Conclusie
Het cassatieberoep richt zich in de eerste plaats tegen deze toewijzing, met onder meer de klachten dat niet voor het eerst (ter zitting) in hoger beroep om een ondertoezichtstelling kan worden verzocht en voorts dat door de gang van zaken het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden.
Het hof heeft verder de beschikking van de rechtbank vernietigd en een andere zorgregeling bepaald. Daartegen wordt eveneens in cassatie opgekomen.
1.Feiten en procesverloop
- de zorgregeling wordt gewijzigd, waarbij de minderjarige wekelijks op de dinsdag van 08.30 tot 19.00 uur bij de vader verblijft alsmede afwisselend op de zaterdag of zondag van 09.30 uur tot 17.30 uur;
- partijen worden doorverwezen naar een professionele derde zoals De Waag dan wel naar een interventie als Ouderschap Blijft dan wel een andere verwijzing gericht op herstel van de onderlinge verhoudingen en communicatie tussen partijen als ouders, waarbij ook het geweldsaspect wordt betrokken;
- de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder is. [4]
- wekelijks op de dinsdag van 8:30 uur tot 19:00 uur; en
- wekelijks afwisselend de zaterdag of de zondag van 9:30 uur tot 17:30 uur.
De rechtbank heeft verder de voorlopige zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, partijen verwezen naar het omgangshuis Cardea Jeugdzorg voor het voeren van oudergesprekken om hun onderlinge communicatie en vertrouwen te verbeteren en iedere verdere beslissing met betrekking tot de zorg- en opvoedingstaken aangehouden.
Daarna heeft de rechtbank bij beschikking van 24 november 2017– met wijziging in zoverre van de beschikking van 19 mei 2016 – bepaald dat de minderjarige vanaf de datum van de beschikking bij de vader zal zijn:
- iedere dinsdag van 08.30 uur tot woensdagochtend naar de kinderopvang;
- eens in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur en aansluitend op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur.
De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen.
- de minderjarige om de veertien dagen een weekend bij zijn vader verblijft op zaterdag en zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur en na de behandeling van de moeder om de veertien dagen op dinsdag van 8.30 tot 18.00 uur volgend op de week dat er geen weekendomgang is;
- waarbij partijen zich na beëindiging van de herstelbehandeling van de moeder wenden tot Cardea Jeugdzorg die bereid zijn gebleken de vader en de moeder te begeleiden naar uitbreiding van de zorgregeling. [6]
- een voorlopige zorgregeling tussen de vader en de minderjarige vastgesteld, inhoudende dat de minderjarige bij de vader verblijft: eenmaal in de veertien dagen op zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur en aansluitend op zondag van 10:00 uur tot 17:00 uur;
- deze voorlopige zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- bepaald dat de advocaat van de moeder het hof uiterlijk op 31 augustus 2018 zou informeren over de stand van zaken met betrekking tot de behandeling van de moeder;
- bepaald dat het hierboven onder 1.10 genoemde appel [7] zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum.
De Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden (hierna: de raad), die in zijn adviserende en/of toetsende taak in de procedure is gekend [9] , is zonder bericht niet verschenen.
- een voorlopige zorgregeling vastgesteld die inhoudt dat de minderjarige bij de vader verblijft eenmaal in de veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;
- bepaald dat deze regeling ingaat wanneer partijen drie sessies hebben gevolgd van het hulpverleningstraject Kinderen uit de Knel, dat wil zeggen op de zaterdag na de derde sessie van dit traject. [11]
- bepaald dat de minderjarige vanaf heden bij de vader zal zijn eens in de twee weken een weekend van zaterdagochtend 10:00 uur tot zondagmiddag 17:00 uur, met overnachting;
- bepaald dat de minderjarige vanaf 1 maart 2021 voorts bij de vader zal zijn iedere dinsdagmiddag uit school tot woensdagochtend naar school, met overnachting;
- partijen opnieuw verwezen naar Coöp JGT Holland Rijnland voor deelname aan het traject Kinderen uit de Knel en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
- de minderjarige onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West voor de duur van een jaar tot 21 oktober 2021;
- de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard; en
- het meer of anders verzochte afgewezen.
De vader heeft een verweerschrift ingediend en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. [14] De raad is door de griffie van de Hoge Raad in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen. Daarvan is geen gebruik gemaakt.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Het hof wijst het mondeling ter zitting gedane verzoek van de raad, dat op 9 oktober 2020 schriftelijk bij het hof is ingediend, tot ondertoezichtstelling van de minderjarige voor de duur van een jaar toe. De gronden voor een ondertoezichtstelling zijn naar het oordeel van het hof zondermeer aanwezig. De wijze waarop de moeder [de minderjarige] op dit moment in de strijd betrekt in de vorm van medicalisering van de zorgen over zijn gedrag, kan niet anders dan schadelijk zijn voor [de minderjarige] en leidt tot het oordeel dat [de minderjarige] op dit moment zodanig opgroeit dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De zorg die voor de minderjarige noodzakelijk is voor het wegnemen van die bedreiging wordt door de ouders niet of onvoldoende geaccepteerd. Zoals hiervoor vermeld is het de ouders niet gelukt om het traject van Kinderen uit de Knel op te starten, waardoor ook de omgang tussen de vader en de minderjarige nog altijd niet is uitgebreid. Het is gezien de ontstane situatie niet te verwachten dat de ouders op korte termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun zoon te dragen. Met de raad is het hof van oordeel dat er een derde, professionele partij de regie dient te voeren. De gecertificeerde instelling kan de ouders waar nodig aansturen en zich ontfermen over de minderjarige. Ook kan de gecertificeerde instelling indien nodig in het belang van de minderjarige tijdig ingrijpen. Daarnaast kan de gecertificeerde instelling de noodzaak van reeds gestarte speltherapie onderzoeken en deze therapie waar nodig coördineren met Kinderen uit de Knel en de uitbreiding van de zorgregeling. Nu de ouders hun geschil en strijd aangaande de zorgregeling gezamenlijk in het vrijwillig kader (ondanks de eerdere doorverwijzing naar Kinderen uit de Knel en het door Cardea gedane voorstel om dit traject te laten aanvangen) niet kunnen oplossen, acht het hof een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar zondermeer noodzakelijk in het belang van de ontwikkeling van de minderjarige.”
subonderdeel 2.1-Idat niet voor het eerst in hoger beroep een ondertoezichtstelling kan worden verzocht. Daarnaast bevat het onderdeel de klacht in
subonderdeel 2.1-V– zakelijk en verkort weergegeven – dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft miskend door in rov. 3.4 te oordelen dat beide partijen ter zitting de gelegenheid hebben gekregen op dit (aanvankelijk mondeling gedane) verzoek te reageren en door partijen niet in de gelegenheid te stellen om op het na de zitting schriftelijk ingediende verzoek te reageren.
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.”
De (weinige) rechtspraak en literatuur geeft het volgende beeld.
Gelet op de hierboven weergegeven drie beschikkingen, is de thans bestreden beschikking een afwijking van de heersende opvatting.
Consequentie van de bestreden beschikking is dat partijen een instantie wordt ontnomen. Dat klemt temeer nu het opleggen van een beschermingsmaatregel een inbreuk is op het family life tussen ouder(s) en kind (zie hierboven onder 2.11).
Verder heeft de wetgever, zoals Kolkman & Salomons laten zien, bewust gekozen voor de gespecialiseerde kinderrechter aan wie een verzoek tot ondertoezichtstelling moet worden gericht.
Overigens heeft de raad in zijn eerdere rapport van 18 april 2019 te kennen gegeven vooralsnog geen reden te zien voor een ondertoezichtstelling van de minderjarige, omdat beide ouders meewerkend zijn aan de hulpverlening en handelen vanuit het oogpunt van het belang van de minderjarige (p. 19).
Niet in geschil is dat het verzoek mondeling ter zitting is gedaan, nadat de vader en de moeder de schriftelijke stukken hadden gewisseld. Evenmin is in geschil dat de raad twee dagen na de zitting een zeer summier verzoekschrift heeft ingediend waarop de vader en de moeder niet schriftelijk hebben mogen reageren (zie hierboven onder 1.21 en 1.22). Zoals hiervoor al opgemerkt, gaat het hier om een verzoek dat inbreuk maakt op het recht op familieleven dat beschermd wordt door art. 8 EHRM Pro. Juist in een situatie als deze moeten de betrokken partijen m.i. in staat worden gesteld om zich te kunnen beraden en om schriftelijk verweer te kunnen voeren tegen het nadien ingediende verzoekschrift.
De bestreden beschikking van het hof dient op het punt van de ondertoezichtstelling te worden vernietigd. M.i. kan Uw Raad bij gegrondbevinding van subonderdeel 2.1-I de zaak zelf afdoen door de raad niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige. Indien alleen de klacht van subonderdeel 2.1-V slaagt, dient na vernietiging van de beschikking verwijzing te volgen.
Zorgregeling
Het hof is van oordeel dat de gehele procedure rondom de zorgregeling, waarbij een raadsonderzoek is verricht, Kinderen uit de Knel nog altijd niet is opgestart en partijen wederom bij het hof terecht zijn gekomen, allerminst in het belang is van een evenwichtige ontwikkeling van de minderjarige. Het hof is nog altijd van oordeel dat partijen zich in het belang van de minderjarige op de kortst mogelijke termijn moeten inzetten om het traject bij Kinderen uit de Knel op te starten, zodat zij kunnen werken aan het doorbreken van de destructieve patronen die hen al jarenlang verdeeld houden en aan het vinden van oplossingen voor steeds terugkerende problemen, waarbij te allen tijde het welzijn van de minderjarige centraal dient te staan. Partijen hebben ter zitting beiden verklaard dat voor hen het belang van de minderjarige voorop staat. Gelet hierop zal het hof partijen opnieuw verwijzen naar Cardea voor het traject Kinderen uit de Knel.
Uit de door de moeder overgelegde stukken ontstaat de indruk dat de minderjarige last heeft van de situatie. De minderjarige is gebaat bij rust en stabiliteit in zijn opvoedomgeving bij zowel de moeder als de vader. Op dit moment ervaart de minderjarige deze rust door alle spanningen tussen de ouders niet, waardoor hij inmiddels - door de zorgelijke signalen die hij volgens de moeder vertoont - op aandrang van de moeder is gestart met speltherapie bij een orthopedagoog.
Subonderdeel 2.3-Iklaagt vervolgens dat het oordeel van het hof in rov. 3.1 (en in gelijke zin in rov. 3.2) dat de raad het – zoals blijkens het raadsrapport en het standpunt van de raad zoals ingenomen ter zitting – in het belang van de ontwikkeling van de minderjarig acht dat het contact tussen hem en de vader op korte termijn verder wordt uitgebreid, “dan ook” onbegrijpelijk is. In
subonderdeel 2.3-IIwordt daaraan de klacht toegevoegd dat het oordeel van het hof om de minderjarige ook op dinsdag bij zijn vader te laten verblijven te meer onbegrijpelijk is omdat hierdoor het aantal wisselmomenten juist wordt uitgebreid terwijl het hof tevens heeft vastgesteld dat de minderjarige last heeft van de situatie en gebaat is bij rust en stabiliteit.
Daaraan voorafgaand heeft het hof in rov. 2.1 de kern van het advies van de raad en de onderbouwing ervan als volgt omschreven:
De raad heeft in de opvoedomgeving bij de vader geen factoren gevonden die maken dat de minderjarige niet veilig bij de vader zou zijn of die ertoe zouden kunnen leiden dat de minderjarige bij de vader in zijn ontwikkeling wordt geschaad. Vanuit de hulpverlening zijn over de opvoedcapaciteiten van de moeder ook geen zorgen naar voren gekomen. De raad is van mening dat contact inclusief een overnachting bij de vader in het belang van de minderjarige is. Omdat er bij partijen sprake is van onverwerkt leed en onbegrip naar elkaar, onder meer omdat beiden een andere visie hebben op hoe hun relatie is verlopen, is het belangrijk dat de uitbreiding van de opvoedtaken van de vader gefaseerd plaatsvindt en zorgvuldig wordt begeleid. Daarbij moet er aandacht zijn voor de zorgen die de moeder heeft. Het traject Kinderen uit de Knel biedt voldoende expertise om de vader en de moeder te kunnen ondersteunen bij het toewerken naar een overnachting van de minderjarige in het weekend bij de vader. (…)”
subonderdeel 2.3-IIIa).
Verder is het oordeel volgens
subonderdeel 2.3-IIIbonbegrijpelijk omdat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 november 2020 niet blijkt dat er een eiswijziging heeft plaatsgevonden, dan wel treedt het hof buiten het debat van partijen, dan wel miskent het hof zijn taak als appelrechter dan wel geeft het een ontoelaatbare verrassingsbeslissing.
Ook wordt geklaagd dat het hof meer heeft toegewezen dan uit het proces-verbaal blijkt. Volgens de moeder vraagt de vader een doordeweekse dag en heeft het hof in zijn beslissing een doordeweekse dag plus overnachting toegewezen. Daar hebben partijen zich niet over uit kunnen laten en is er dus sprake van schending van hoor en wederhoor (
subonderdeel 2.3-IIIc).
Tot slot wordt geklaagd dat de uitbreiding in tegenspraak is met hetgeen de raad adviseert zodat het hof de afwijking van het advies naar behoren had moeten motiveren (
subonderdeel 2.3-IVc) [30] . Daarbij wordt in voetnoot 60 opgemerkt dat het advies van de raad is dat de minderjarige rust nodig heeft en dus juist gebaat is bij minder wisselingen.
- iedere dinsdag vanaf 08.30 uur tot woensdagochtend naar de kinderopvang;
- eens in de twee weken op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur en aansluitend op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur.
indien wenselijk de dinsdag op woensdag regeling zoals door de rechtbank bepaald, te verplaatsen naar de donderdag op vrijdag dan wel de beschikking voor het overige te bekrachtigen(curs. A-G). Het meerdere dat de vader verzoekt ten opzichte van de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling is dus een overnachting van zaterdag op zondag tijdens de tweewekelijkse weekendregeling.
Ik zou veel liever een regeling hebben van een omgangsweekend per twee weken en een dag doordeweeks. De betrokkenheid is dan veel groter en op die manier kan ik de band met de minderjarige aanhalen. Ik ben van mening dat de manier waarop de omgang de afgelopen twee jaar is geregeld niet goed is voor de minderjarige. (…)
Indien beide ouders welwillend zijn en meewerken kan de minderjarige van maandag tot woensdag bij mij zijn en een weekend per twee weken. Dit is een regeling die recht doet aan het kind en wij hadden inmiddels al op dit punt moeten zijn.
De uitspraak van de rechter in 2017 waarin staat dat de minderjarige dinsdag uit school tot woensdag naar school bij mij is en een weekend in de twee weken, moet worden gevolgd.”
Subonderdeel 2.3-IIIa faalt dus.
Een overnachting kan minder spanning opleveren bij de minderjarige. Minder wisselmomenten zorgen ook een voor een relaxte minderjarige. Afspraken over een eventuele extra dag in de week mogen de ouders bij Kinderen uit de Knel proberen te maken. Er zijn genoeg problemen tussen de ouders, maar niet in de omgang tussen de vader en de minderjarige. De raad is van mening dat er een regeling moet komen waarbij de minderjarige eens in de twee weken bij de vader is, met overnachting. Rust is voor de minderjarige het belangrijkste.”
Subonderdeel 2.3-IVc faalt dus.