Conclusie
Nummer19/05468
Het cassatieberoep
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en 2 primair “
diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Tot slot heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van het op grond van artikel 94 Sv Pro onder de verdachte gelegde beslag en de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals in het door het hof bevestigde vonnis vermeld.
De zaak
Het vonnis van de rechtbank en het bestreden arrest
Het eerste middel
Getuige [getuige 1] is in 2015 en 2016 (meerdere keren) door de politie en de rechter-commissaris gehoord. Het hof acht de verklaringen die de getuige toen heeft afgelegd betrouwbaar en voldoende consequent om aan het bewijs bij te kunnen dragen”. Volgens de steller van het middel maakt de verklaring die de getuige in 2015 of 2016 zou hebben afgelegd bij de rechter-commissaris geen onderdeel uit van het dossier tegen de verdachte maar heeft de getuige deze verklaring afgelegd in een andere strafzaak (namelijk in de strafzaak tegen de broer van de verdachte). Evenmin is deze verklaring tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg dan wel in hoger beroep voorgelezen of is de korte inhoud daarvan voorgehouden, aldus de steller van het middel.
gehoord door de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Midden-Nederland in een strafzaak van verdachtes broer [betrokkene 1] , betreffende een hennepkwekerij op het adres [a-straat 2] .”