Conclusie
1.Feiten
arrest), in hoger beroep als uitgangspunt de feiten zoals beschreven in rov. 2.1-2.7 van het vonnis in eerste aanleg van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam [2] (hierna: het
vonnis). Deze feiten komen, blijkens rov. 2 onder (i) t/m (v) van het arrest, samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan (als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist), neer op het volgende.
ADP) is opgericht op 12 juli 2012. Een van haar doelstellingen is het financieel ondersteunen van onderzoek naar de oorzaak van ernstige ziekten en/of de genezing daarvan, in het bijzonder kanker. ADP is de enige erfgenaam van [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]), die is overleden op 9 september 2016.
Chuminisan) heeft ten doel om met behulp van een daartoe bestemd vermogen natuurlijke personen en rechtspersonen financieel te ondersteunen in het kader van het algemeen belang, en meer in het bijzonder van medische, sociale, culturele en kerkelijke belangen. Vanaf de oprichting van Chuminisan tot aan zijn overlijden was [betrokkene 1] bestuurslid van Chuminisan. Op grond van een schenkingsovereenkomst [4] heeft hij in de jaren 1983 t/m 1987 jaarlijks fl. 300.000,--, derhalve in totaal fl. 1.500.000,--, aan Chuminisan geschonken.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
verplichtis om aan
[betrokkene 1] in privérekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid. ADP noemt geen andere relevante omstandigheden waaruit dat in dit geval wel zou voortvloeien - als zodanige omstandigheid geldt niet dat ADP vindt dat zij redenen heeft om Chuminisan ervan te verdenken dat zij geen behoorlijk vermogensrechtelijk beleid heeft gevoerd.
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Het hof miskent dat aan een oordeel dat krachtens ongeschreven recht zo’n rechtsverhouding ontstaan is, “kan bijdragen” [8] dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting neergelegd is, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. In deze zaak vertoont de rechtsverhouding verwantschap met de overeenkomst van opdracht, zoals ADP heeft gesteld, en de voorzieningenrechter geoordeeld heeft. Het hof heeft niet geoordeeld dat deze verwantschap er niet zou zijn en heeft eraan voorbijgezien dat deze verwantschap kan meebrengen of eraan kan bijdragen dat krachtens ongeschreven recht op Chuminisan de verplichting rust zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid (art. 7:403 lid 2 BW Pro).
kùnnenrechtvaardigen” dat zo’n rechtsverhouding ontstaan is, ziet het hof eraan voorbij dat uit het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2014 [14] nu juist volgt dat deze feiten deze gevolgtrekking “wèl kunnen rechtvaardigen”. Het subonderdeel doelt op de feiten: (a) dat [betrokkene 1] feitelijk nauw betrokken is geweest bij de oprichting en doelstelling van Chuminisan; (b) dat [betrokkene 1] vanaf de oprichting van Chuminisan tot zijn dood deel uitgemaakt heeft van het bestuur van Chuminisan; en (c) dat Chuminisan ingevolge haar doelstelling gehouden is tot een bepaalde besteding van haar vermogen (dus: bij welke doelstelling [betrokkene 1] nauw betrokken is geweest), welke feiten zich niet anders laten verstaan, zoals de voorzieningenrechter in rov. 4.2-4.3 van het vonnis heeft geoordeeld, dan:
verhoudingtussen [betrokkene 1] en Chuminisan erdoor gekenmerkt wordt dat [betrokkene 1] een vermogend man was die ervoor gekozen heeft om zijn vermogen aan te wenden voor goede doelen, waarbij past dat hij gekozen heeft voor schenking aan de op zijn instigatie en met het enkele doel om goede doelen te ondersteunen opgerichte Stichting Chuminisan;
beheerover de bedragen die [betrokkene 1] aan haar geschonken had; en
hetgeen in de relatie tussen partijen gebruikelijk was.
kùnnenrechtvaardigen”, etc.), [16] maar betrekt het hof deze feiten en komt het tot het oordeel dat de aangevoerde omstandigheden, gelet op hetgeen het hof overigens in aanmerking neemt (zie met name de vooropstellingen in rov. 3.4, tweede en derde zin, alsook onder 3.3 hiervoor), onvoldoende zijn om aan te nemen dat krachtens ongeschreven recht tussen Chuminisan enerzijds en [betrokkene 1] anderzijds met of naast de schenkingsovereenkomst een rechtsverhouding is ontstaan die Chuminisan verplicht zich jegens [betrokkene 1] respectievelijk diens rechtsopvolgers omtrent de behoorlijkheid van het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid te verantwoorden. Het enkele woordgebruik “kan rechtvaardigen” in rov. 3.4, eerste zin doet daaraan niet af, zoals ook wordt onderstreept door de overweging van het hof in rov. 3.4, derde zin dat ADP “geen andere relevante omstandigheden [noemt] waaruit dat in dit geval wel zou voortvloeien”, [17] waaruit ook blijkt dat het hof niet oordeelt dat de door het subonderdeel bedoelde feiten geen rol kunnen spelen in het kader van de daar voorliggende beoordeling en daaraan in dat kader dus (op voorhand) geen relevantie toekomt. Hierop stuit het subonderdeel af.
(rov. 3.4, eerste alinea)
verplichtis om aan
[betrokkene 1] in privérekening en verantwoording af te leggen over het door haar gevoerde vermogensrechtelijke beleid. ADP noemt geen andere relevante omstandigheden waaruit dat in dit geval wel zou voortvloeien - als zodanige omstandigheid geldt niet dat ADP vindt dat zij redenen heeft om Chuminisan ervan te verdenken dat zij geen behoorlijk vermogensrechtelijk beleid heeft gevoerd.”
(rov. 3.4, tweede alinea)
(rov. 3.4, derde alinea)
geenvoorwaarde, last of beding om verantwoording af te leggen verbonden, en de feiten rechtvaardigen
nietaanvaarding van een daartoe strekkende rechtsverhouding op grond van het ongeschreven recht). Deze wijze van rechtsvinding en motivering is moeilijk te rijmen met het geciteerde arrest van de Hoge Raad [het in noot 5 hiervoor genoemde arrest, A-G], een toepassing van het standaardarrest Quint/Te Poel, dat noopt tot inpassing van de beslissing in het systeem van het recht, rekening houdend met - inderdaad - alle omstandigheden van het geval. (…) Omdat het arrest niets laat zien van enige belangenafweging of feitelijke waardering, die natuurlijk wel heeft plaatsgevonden, is het voor de buitenstaander gissen wat de grond is voor het daarin gegeven oordeel. (…) De lezer die vindt dat een motivering die bestaat uit een abstractie en twee negativa smal en ondiep is, vraagt zich dus af wat hier precies aan de hand is” [zonder verwijzingen in het origineel, A-G].