Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
kopis de vervaltermijn van tien jaar van art. 6:191 lid 2 BW Pro verlopen, met betrekking tot de andere onderdelen, waaronder de kom, nog niet. In een tussenvonnis heeft de rechtbank in navolging van het standpunt van de patiënt geoordeeld dat de samenvoeging van onderdelen tijdens de operatie een nieuw product, het ‘eindproduct’, doet ontstaan, en dat het recht om schadevergoeding te vorderen niet is vervallen omdat vanaf de operatie tot de dagvaarding minder dan tien jaar is verlopen. In het tussentijds door Zimmer c.s. ingestelde hoger beroep is ook het hof ervan uitgegaan dat tijdens de operatie een eindproduct is ontstaan, zij het ook dat volgens het hof de vervaltermijn met betrekking tot de samengestelde MoM-prothese niet eerst op de dag van de operatie is gaan lopen. In plaats daarvan heeft het hof het begintijdstip van die termijn op grond van een belangenafweging bepaald op het tijdstip waarop de
komin het verkeer is gebracht.
2.Feiten en procesverloop
als geheel(dus ook met betrekking tot de andere samenstellende delen van de prothese) is vervallen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
als geheel(dus ook met betrekking tot de andere samenstellende delen van de prothese). In cassatie voeren Zimmer c.s. aan dat zij verkeerd zijn verstaan en dat de door het hof gegeven uitleg van hun standpunt onbegrijpelijk is (subonderdeel 1.1). Volgens hun klacht is het standpunt van Zimmer c.s. geweest ‘dat de vorderingen van [de patiënt] erop zijn gebaseerd dat zijn (gestelde) schade is veroorzaakt door de wrijving van de kop over de kom in de samengestelde MoM-prothese (hetgeen [de patiënt] kwalificeert als het “gebrek” c.q. het “gebrekkige product”), dat de door [de patiënt] gestelde schade (dus) niet zou zijn veroorzaakt zonder de kop, en dat het verstrijken van de vervaltermijn van art. 6:191 lid 2 BW Pro ten aanzien van de kop daarom meebrengt dat de vorderingen van [de patiënt] die zijn ingesteld op grond van art. 6:185 BW Pro moeten worden
afgewezen.’ [9]
uitsluitendis dat het veronderstelde eindproduct gebrekkig is. Dat is wel waar Zimmer c.s. [de patiënt] op pogen vast te pinnen, niet alleen in cassatie, maar ook reeds in hoger beroep. [12] Waar [de patiënt] zich erop beroept dat de diverse onderdelen na hun samenvoeging tot de MoM-prothese schade veroorzaken – in ieder geval de kop en de kom, doordat zeer kleine metaaldeeltjes vrijkomen door de wrijving van de kop in de kom, respectievelijk van de kom over de kop – ligt daarin mijns inziens reeds besloten dat volgens [de patiënt] ook die onderdelen gebrekkige producten zijn, namelijk in verband met het beoogde gebruik ervan in de samengestelde MoM-prothese. Ligt deze subsidiaire feitelijke grondslag reeds in de primaire besloten, die grondslag is door [de patiënt] ook expliciet betrokken (hoezeer in de gedingstukken van zijn kant ook de nadruk ligt op de primaire grondslag, namelijk van een tijdens de operatie tot stand gekomen eindproduct). De conclusie van repliek onder 19 houdt mede in dat de afzonderlijke onderdelen een ‘impliciet gebrek’ in zich dragen (bedoeld is klaarblijkelijk: dat zich na samenvoeging manifesteert). Dezelfde conclusie houdt in dat onder meer de schuurvlakken van zowel de kop als de kom uit een legering bestaan van kobalt, chroom en molybdeen, alsook dat dit in verband met de schurende werking bij (normale) beweging van de heupprothese binnen de anatomische grenzen slijpsel oplevert (in de vorm van zeer kleine metaaldeeltjes). [13] Verder is het uit de stellingen van [de patiënt] overvloedig duidelijk dat hij in het bijzonder vanwege de blootstelling aan dit chroom- en kobalthoudend slijpsel meent dat sprake is van een gebrekkig product, respectievelijk gebrekkige producten, en daarvoor Zimmer c.s. als producent aansprakelijk houdt. [14]
op voorhandonbegrijpelijk. Overigens lees ik die kwalificatie niet uitdrukkelijk in het vonnis van de rechtbank of in het arrest van het hof. Merkt men de samengestelde MoM-prothese aan als een eindproduct waarvoor (niet de chirurg en/of het ziekenhuis maar) de fabrikant van de onderdelen aansprakelijk is, dan is dit echter alleen begrijpelijk als we de chirurg als diens hulppersoon kwalificeren. Dat met het samenstellen van de prothese een eindproduct tot stand komt, is ook de opvatting van de rechtbank Rotterdam in drie vonnissen. [18] Ook in een uitspraak van het Oberlandesgericht Karlsruhe [19] valt die opvatting te lezen. Als ik het goed zie is de centrale vraag in dit cassatieberoep, namelijk of met de samenvoeging van onderdelen tot één functionele prothese tijdens een operatie een nieuw product ontstaat, in de Nederlandse literatuur nog niet aan de orde gekomen. [20]
uniformeverjaringstermijn voor de vordering tot vergoeding van de veroorzaakte schade in het belang van zowel de gelaedeerde als de producent is.’
die termijnbehalve in de sleutel van de rechtszekerheid ook in die van de billijkheid. Het begintijdstip van de
vervaltermijnis objectief van aard (het in het verkeer brengen van de zaak die de schade heeft veroorzaakt [23] ) en de regels met betrekking tot stuiting en verlenging vinden geen toepassing. Aldus staat de vervaltermijn exclusief in de sleutel van de rechtszekerheid (in ieder geval vanuit het perspectief van de rechter en van partijen). Welnu, een in individuele gevallen door de rechter te vinden belangenevenwicht met betrekking tot het begintijdstip van de vervaltermijn lijkt mij met de rechtszekerheid (of conform de formulering van de considerans: met uniformiteit) niet werkelijk verenigbaar.
subonderdelen 1.2, 1.3 en 1.4richten zich alle tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de vervaltermijn van art. 6:191 lid 2 BW Pro.