Conclusie
eerste middelbehoeft niet tot cassatie te leiden .
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die als groepsleider bij een instelling ontucht pleegde met een minderjarige die aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf en ontzetting uit het recht tot beroep in de zorg voor minderjarigen.
De bewezenverklaring steunt op de gedetailleerde en consistente verklaringen van het slachtoffer, de aanwezigheid van sperma van verdachte op het ondergoed van het slachtoffer, en diverse getuigenverklaringen die de nauwe relatie en het seksuele contact tussen verdachte en slachtoffer ondersteunen. De verdediging voerde alternatieve scenario's aan en betwistte de betrouwbaarheid van het bewijs, waaronder de verklaringen van het slachtoffer en getuigen.
De Hoge Raad beoordeelde de klachten over het afwijzen van verzoeken tot het horen van getuigen en het toevoegen van stukken aan het dossier. De Hoge Raad oordeelde dat de procedure in haar geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro, mede omdat het primaire bewijs adequaat is getoetst en de secundaire getuigenverklaringen niet doorslaggevend zijn. Wel werd een strafvermindering toegewezen wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling tot 18 maanden gevangenisstraf met ontzetting, vermindert straf wegens termijnoverschrijding.