ECLI:NL:GHDHA:2019:867

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2019
Publicatiedatum
23 april 2019
Zaaknummer
200.257.213/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Brussel II-bisArt. 20 Brussel II-bisArt. 5 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 1:257 Burgerlijk Wetboek
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige ondertoezichtstelling in hoger beroep bij kinderontvoeringsprocedure

In deze zaak heeft de raad voor de kinderbescherming tijdens de behandeling van een kinderontvoeringsprocedure een verzoek tot ondertoezichtstelling dan wel voorlopige ondertoezichtstelling van twee minderjarigen ingediend. De raad motiveerde dit verzoek met de gespannen relatie tussen de ouders en het gebrek aan contact tussen de minderjarigen en hun vader.

De moeder stemde in met het verzoek, terwijl de vader betoogde dat de Nederlandse rechter niet internationaal bevoegd was omdat Nederland niet de gewone verblijfplaats van de minderjarigen is. Het hof overwoog dat op grond van artikel 8 Brussel Pro II-bis de gerechten van de lidstaat van gewone verblijfplaats bevoegd zijn, maar dat de Nederlandse rechter in spoedeisende gevallen voorlopige maatregelen kan treffen conform artikel 20 Brussel Pro II-bis en artikel 5 Rv Pro.

Hoewel het hof zich internationaal bevoegd achtte om kennis te nemen van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling, verklaarde het de raad niet-ontvankelijk omdat het verzoek voor het eerst in hoger beroep werd gedaan. De raad werd verwezen naar de kinderrechter in eerste aanleg op grond van artikel 1:257 BW Pro. Het hof verklaarde zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek tot ondertoezichtstelling en niet-ontvankelijk in het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling.

Uitkomst: De raad voor de kinderbescherming is niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling omdat dit verzoek voor het eerst in hoger beroep is gedaan.

Uitspraak

Gerechtshof Den Haag

Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 3 april 2019
Zaaknummer : 200.257.213/01
inzake
het verzoek van de raad voor de kinderbescherming regio Haaglanden (hierna te noemen: de raad) tot (voorlopige) ondertoezichtstelling,
betreffende de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
,beiden geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , [lidstaat 1] (hierna te noemen: de minderjarigen).
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
1. [vader] ,
wonende te [woonplaats] , [lidstaat 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. J.A.M. Schoenmakers te Breda,
2. [moeder] ,
wonende op een geheim adres in Nederland,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M. Groenleer te Den Haag.

PROCESVERLOOP

Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak [vader] / [moeder] in het kader van een verzoek tot teruggeleiding gebaseerd op het Haagse Kinderontvoeringsverdrag (zaaknummer 200.254.667/01) op 18 maart 2019, heeft de raad een verzoek gedaan strekkende tot primair ondertoezichtstelling en subsidiair voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarigen.
Tijdens deze behandeling waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- [A] namens de raad.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

1. De raad heeft ter zitting in hoger beroep een verzoek tot ondertoezichtstelling althans voorlopige ondertoezichtstelling gedaan, omdat de raad het van belang acht dat de minderjarigen omgang hebben met hun vader en, voor het geval het hof de teruggeleiding van de minderjarigen naar [lidstaat 1] zou bevelen, om de hulpverlening vanuit Nederland over te dragen aan de hulpverlening in [lidstaat 1] . De ontwikkelingsbedreiging voor de minderjarigen bestaat volgens de raad uit de zeer gespannen verhouding tussen de ouders en het gebrek aan contact tussen de minderjarigen en de vader.
2. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard zich te kunnen vinden in het verzoek tot (voorlopige) ondertoezichtstelling van de minderjarigen. De advocaat van de vader stelt ter zitting in hoger beroep dat het hof geen internationale bevoegdheid heeft om op het verzoek van de raad te beslissen, omdat Nederland niet de gewone verblijfplaats van de minderjarigen is.
3. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 8 Brussel Pro II-bis zijn de gerechten van de lidstaat waar de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben, in dit geval [lidstaat 1] , internationaal bevoegd om de nodige kinderbeschermingsmaatregelen, zoals een ondertoezichtstelling, te treffen. Dat neemt niet weg dat de Nederlandse rechter, als de rechter van het land waar de minderjarigen zich op dit moment bevinden, op grond van artikel 20 Brussel Pro II-bis in samenhang met artikel 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in spoedeisende gevallen voorlopige en bewarende maatregelen kan treffen waarin het Nederlandse recht voorziet (zie onder andere HvJEG 2 april 2009, zaak C-523/07, ECLI:EU:C:2009:225). Gegeven de door de raad gestelde spoedeisendheid van de verzochte maatregel, acht het hof zich internationaal bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarigen.
4. Het hof zal de raad echter niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarigen, omdat het verzoek voor het eerst in hoger beroep – ter zitting van het hof – is gedaan. De raad zal zich met dit verzoek moeten wenden tot de kinderrechter in eerste aanleg op de voet van artikel 1:257 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
Het hof:
verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen;
verklaart de raad niet-ontvankelijk in het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van de minderjarigen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. F. Ibili, A. Zonneveld en O.I.M. Ydema, bijgestaan door mr. H.B. Brandwijk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 april 2019.