Uitspraak
Gerechtshof Den Haag
,beiden geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [lidstaat 1] (hierna te noemen: de minderjarigen).
Gerechtshof Den Haag
In deze zaak heeft de raad voor de kinderbescherming tijdens de behandeling van een kinderontvoeringsprocedure een verzoek tot ondertoezichtstelling dan wel voorlopige ondertoezichtstelling van twee minderjarigen ingediend. De raad motiveerde dit verzoek met de gespannen relatie tussen de ouders en het gebrek aan contact tussen de minderjarigen en hun vader.
De moeder stemde in met het verzoek, terwijl de vader betoogde dat de Nederlandse rechter niet internationaal bevoegd was omdat Nederland niet de gewone verblijfplaats van de minderjarigen is. Het hof overwoog dat op grond van artikel 8 Brussel Pro II-bis de gerechten van de lidstaat van gewone verblijfplaats bevoegd zijn, maar dat de Nederlandse rechter in spoedeisende gevallen voorlopige maatregelen kan treffen conform artikel 20 Brussel Pro II-bis en artikel 5 Rv Pro.
Hoewel het hof zich internationaal bevoegd achtte om kennis te nemen van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling, verklaarde het de raad niet-ontvankelijk omdat het verzoek voor het eerst in hoger beroep werd gedaan. De raad werd verwezen naar de kinderrechter in eerste aanleg op grond van artikel 1:257 BW Pro. Het hof verklaarde zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek tot ondertoezichtstelling en niet-ontvankelijk in het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling.
Uitkomst: De raad voor de kinderbescherming is niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling omdat dit verzoek voor het eerst in hoger beroep is gedaan.