)” mag opmaken, noch dat het hof miskent dat het alle omstandigheden van het geval moet betrekken bij de beantwoording, op basis van de (in het samenstel van art. 3:33 en Pro 3:35 BW Sint Maarten neergelegde) wilsvertrouwensleer, van de in rov. 3.5 voorliggende vraag, waarover ook onder 3.6 en 3.8 hiervoor. Voor zover het subonderdeel betoogt dat het hof miskent dat een opzeggingsverklaring op grond van art. 3:37 BW Pro Sint Maarten vormvrij kan worden gedaan en dan ook in gedragingen besloten kan liggen, ziet het eraan voorbij - gelijk het geval is bij subonderdeel 1.2, waarover onder 3.6 hiervoor - dat het hof dit evenmin miskent, daar het hof in rov. 3.5 antwoord geeft op de hier voorliggende vraag naar de betekenis die ES in de gegeven omstandigheden, waaronder relevante gedragingen, redelijkerwijs mocht toekennen aan de inhoud van de brief van 6 juli 2016, waarmee het hof geenszins (ook) tot uitdrukking brengt dat zo’n opzeggingsverklaring niet ook in een of meer gedragingen besloten zou kunnen liggen, wat hier dus niet (ook) ter beoordeling door het hof voorlag (ook niet over de band van het door het subonderdeel bedoelde “feit”). Voor zover het subonderdeel betoogt dat het hof van een andere rechtsopvatting is uitgegaan dan hiervoor uiteengezet, gaat het subonderdeel eveneens uit van een verkeerde lezing van het bestreden vonnis en mist het daarmee eveneens feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel nog - met feitelijke grondslag - aanvoert dat ’s hofs oordeel in rov. 3.5 (dus: “dat door SZV
nietis opgezegd”) innerlijk tegenstrijdig is met zijn oordeel in rov. 3.4 (in de woorden van het subonderdeel) dat ES “geen wanprestatie pleegde”, geldt dat dit, ook met inachtneming van hetgeen het subonderdeel aanvoert, zonder toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien. Dat volgens het hof de feiten en omstandigheden en de argumenten die SZV voor de gestelde wanprestatie van ES heeft aangevoerd - gelet op de gemotiveerde betwisting van ES - onvoldoende onderbouwd zijn om daartoe te concluderen, waarmee het in rov. 3.4 grief 2 van SZW verwerpt, laat immers naar de aard onverlet dat, zoals het hof overweegt in rov. 3.5 waarmee het grief 3 van SZW honoreert, ES in de gegeven omstandigheden aan de inhoud van de brief van SZW van 6 juli 2016 redelijkerwijs niet de betekenis mocht toekennen dat SZW daarmee (ook) de
engagement letteropzegde. De slotzin van het subonderdeel (“Bovendien had het hof”, etc.) behoeft bij deze stand van zaken, en gelet op het gebrek aan enige uitwerking van die slotzin, geen verdere behandeling.
Hierop stuit het subonderdeel af.
qua rechtsgevolgentwee verschillende rechtsfiguren zouden zijn, dat oordeel rechtens onjuist en onbegrijpelijk is omdat zowel opzegging als ontbinding uitsluitend werking voor de toekomst heeft en SZV daarnaast geen schadevergoeding heeft gevorderd.
Vooropgesteld zij dat voor zover het subonderdeel voortbouwt op de subonderdelen 1.2 (2.1-II) t/m 1.4 (2.1-IV), die falen, het deelt in het lot daarvan. Zie onder 3.6, 3.8 en 3.10 hiervoor. Vooropgesteld zij verder dat het hof in rov. 3.5 bestreden vonnis niet beoordeelt of SZV de
engagement letterfeitelijk (dus: anders dan met de brief van 6 juli 2016) heeft opgezegd noch oordeelt dat sprake is van een feitelijke opzegging van de
engagement letterzijdens SZV door haar handelen en nalaten (gedragingen), zodat het subonderdeel, voor zover het dit wel tot uitgangspunt neemt, uitgaat van een verkeerde lezing van het bestreden vonnis en daarmee feitelijke grondslag mist. Dit laatste geldt ook voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat ‘s hof motivering van zijn beoordeling in rov. 3.5 van grief 3 van SZV “alleen ziet op (de letterlijke tekst van) de brief van 6 juli 2016 en dan nog alleen voor zover daarin slechts een niet geslaagde poging wordt gedaan de opzegging van een ander label (ontbinding) te voorzien”, nu die motivering verder reikt, zoals lezing van rov. 3.5 leert. Voor het overige loopt het subonderdeel erop vast dat waar in hoger beroep, naar aanleiding van de vier grieven van SZV zoals bestreden door ES, niet (ook) ter beoordeling aan het hof voorlag (ook niet na het slagen van grief 3), los van de vraag of ES de brief van 6 juli 2016 in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht en kon opvatten als inhoudende tevens een opzegging zijdens SZV van de
engagement letter(waarop grief 3 ziet), of, naar ES redelijkerwijs mocht en kon menen, sprake was van een feitelijke opzegging zijdens SZV van de
engagement letterdie besloten lag in SZV’s handelen en nalaten (gedragingen), wat door het gerecht niet is geoordeeld en door partijen onder wie dus ES - naar het geenszins onbegrijpelijke oordeel van het hof, aan wie de uitleg van de gedingstukken in beginsel is voorbehouden - in feitelijke instanties niet is aangevoerd, [31] het hof niet gehouden was tot een nadere motivering althans beoordeling zoals bedoeld in het subonderdeel (zie in het bijzonder het verzoekschrift tot cassatie, p. 12, voorlaatste alinea beginnend met “In het licht van deze gedingstukken”, etc.), zodat de daarin bedoelde onbegrijpelijkheid van ’s hofs oordeel dat de
engagement letterdoor SZV niet is opgezegd (zie ook het kopje boven het subonderdeel: “Oordeel dat er niet is opgezegd onbegrijpelijk”) zich evenmin voordoet. Daarbij zij nog opgemerkt dat het hof, gelet ook op rov. 3.6, niet uitgaat van een “onterecht feitelijk beëindigen” van de
engagement letterdoor SZV (zie het verzoekschrift tot cassatie, p. 12, bovenaan) en dat “de wil” van SZV om via ontbinding van de
engagement lettertot beëindiging daarvan te komen (zie ook het verzoekschrift tot cassatie, p. 12, bovenaan) nog niet meebrengt dat, waar het hof grief 2 van SZV verwerpt en die door SZV nagestreefde ontbinding dus ook in hoger beroep niet wordt gehonoreerd, alsnog sprake zou zijn van zo’n onterechte feitelijke beëindiging van de
engagement letterdoor SZV, al dan niet door opzegging daarvan (wat het hof dus ook niet oordeelt). Tot slot: voor zover het subonderdeel aanvoert (zie het verzoekschrift tot cassatie, p. 12, slotalinea, beginnend met: “Indien en voor zover het hof”, etc.) dat het oordeel van het hof in rov. 3.5 onjuist en onbegrijpelijk is, indien en voor zover het ervan zou zijn uitgegaan dat opzegging of ontbinding
qua rechtsgevolgentwee verschillende rechtsfiguren zijn, strandt het omdat ontbinding en opzegging ook qua rechtsgevolgen weldegelijk twee verschillende rechtsfiguren zijn. [32] Dit behoeft geen verdere toelichting.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 1.5 (2.1-V), dat faalt, deelt het in het lot daarvan. Zie onder 3.12 hiervoor. Dit nog daargelaten dat het subonderdeel niet afdoende duidelijk maakt waarom de uitleg van de brief van 6 juli 2016 door het hof in rov. 3.5 bestreden vonnis in het licht van de in dat subonderdeel genoemde gedingstukken onbegrijpelijk is. Voor zover het subonderdeel (“Daarbij komt dat deze stelling”, etc.) ervan uitgaat dat de uitleg van de brief van 6 juli 2016 door het hof in rov. 3.5 (in het kader van grief 3 van SZV) onbegrijpelijk is gezien ’s hofs weigering in rov. 3.4 (in het kader van grief 2 van SZV) om aan te nemen dat ES tekort is geschoten in haar verplichtingen uit de
engagement letterzoals gesteld door SZV, loopt het erop vast dat dit laatste naar de aard nog niet eraan in de weg staat dat, zoals het hof aanneemt in rov. 3.5, SZV blijkens die brief destijds niet de bedoeling had (ook) de
engagement letterop te zeggen (maar koerste op ontbinding daarvan, waar zij de mantelovereenkomst wel opzegde bij die brief van 6 juli 2016) [33] en ES in de gegeven omstandigheden die brief redelijkerwijs ook niet in andere zin mocht en kon opvatten. Voor het overige strandt het subonderdeel reeds op de grond dat, ook als achteraf en objectief gezien blijkt dat SZV ten tijde van de brief van 6 juli 2016 in schuldeisersverzuim verkeerde waardoor haar op grond van art. 6:58 BW Pro Sint Maarten jo. art. 6:266 lid 1 BW Pro Sint Maarten geen ontbindingsverzoek ter beschikking stond, dit naar de aard nog niet eraan in de weg staat, ook niet als rov. 3.4 daarbij wordt betrokken, dat, zoals het hof aanneemt in rov. 3.5, SZV blijkens die brief destijds niet de bedoeling had (ook) de
engagement letterop te zeggen (maar koerste op ontbinding daarvan, waar zij de mantelovereenkomst wel opzegde bij die brief van 6 juli 2016) en ES in de gegeven omstandigheden die brief redelijkerwijs ook niet in andere zin mocht en kon opvatten. Dit nog daargelaten dat door ES in feitelijke instanties niet is aangevoerd (in het kader van de uitleg van de brief van 6 juli 2016) dat SZV (kenbaar) in schuldeisersverzuim verkeerde en haar “mitsdien” op grond van art. 6:58 BW Pro Sint Maarten jo. art. 6:266 lid 1 BW Pro Sint Maarten geen ontbindingsverzoek ter beschikking stond, althans dat het subonderdeel niet wijst op stellingen (laat staan met vindplaatsen in de gedingstukken) van ES waarin zij dit in feitelijke instanties heeft aangevoerd. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat het subonderdeel het hof terecht beticht van een miskenning, gebrek aan gegeven inzicht in de gedachtegang of onbegrijpelijk oordeel, zoals bedoeld in het subonderdeel.
Hierop stuit het subonderdeel af.
engagement letteris opgezegd, nu de overeenkomsten zodanig samenhangen dat de ene niet zonder de andere kan bestaan. [34] Omdat het hof daarop niet is ingegaan, heeft in cassatie als hypothetisch feitelijke grondslag te gelden dat deze stelling juist is. “In dat verband” is onjuist en onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat ES de brief niet in andere zin mocht en kon opvatten dan dat het niet de bedoeling was van SZV om de
engagement letterop te zeggen, althans is het oordeel van het hof onvoldoende met redenen omkleed.
Het subonderdeel wijst op wat ES heeft betoogd bij haar pleitnotities in hoger beroep onder nr. 54, als onderdeel van haar bestrijding van grief 3 van SZV in nrs. 54-56 onder “
Ad grief 3” (die samen minder dan een pagina aan tekst beslaan). ES heeft daarin ter zake aangevoerd dat “opzegging/beëindiging” van de mantelovereenkomst zonder tevens beëindiging van de
engagement letter“niet goed voor te stellen is en niet logisch is” en dat juist door de mantelovereenkomst zonder meer (en onvoorwaardelijk) te beëindigen, SZV te kennen gaf (zoals zij ook met zoveel woorden communiceert in de opzeggingsbrief van 6 juli 2016) daarmee een einde te (willen) maken aan de opdrachtrelatie met ES, waarbij ES volledigheidshalve verwijst “naar de opmerkingen reeds hierboven”. Het hof ziet daaraan niet voorbij in rov. 3.5 bestreden vonnis, maar oordeelt dat, waar bij de voorliggende beoordeling van grief 3 beslissend is (niet de letterlijke tekst van de brief van 6 juli 2016, maar) de betekenis die ES in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de inhoud van de brief van 6 juli 2016 mocht toekennen
omtrent SZV’s bedoelingter zake, [35] uit de heldere bewoordingen (“de tekst”) van de brief niet kan worden afgeleid dat het de bedoeling van SZV was (ook) de
engagement letterop te zeggen (de mantelovereenkomst wordt door SZV opgezegd, waarbij zij tevens aankondigt dat voor de
engagement lettereen ontbindingsprocedure bij de rechter zal worden geëntameerd), en de brief is opgesteld en verstuurd nadat beide partijen inmiddels een advocaat hadden ingeschakeld en partijen en hun advocaten op 5 juli 2016 een gezamenlijke bespreking hebben gehad die kennelijk niet tot een oplossing van het conflict/impasse heeft geleid, ES de brief ook niet in andere zin mocht en kon opvatten (dus dat het wel de bedoeling van SZV was (ook) de
engagement letterop te zeggen), [36] met als slotsom dat ES geen beroep kan doen op de opzeggingsclausule zodat de boete niet verschuldigd is. Hierin ligt besloten dat naar ’s hofs oordeel bij deze stand van zaken voornoemde betoog van ES in haar pleitnotitie in hoger beroep (dat het hof dus onderkent) hoe dan ook niet meebrengt dat zij de brief wel in andere zin kon én mocht opvatten (dus dat het wel
de bedoeling van SZVwas (ook) de
engagement letterop te zeggen), welk oordeel, gelet op het voorgaande, waaronder:
engagement letterop te zeggen, alsook blijkt dat naar SZV’s mening destijds de mantelovereenkomst beëindigd kan worden zonder tevens de
engagement letterte beëindigen, [37]
engagement letterzodanig samenhangen dat de laatste rechtens niet zonder de eerste kan bestaan, zodat hier ook niet ter zake doet of dit, zo mogelijk, in cassatie als hypothetisch feitelijke grondslag zou gelden) [38] op grond van hetgeen het subonderdeel aanvoert. Gelet op dit een en ander valt niet in te zien dat wat het subonderdeel aanvoert de slotsom rechtvaardigt dat ’s hofs bestreden oordeel (dat ES “de brief niet in andere zin kon en mocht opvatten dan dat het
nietde bedoeling was van SZV om de engagementletter op te zeggen”) onjuist, onbegrijpelijk althans onvoldoende met redenen omkleed zou zijn.
Hierop stuit het subonderdeel af.
dusgeen sprake is van een opzegging. Het feit dat het gerecht heeft vastgesteld dat in het handelen en nalaten van SZV de opzegging besloten ligt, blijft immers staan. In subonderdelen 1.2 (2.1-II) en 1.3 (2.1-III) is al aangevoerd dat voor zover het hof meent dat een handelen en nalaten van SZV onvoldoende is om een opzegging te kunnen vaststellen, dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Het gerecht heeft in rov. 4.4-4.5 eindvonnis geoordeeld, kort gezegd, dat nu geen sprake is van niet-nakoming van de zijde van ES er geen grond bestaat voor ontbinding van de
engagement letteren dat voor zover SZV opzegging zonder toekenning van een vergoeding heeft verzocht dit, mede gelet op de beëindigingsclausule, onvoldoende is onderbouwd. Anders dan het subonderdeel aanvoert, heeft het gerecht in rov. 4.4-4.5 eindvonnis dus niet vastgesteld dat de wijze waarop de wil van SZV zich heeft geopenbaard gelegen is in haar handelen en nalaten los van de brief van 6 juli 2016, nu SZV gestopt is met het nakomen van de overeenkomsten terwijl zij hiervoor geen reden had omdat ES van haar kant wel keurig nakwam, en meer in het bijzonder niet dat in gedragingen van SZV jegens ES besloten zou liggen dat zij de
engagement letterwilde beëindigen (door opzegging). Het gerecht heeft dit m.i. ook niet geoordeeld in (combinatie met) rov. 4.7 eindvonnis, aangezien het gerecht daarin weliswaar heeft overwogen dat onder de daar genoemde omstandigheden [39] het niet uitvoeren van de
engagement letterdoor SZV aangemerkt wordt als een opzegging van die overeenkomst, maar ook dat met de opzegging van de mantelovereenkomst door SZV in de brief van 6 juli 2016 voor ES duidelijk kon zijn dat SZV ook de
engagement letterniet meer zou uitvoeren, zodat wat betreft de opzeggingsdatum moet worden uitgegaan van de datum van die brief. [40] Tegen dit oordeel is SZV in hoger beroep opgekomen door middel van grief 3, waarmee zij heeft betoogd, kort gezegd, dat uit de brief van 6 juli 2016 niet volgt dat de
engagement letteris opgezegd, daarmee bestrijdend “het oordeel van het Gerecht dat deze brief een opzegging bevat” (rov. 3.5, eerste twee zinnen bestreden vonnis). In haar verweer tegen die grief is ES ook ervan uitgegaan dat de door het gerecht aangenomen beëindiging (door opzegging) van de
engagement letterscharniert om de brief van 6 juli 2016, aldus dat daaruit volgt dat de
engagement letteris opgezegd. [41] Hiermee valt de bodem weg onder het subonderdeel, dat daarop vastloopt. Kort en goed: met inachtneming van het eindvonnis van het gerecht, de grieven van SZV en het partijdebat ook in hoger beroep, kon het hof zich wat betreft de opzegging van de
engagement letterbeperken tot de vraag of deze volgt uit de brief van 6 juli 2016 zoals het hof doet in rov. 3.5, zonder daarnaast nog weer in te gaan op de vraag of zo’n opzegging besloten zou liggen in gedragingen van SZV jegens ES los van die brief. Voor zover het subonderdeel nog aanvoert dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het meent dat een handelen en nalaten van SZV onvoldoende is om een opzegging te kunnen vaststellen, strandt het, kort gezegd, op gemis aan feitelijke grondslag zoals uiteengezet bij de behandeling van subonderdelen 1.2 en 1.3, onder 3.6 en 3.8 hiervoor.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Subonderdeel 2.1(2.2-I) klaagt dat het hof in rov. 3.5 bestreden vonnis overweegt dat “de boeteclausule” niet geldt, omdat het doel van een opzeggingsclausule met boete is te voorzien in een geval waarbij SZV eenzijdig de opdracht zou beëindigen “for any reason”, en dat nu deze er in de beleving van SZV wel was, er geen beroep op de “opzeggings”clausule mogelijk is. Het hof overweegt hiermee, aldus nog steeds het subonderdeel, dat de formulering “for any reason” betekent: om
geen enkele reden. Dit is taalkundig een onbegrijpelijke uitleg van het beding, nu “for any reason” betekent “om welke reden dan ook”. Het hof motiveert dit verder ook niet, wat het oordeel des te meer onbegrijpelijk maakt, ook in het licht van de bij conclusie van dupliek in conventie en conclusie van repliek in reconventie, nr. 10 door ES aangevoerde bedoeling van de clausule, onder meer om ES “te beschermen tegen interne en externe politiek, corruptie en machtsmisbruik” en continuïteit te bewerkstelligen omdat ES ook weer derden diende in te huren om haar met het project te assisteren.
Subonderdeel 2.2(2.2-II) klaagt dat het hof met deze uitleg in rov. 3.5 van “het boetebeding” (dat ineens “opzeggingsclausule” heet) buiten het debat van partijen is getreden, omdat SZV nooit heeft aangevoerd dat het beding zou inhouden dat het alleen zou gelden als SZV beëindigt/opzegt
zonder enigereden. SZV heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat het boetebeding slechts geldt
bij opzegging(en niet bij ontbinding wegens wanprestatie). [42] Dit leidt tot een ontoelaatbare verrassingsbeslissing en een verboden aanvulling van de feiten.
De subonderdelen bestrijden de uitleg door het hof van de in het beëindigingbeding van de
engagement lettergebezigde term “for any reason”. De subonderdeel gaan uit van een verkeerde lezing van het bestreden vonnis en missen daarmee feitelijke grondslag. Reeds hierop lopen de subonderdelen vast. Wat het hof in rov. 3.5 bestreden vonnis tot uitdrukking brengt, voor zover hier relevant en kort gezegd, is dat ES in de gegeven omstandigheden de brief van 6 juli 2016 redelijkerwijs niet mocht en kon opvatten als inhoudend opzegging door SZV van de
engagement letter, waarbij het hof ook onderkent dat, waar activering van de opzeggingsclausule met de daarmee verband houdende boete in de
engagement letterniet een eenzijdige beëindiging van de opdracht door SZV om een specifieke reden vergt (nu “for any reason” dan volstaat, dus om welke reden dan ook zonder dat een specifieke reden is vereist, zodat de precieze reden voor zo’n beëindiging er daarbij welbeschouwd ook niet toe doet), SZV zich juist op het standpunt stelde (en stelt) dat ES tekortschoot in haar verplichtingen uit de
engagement letter, om welke specifieke reden zij de
engagement letterniet wilde opzeggen, maar de beëindiging daarvan door de rechter wilde laten toetsen door ontbinding van deze overeenkomst op de voet van art. 6:265 BW Pro Sint Maarten te vorderen. Ook dit draagt er dan aan bij dat ES in de gegeven omstandigheden de brief van 6 juli 2016 redelijkerwijs niet mocht en kon opvatten als inhoudend opzegging door SZV van de
engagement letter. Kort en goed: nergens blijkt uit dat het hof de woorden “for any reason” in rov. 3.5 verstaat als om
geen enkelereden of
zonder enigereden.
Hierop stuiten de subonderdelen af.
eenreden voor, ook al komt die in rechte niet vast te staan, dan geldt de boeteclausule volgens het hof niet. Om de boeteclausule buiten werking te stellen is dus in die uitleg voldoende te stellen dat er in de perceptie van SZV een reden is, die vervolgens niet hoeft te bestaan (de wanprestatie van ES is immers volgens het hof in rov. 3.4 bestreden vonnis niet aanwezig). Het hof geeft deze uitleg aan het beding door uit te gaan van “een opzeggingsbeding” in het algemeen, zonder in te gaan op de stellingen van ES over de uitleg van het beding zoals partijen het hebben bedoeld, en hierbij bovendien te negeren de stellingen van SZV dat het boetebeding bij opzegging onverkort geldt en alleen bij ontbinding wegens wanprestatie niet. Hiermee verzuimt het hof bij de uitleg het Haviltex-criterium toe te passen, waarbij het acht had moeten slaan op de door het subonderdeel genoemde essentiële stellingen van partijen. [43] Door bij de uitleg van het boetebeding niet op deze stellingen in te gaan en niet te onderkennen dat ook volgens SZV het boetebeding geldt bij opzegging, miskent het hof het Haviltex-criterium. Bovendien laat het hof ook overigens ten onrechte essentiële stellingen van ES onbesproken, [44] waardoor het oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. Immers, omdat het hof die stellingen onbesproken laat, met name de stelling in de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, nr. 10, waardoor in cassatie de bedoeling van ES bij wijze van hypothetische feitelijke grondslag vaststaat, valt de uitleg van het hof op geen enkele manier te verklaren.
Het gerecht heeft in rov. 4.8 eindvonnis overwogen dat, nu, zoals onder rov. 4.4-4.5 is overwogen, ES niet is tekortgeschoten in de nakoming van de uit de
engagement lettervoor haar voortvloeiende verplichtingen, het verweer van SZW dat het “beëindigingsbeding” in de
engagement letterslechts ziet op beëindiging van de overeenkomst door opzegging niet hoeft te worden behandeld: “Tussen partijen staat aldus immers thans vast dat de overeenkomst van 1 maart 2016 [de
engagement letter, A-G] niet is geëindigd door ontbinding of anderszins, maar door opzegging [wat het gerecht dus heeft vastgesteld in rov. 4.7 eindvonnis, A-G]. Dat brengt met zich dat in beginsel het beëindigingsbeding in dit geval van toepassing is.” Het hof respondeert in rov. 3.5 bestreden vonnis op grief 3 van SZV, waarmee zij, kort gezegd, aanvoert dat SZV bij brief van 6 juli 2016 niet de wil heeft gehad de
engagement letterop te zeggen, dat anders dan het gerecht heeft geoordeeld deze brief geen opzegging bevat, dat sprake is van een opzegging van ES (niet van SZV), en dat de opzeggingsclausule niet van toepassing is in geval van ontbinding, hetgeen is wat SZV nastreeft in de onderhavige procedure. De slotsom van het hof in rov. 3.5 luidt dat ES geen beroep kan doen op de opzeggingsclausule, zodat de boete niet verschuldigd is.
engagement letter;
engagement lettereen boete zijn overeengekomen voor het geval van opzegging door SZV;
engagement letter, ook het merkwaardige resultaat zou ontstaan dat ES ook aanspraak zou kunnen maken op de boete als zij aldus tekortschiet, bij welke lezing ES geen belang zou hebben bij een juiste uitvoering van de overeenkomst;
engagement letteralleen van toepassing is als zij de
engagement letteropzegt, nu “early termination on part of SZV” zich vertaalt in “vroegtijdige opzegging door SZV”;
engagement lettermet wederzijds goedvinden wordt beëindigd;
engagement letterniet heeft opgezegd, maar juist het oordeel van het gerecht heeft verzocht om te kunnen ontbinden, zodat de boete ook niet verschuldigd is.
engagement letter, niet (voldoende gemotiveerd) heeft weersproken en veeleer heeft betoogd dat zij niet is tekortgekomen in de nakoming van de
engagement letter, dat wel sprake is van opzegging door SZV met de brief van 6 juli 2016 (ook) van de
engagement letter, [47] dat SZV nu eenmaal
onvoorwaardelijkontbinding van de
engagement letterheeft verzocht “ook voor het geval de boeteclausule zou worden toegepast” (wat het gerecht dus heeft gedaan, uitgaande van opzegging door SZV van de
engagement lettermet die brief van 6 juli 2016), en dat er overigens geen beletsel is voor uitbetaling aan ES van de boete zoals overeengekomen in de
engagement letter.
ES heeft in eerste aanleg aangevoerd, kort gezegd: [48]
engagement letterbij vroegtijdige beëindiging geen beperkingen worden gesteld aan uitbetaling van de boete;
engagement letteronder andere was om ES te beschermen tegen interne en externe politiek, corruptie en machtsmisbruik;
engagement letterte ondertekenen.
engagement letter(“Zij heeft dit onvoorwaardelijk gevorderd”), oftewel “ook voor het geval de boeteclausule zou worden toegepast”;
engagement letterheeft opgezegd c.q. beëindigd niet overtuigt, nu uit de overeenkomsten en uit de stellingen van SZV zelf volgt dat beide contracten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, zodat SZV, door bij brief van 6 juli 2016 de mantelovereenkomst op te zeggen, ook een einde maakte aan de
engagement letter, niettegenstaande haar poging de voor haar nadelige gevolgen van “de boeteclausule” uit de weg te gaan door formeel het gerecht te verzoeken de
engagement letterte ontbinden zonder toekenning van een vergoeding;
engagement letter“overeengekomen boeteclausule dan ook terecht toepassing [heeft] gevonden en de vordering van [ES] tot betaling aan haar van het overeengekomen boetebedrag terecht (grotendeels) [is] toegewezen”;
Gegeven het eindvonnis, het partijdebat ook in hoger beroep, ’s hofs gemotiveerde ontkennende beantwoording in rov. 3.5 van de vraag of ES in de gegeven omstandigheden de brief van 6 juli 2016 redelijkerwijs mocht en kon opvatten als inhoudend opzegging door SZV (ook) van de
engagement letter, alsmede de in beginsel aan het hof voorbehouden uitleg van de gedingstukken (die, blijkens het voorgaande, ook in rov. 3.5 niet onbegrijpelijk is), was er voor het hof geen aanleiding nader te motiveren dat, zoals het tot uitgangspunt neemt, genoemde clausule met de daarmee verband houdende boete ziet op het geval van opzegging door SZV van de
engagement letter, aan welke clausule en boete dus niet wordt toegekomen bij dat door het hof vastgestelde ontbreken van opzegging door SZV (ook) van de
engagement letter. [50] Zoals uiteengezet bij de behandeling van subonderdelen 2.1 (2.2-I) en 2.2 (2.2.II), onder 3.23 hiervoor, blijkt nergens uit dat het hof de woorden “for any reason” in genoemde clausule in rov. 3.5 verstaat als om
geen enkelereden of
zonder enigereden, zodat het ook níet zo is dat naar ’s hofs oordeel: deze clausule “alleen geldt indien opgezegd wordt zonder dat daar enige reden voor is”, zodat als daar wel
eenreden voor is, ook al komt die in rechte niet vast te staan, die clausule niet geldt; oftewel “het dus voldoende is om de boeteclausule buiten werking te stellen dat er in de perceptie van SZV een reden is, die vervolgens niet hoeft te bestaan (de wanprestatie van [ES] is immers volgens het hof in rov. 3.4 niet aanwezig).” Naar ’s hofs oordeel ziet deze clausule met de daarmee verband houdende boete, als gezegd, op het geval van opzegging door SZV van de
engagement letter: is van zo’n opzegging sprake, dan is die boete in beginsel verschuldigd ongeacht de reden voor deze opzegging, want verschuldigd bij opzegging door SZV “for any reason”, dus om welke reden dan ook, nu daarvoor geen specifieke reden is vereist (is van zo’n opzegging geen sprake, dan wordt aan deze clausule en boete logischerwijs niet toegekomen, hetgeen het hof voor de onderhavige zaak dus aanneemt in rov. 3.5, daarbij memorerend dat SZV, nu volgens haar ES tekortschoot in haar verplichtingen uit de
engagement letter, deze overeenkomst niet wilde opzeggen maar de beëindiging ervan door de rechter wilde laten toetsen door ontbinding van deze overeenkomst op de voet van art. 6:265 BW Pro Sint Maarten te vorderen, een van opzegging te onderscheiden rechtsfiguur). Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van het bestreden vonnis, mist het daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, klaagt het bij deze stand van zaken ten onrechte over een in het licht van het partijdebat ontoereikend gemotiveerde uitleg door het hof (met toepassing van het Haviltex-criterium) van genoemde clausule en boete als toepasselijk respectievelijk in beginsel verschuldigd bij, kort gezegd, opzegging door SZV van de
engagement letter, waarvan hier naar ’s hofs oordeel geen sprake is.
Hierop stuit het subonderdeel af.
beroep doetop een (in werkelijkheid niet bestaande) reden, zij eenzijdig de boeteclausule terzijde kan stellen.” Dit is geen plausibele interpretatie van “de boeteclausule” nu het leidt tot een ongerijmd resultaat dat partijen nooit beoogd kunnen hebben. Hiermee is het oordeel onbegrijpelijk. Dit klemt temeer, aldus nog steeds het subonderdeel, nu ES bij pleitaantekeningen in hoger beroep, nrs. 10-11, 54 expliciet wijst op de mogelijkheid dat SZV die clausule probeert te omzeilen door de
engagement letterniet op te zeggen maar aan te voeren dat zij wil ontbinden. Ook wijst zij bij pleitaantekeningen in hoger beroep, nrs. 33, 54 op de manier waarop SZV tracht, door enerzijds opzegging van de mantelovereenkomst en anderzijds ontbinding van de
engagement letterte vragen, om die clausule heen te geraken, terwijl beide contracten nauw samenhangen en niet zonder elkaar kunnen bestaan. Ook wijst het subonderdeel “[v]oor de volledigheid” ook hier nog op de door ES in de conclusie van dupliek in conventie en conclusie van repliek in reconventie, nr. 10 aangevoerde bedoeling van ES met de boeteclausule, waarmee “deze uitleg” van het hof - zie dus hiervoor - “eveneens onverenigbaar en de uitkomst ongerijmd is”.
Zoals volgt uit de behandeling van subonderdelen 2.1 (2.2-I) t/m 2.3 (2.2-III), onder 3.23 en 3.25 hiervoor, legt het hof in rov. 3.5 bestreden vonnis de daar bedoelde clausule met de daarmee verband houdende boete in de
engagement letterníet zo uit dat “indien SZV maar enkel
een beroepdoet op een (in werkelijkheid niet bestaande) reden, zij eenzijdig de boeteclausule terzijde kan stellen.” Het subonderdeel gaat aldus uit van een verkeerde lezing van het bestreden vonnis en mist daarmee feitelijke grondslag. Ik wijs er verder nog op dat, naar zijdens SZV terecht is opgemerkt, [51] en zoals ook volgt uit de behandeling van de subonderdelen 2.1 t/m 2.3, het hof in rov. 3.5 (dus) ook niet enige ‘omzeiling’ door SZV van genoemde clausule en boete faciliteert, anders dan het subonderdeel suggereert. Daarbij verdient nog aantekening:
engagement letter, waarbij het (dus) niet zo is dat SZV toepassing van deze clausule en boete eenzijdig kan vermijden enkel door
een beroepte doen op een (in werkelijkheid niet bestaande) reden; [52]
engagement letteraan de hand van de vraag of, kort gezegd, ES in de gegeven omstandigheden de brief van 6 juli 2016 redelijkerwijs mocht en kon opvatten als (ook) inhoudend een opzegging van de
engagement letter; [53]
engagement letter(ook) door het hof is afgewezen, deze overeenkomst, met inbegrip van deze clausule met daarmee verband houdende boete, in beginsel is blijven bestaan en partijen bindt (wat het hof ook onderkent, mede gelet op rov. 3.6);
engagement letterziet op het geval van opzegging door SZV van deze overeenkomst (aan welke clausule en boete dus niet wordt toegekomen bij dat door het hof vastgestelde ontbreken van zo’n opzegging door SZV).
Hierop stuit het subonderdeel af.
engagement letterniet meer uitvoert, dat dit in hoger beroep niet is bestreden, dat SZV onbetwist zou hebben gesteld dat op 6 juli 2016 al geruime tijd duidelijk was dat ES de
engagement letterniet meer wilde uitvoeren en de gevolgtrekking van het hof hieruit dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden is geëindigd (en dus de meer subsidiair gevorderde verklaring voor recht, ontbinding zonder vergoeding, toewijsbaar is). “Dit om navolgende, ook in onderling verband te lezen redenen”, waarmee wordt gedoeld op subonderdelen 3.1 (2.3-I) en 3.2 (2.3-II).
nietwanpresteert en dat er dus geen grond voor ontbinding is.
Het gerecht heeft in rov. 4.7 eindvonnis onder meer overwogen dat ES weliswaar de door SZV verzochte ontbinding heeft bestreden, maar zich, haar vorderingen in reconventie mede in aanmerking genomen, er kennelijk bij heeft neergelegd dat SZV de overeenkomst van 1 maart 2016 (dus de
engagement letter) niet meer uitvoert, zodat ook zij dat niet meer zal doen. Het gerecht beschouwt vervolgens dit niet uitvoeren van de
engagement lettervan de zijde van SZV als een opzegging van die overeenkomst, wat wordt gerelateerd aan de brief van 6 juli 2016, waarbij SZV de mantelovereenkomst heeft opgezegd, waarmee voor ES duidelijk kon zijn dat SZV “ook de overeenkomst van 1 maart 2016 niet meer zou uitvoeren.” Aldus heeft het gerecht met dat door partijen niet meer uitvoeren van de
engagement letterniet het oog op de gang van zaken uitmondend in de brief van 6 juli 2016, maar op het tijdvak na de brief van die datum. Wat het hof in rov. 3.6 bestreden vonnis overweegt, is kort gezegd:
engagement letterna de brief van 6 juli 2016 niet meer uitvoert, zodat ook zij dat niet meer zal doen;
engagement letterniet meer wilde uitvoeren, alsmede dat vanaf toen partijen geen contact meer met elkaar hadden en er evenmin werkzaamheden door ES werden verricht (ook niet door SZV dus);
engagement lettermet wederzijds goedvinden is geëindigd en partijen thans over en weer bevrijd zijn van de daarin neergelegde verplichtingen (waarover nader onder 3.33 hierna);
in eerste aanlegis gesteld niet onverkort aldus is vastgesteld door het gerecht in rov. 4.4 eindvonnis, noch door het hof in rov. 3.4 bestreden vonnis, ziet het daarin aangevoerde wat betreft de gedragingen van SZV en ES [57] - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - op de gang van zaken uitmondend in de brief van 6 juli 2016, terwijl het hof in rov. 3.6 bestreden vonnis (in navolging van het gerecht in de aangehaalde passage in rov. 4.7 eindvonnis) dus het oog heeft op het tijdvak na de brief van die datum. Ook in rov. 4.4 (in verbinding met rov. 4.1-4.3 en 4.5-4.6) eindvonnis en rov. 3.4 bestreden vonnis gaat het, gelet op het daarin voorliggende betoog van SZV dat sprake is van wanprestatie zijdens ES, wat betreft het oordeel van het gerecht en het hof, erop neerkomend dat het door SZV aangevoerde geen grond oplevert voor ontbinding van de
engagement letter, om de gang van zaken uitmondend in de brief van 6 juli 2016 (waarop rov. 3.6 bestreden vonnis dus niet ziet). Dit in lijn ook met het feit dat in de brief van 6 juli 2016, geciteerd door het hof in rov. 2.4 bestreden vonnis, SZV kenbaar maakt aan ES, kort gezegd, dat voor SZV de situatie niet langer houdbaar is, dat zij met deze brief de mantelovereenkomst opzegt en dat zij het gerecht zal verzoeken de
engagement letterte ontbinden zonder toekenning van enige vergoeding. [58] Reeds gelet hierop kan hetgeen het subonderdeel aanvoert niet meebrengen dat ’s hofs oordeel in rov. 3.6 bestreden vonnis onbegrijpelijk is. Bij deze stand van zaken behoeft het subonderdeel geen verdere behandeling.
Hierop stuit het subonderdeel af.
heeftniet vrijwillig ingestemd met beëindiging van de overeenkomst, maar legt zich daar noodgedwongen bij neer en dit nog alleen wanneer SZV haar de verschuldigde boete bij eenzijdige beëindiging betaalt. [59] Het hof gaat met zijn oordeel dan ook volledig voorbij aan de stellingen van ES, waarbij zij steeds aan de gevraagde ontbinding (waartegen zij zich weliswaar niet verzet, al was het SZV die niet verder wilde, niet ES) verschuldigdheid van de boete heeft gekoppeld. [60] De vaststelling van het hof dat het gerecht overwoog, zoals het hof memoreert in rov. 3.6 bestreden vonnis, dat ES zich er kennelijk bij neer heeft gelegd dat SZV de
engagement letterniet meer uitvoert èn dat dit in hoger beroep niet is bestreden, voert dus
niettot de slotsom dat er sprake is van beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden zonder verschuldigdheid van de boete. Integendeel. Dat ES de vaststelling van het gerecht dat zij de ontbinding heeft bestreden maar zich wel neerlegt bij beëindiging van de overeenkomst, niet bestrijdt in hoger beroep, komt doordat er geen aanleiding was dit te bestrijden nu het gerecht de juiste consequentie aan de beëindiging van het contract door toedoen van SZV heeft verbonden: de toekenning van de bij eenzijdige beëindiging verschuldigde boete. In het licht van de stellingen van ES is het oordeel van het hof dat sprake is van een beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden onbegrijpelijk nu aan deze beëindiging voor ES altijd was verbonden de voorwaarde dat SZV de boete zou voldoen. Dit blijkt alleen al uit de vordering in reconventie. Door dit deel van de stellingen van ES niet in zijn oordeel te betrekken, denatureert het hof de stellingen van ES en is zijn oordeel onbegrijpelijk.
In rov. 3.6 bestreden vonnis brengt het hof m.i. tot uitdrukking, onder verwijzing naar procesverloop (specifiek de daar genoemde overweging van het gerecht in rov. 4.7 eindvonnis inzake SZV en ES, in hoger beroep onbestreden) en partijdebat (specifiek de daar genoemde stellingen van SZV, door ES niet betwist), en gezien ook het aan rov. 3.6 voorafgaande, ervan uit te gaan dat partijen ervan uitgaan dat de
engagement lettermet wederzijds goedvinden is geëindigd waardoor zij “thans” over en weer bevrijd zijn van de daarin neergelegde verplichtingen, dit vanzelfsprekend niettegenstaande de aanspraken die partijen jegens elkaar pretendeerden te hebben in verband met die overeenkomst, welke aanspraken (waaronder de door SZV gevorderde ontbinding van de
engagement letteren de door ES gevorderde boete wegens haar opzegging van de
engagement letter) evenwel in rechte niet zijn gehonoreerd blijkens het bestreden vonnis waarmee dus bij die in rov. 3.6 gegeven stand van zaken wordt uitgekomen, waaraan inherent is dat de
engagement letterniet is beëindigd door ontbinding of opzegging en partijen in beginsel nog bindt. Dat het hof die aanspraken daarbij niet over het hoofd ziet, is evident en volgt alleen al uit de aankondiging van SZV in de brief van 6 juli 2016, door het hof geciteerd in rov. 2.4, dat zij het gerecht zal verzoeken de
engagement letterte ontbinden zonder toekenning van enige vergoeding, wat SZV vervolgens ook heeft gedaan bij inleidend verzoekschrift van 3 augustus 2016, welke procedure is uitgemond via het eindvonnis van het gerecht in het bestreden vonnis, waarin het hof dus onder meer komt tot verwerping van grief 2 (kort gezegd: voor de door SZV gevorderde ontbinding van de
engagement letterbestaat geen grond) en honorering van grief 3 (kort gezegd: voor de door ES gevorderde betaling van de boete zijdens SZV wegens opzegging van de
engagement letterbestaat geen grond). De uitkomst is daardoor overzichtelijk, gelet ook op het dictum van het bestreden vonnis, want erop neerkomend dat nu de
engagement letteris beëindigd met wederzijds goedvinden, zonder toekenning van een vergoeding, wat door partijen is verricht in het kader van deze overeenkomst blijft staan en zij thans over en weer zijn bevrijd van de daarin neergelegde verplichtingen, met dien verstande dat, gelet ook op het slagen van grief 3, wat SZV aan ES heeft betaald op basis van het in hoger beroep vernietigde eindvonnis moet worden terugbetaald. Bezien tegen deze achtergrond loopt het subonderdeel erop vast dat het daarin aangevoerde, specifiek de door ES in eerste aanleg en hoger beroep aangebrachte koppeling tussen “ontbinding” van de
engagement letteren “verschuldigdheid van de boete” zoals bedoeld in het subonderdeel, althans de daarin genoemde stellingen van ES, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel en uitleg van de gedingstukken (zonder die stellingen te denatureren) niet tot de conclusie noopt dat bij die in rov. 3.6 gegeven stand van zaken ES niet (ook) ervan uitgaat dat de
engagement lettermet wederzijds goedvinden is geëindigd waardoor partijen “thans” over en weer bevrijd zijn van de daarin neergelegde verplichtingen, dit een en ander nog daargelaten:
Hierop stuit het subonderdeel af.
schriftelijkhebben gepleit, heeft ES niet meer op deze eisvermeerdering kunnen reageren, zodat ES in haar procesbelang is geschaad en sprake is van schending van art. 6 EVRM Pro in het bijzonder het beginsel van hoor en wederhoor. Het hof miskent dit in rov. 3.1, althans geeft geen inzicht in zijn gedachtegang dan wel geeft een onbegrijpelijk oordeel.
Rv Sint Maarten) is de eiser ook in hoger beroep zolang de rechter geen eindvonnis heeft gewezen, bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of bij akte ter rolle, te verminderen, te veranderen of te vermeerderen. Volgens de in art. 109 Rv Pro opgesloten maatstaf dient te worden beoordeeld of de eisvermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. [63] In een arrest uit 2019 [64] heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld dat de Curaçaose rechter ook met een eiswijziging die niet al in de memorie van grieven of memorie van antwoord is gedaan, mede gelet op de ingevolge art. 271 en Pro 274 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Curaçao (hierna:
Rv Curaçao) geldende korte, niet-verlengbare termijnen voor het indienen van een memorie van grieven of memorie van antwoord, rekening mag houden indien die eiswijziging aan de daarvoor geldende wettelijke bepalingen voldoet, en dat dan onverkort blijft gelden, mede gelet op het bepaalde in art. 109 lid 1 Rv Pro Curaçao in verbinding met art. 278 Rv Pro Curaçao, dat de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. [65] Nu het Rv Curaçao, in ieder geval voor zover hier relevant, niet (noemenswaardig) afwijkt van het Rv Sint Maarten, ga ik ervan uit dat dit een en ander ook geldt onder het recht van Sint Maarten.
Ingevolge art. 282a Rv Sint Maarten kan in hoger beroep met de vernietiging van het vonnis van het gerecht in eerste aanleg, teruggave worden gevorderd van hetgeen ter voldoening van dat vonnis is voldaan. Volgens de memorie van toelichting [66] is thans art. 282a Rv Sint Maarten de praktisch regel die is gegeven in een arrest uit 1913 [67] van de Hoge Raad, waarin onder meer is overwogen “dat De Mijnbouw Maatschappij als appellante de vernietiging van het vonnis des eersten rechters vorderend, als noodzakelijk en onafscheidelijk gevolg dier vernietiging van den aanvankelijken eischer kon vragen de teruggave van hetgeen zij bij voorraad ter voldoening aan het vonnis des eersten rechters hem bereids had afgegeven, en dit doende, niet instelde eene van den eisch tot vernietiging zelfstandige vordering, zoodat ook dit middel is ongegrond.” [68] In een arrest uit 2004 [69] heeft de Hoge Raad onder meer overwogen, onder verwijzing naar genoemd arrest uit 1913 (“vgl. HR 20 maart 1913, NJ 1913, blz. 636”) en naar een arrest van de Hoge Raad uit 1999, [70] dat in geval van vernietiging in hoger beroep van een vonnis de rechtsgrond ontvalt aan hetgeen reeds ter uitvoering van dit vonnis is verricht, dat dan op de voet van art. 6:203 BW Pro een vordering tot ongedaanmaking van deze prestatie ontstaat, en dat het strookt met “de eisen van een goede rechtspleging” de mogelijkheid aan te nemen dat in hoger beroep met het oog op het verkrijgen van een executoriale titel aan de vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis een vordering tot ongedaanmaking van de ingevolge dat vonnis verrichte prestatie wordt verbonden. [71] Dit is nadien herhaald in arresten van de Hoge Raad uit 2005 [72] en 2017. [73] In genoemd arrest uit 2005 lag onder meer ter beoordeling door de Hoge Raad voor een klacht over de toewijzing door het hof van de vordering van een van partijen tot ongedaanmaking van de gevolgen van het bestreden vonnis, erop neerkomend dat weliswaar aan de vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis een vordering tot ongedaanmaking van de ingevolge dat vonnis verrichte prestatie kan worden verbonden, doch dat zulks dan in verband met de eisen van een goede procesorde dient te geschieden in de appeldagvaarding, althans in de conclusie van eis in hoger beroep/memorie van grieven. Het desbetreffende onderdeel (5) faalde volgens de Hoge Raad:
NJ-annotatie onder dit arrest [74] in dit verband onder meer over de beslissing van de Hoge Raad dat die ongedaanmakingsvordering nog bij pleidooi in appel kan worden ingesteld mits de wederpartij nog de gelegenheid krijgt zich hierover uit te laten, waarbij het arrest zich zo laat lezen dat de wederpartij zowel de gelegenheid dient te hebben om zich uit te laten over de formele vraag of een vordering tot ongedaanmaking op zeker moment (nog) wel ingesteld kan worden als over de inhoud van die vordering (en dat beide in casu zijn geschied, zie rov. 4.11 van het hof waarnaar de Hoge Raad verwijst). [75] In de onderhavige zaak is SZV in eerste aanleg bij eindvonnis door het gerecht uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld, kort gezegd, in de proceskosten in conventie en reconventie en ingevolge “het beëindigingsbeding” in de
engagement lettertot betaling aan ES van NAf. 1.738.800,-, vermeerderd met wettelijke rente, zoals in reconventie gevorderd door ES. Bij memorie van grieven heeft SZV de vernietiging verzocht van het eindvonnis en in conventie, kort gezegd, gevorderd de ontbinding, opzegging, beëindiging van de
engagement letterzonder toekenning van een vergoeding, de matiging van de beëindigingsboete naar nihil, en in reconventie niet-ontvankelijkverklaring van ES dan wel de afwijzing van haar vordering (plus, kort gezegd, veroordeling van ES in de kosten). ES heeft bij pleitaantekeningen in hoger beroep, kort gezegd, verweer gevoerd tegen de door SZV verzochte vernietiging van het eindvonnis en geconcludeerd tot bevestiging van het eindvonnis, tot niet-ontvankelijkheid althans afwijzing van de vorderingen van SZV in conventie, en tot bevestiging van de veroordeling en de vorderingen in reconventie (plus, kort gezegd, veroordeling van SZV in de kosten). Omdat SZV inmiddels diverse bedragen aan ES had betaald op basis van het eindvonnis, heeft zij bij pleitaantekeningen in hoger beroep bij wijze van “eisvermeerdering” gevorderd de veroordeling van ES tot terugbetaling aan SZV van de bedragen die op basis van het eindvonnis reeds aan ES zijn betaald tot het maximumbedrag van NAf. 1.757.550,-, vermeerderd met de wettelijke rente ingaande de datum waarop de betalingen hebben plaatsgevonden tot aan de dag van terugbetaling (zie ook rov. 1.2 bestreden vonnis). [76] Hierbij zij nog opgemerkt dat, zoals het hof ook vaststelt in rov. 1.2 bestreden vonnis, bij schriftelijk pleidooi ter rolle van 17 januari 2020 aldus door partijen is gepleit, waarbij ES de grieven heeft bestreden, met als conclusie dat het hof het eindvonnis van het gerecht zal bevestigen, en waarbij SZV dus tevens de onderhavige ongedaanmakingsvordering heeft ingediend.
Het hof stelt in de eerste zin van rov. 3.1 het bepaalde in art. 109 lid 1 jo Pro. 278 lid 1 Rv Sint Maarten voorop, door te overwegen dat zolang het hof nog geen eindbeslissing heeft gegeven, de oorspronkelijke verzoeker, hetzij als appellant, hetzij als geïntimeerde, bevoegd is de vordering of de gronden daarvan schriftelijk te verminderen, te veranderen of te vermeerderen. Het hof oordeelt vervolgens dat de door SZV bij pleidooi genomen “eisvermeerdering” is toegelaten, nu de aanvullende eis is gevorderd als “sequeel” van een door haar bepleite vernietiging van het eindvonnis (zie hiervoor), waarbij het hof ook betrekt dat ES daardoor niet in haar belangen wordt geschaad, dat dit evenmin strijdigheid oplevert met de eisen van een goede procesorde, dat het hier bovendien gaat om teruggave van hetgeen ter voldoening van het eindvonnis is voldaan, en dat art. 282a Rv Sint Maarten - dat ertoe strekt de appellant die in hoger beroep in het gelijk gesteld wordt een executoriale titel te verschaffen - ervan uitgaat dat deze teruggave nog bij pleidooi kan worden gevorderd. In rov. 3.8 overweegt het hof, voor zover hier relevant, dat nu het eindvonnis zal worden vernietigd de rechtsgrond ontvalt aan hetgeen reeds ter uitvoering van dit vonnis is verricht, dat op de voet van art. 6:203 BW Pro Sint Maarten een vordering tot ongedaanmaking van deze prestatie ontstaat, en dat de vordering van SZV in hoger beroep tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het vonnis heeft betaald derhalve zal worden toegewezen, wat het hof vervolgens in het dictum tot uitdrukking brengt. [77] Ik keer nu terug naar het onderdeel.
M.i. strandt het onderdeel hoe dan ook, nu, ook als wordt aangenomen dat het hof, gelet ook op genoemd Hoge Raad-arrest uit 2005 en de eisen van een goede procesorde, niet aldus oordelend kon overgaan tot het toelaten en toewijzen van de door SZV bij (schriftelijk) pleidooi ingediende ongedaanmakingsvordering zonder ES eerst in de gelegenheid te stellen zich over die vordering uit te laten, niet valt in te zien gelet ook op het partijdebat in cassatie dat een herbeoordeling ter zake waarbij ES eerst aldus in de gelegenheid wordt gesteld zich uit te laten, met inachtneming ook van genoemde eisen, zal kunnen leiden tot een andere uitkomst dan die het hof in het bestreden vonnis bereikt (kort gezegd: het toelaten en toewijzen van die vordering), zodat ES het vereiste belang bij de klacht mist en sowieso geen grond bestaat voor cassatie van het bestreden vonnis op basis van het onderdeel. Ik betrek daarbij mede:
Hierop stuit het onderdeel af.