Conclusie
Nummer20/02039 E
Bewezenverklaring en bewijsmotivering, verweren en wetsartikelen
Feit 1
3.1. Inleiding
AVAS-verweer
Opzet
Bespreking van de middelen
eerstemiddel behelst de klacht dat het hof het verweer dat de verdachte had moeten worden vrijgesproken van de onder 1 tenlastegelegde misdrijfvariant omdat bij hem geen opzet op het overtreden van de Wwft aanwezig was, ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. In de toelichting wordt aangevoerd dat het hof het bij de verdachte aanwezig zijn van opzet zou hebben ‘gegrond op overwegingen die meer passen bij de verwerping van een AVAS-beroep’. Overwegingen inhoudende dat verdachte ‘niet alles heeft gedaan om de Wwft niet te overtreden’ en dat ‘hij er niet op mocht vertrouwen dat zijn accountant de meldingen zou (blijven!) doen’ zouden niet duidelijk maken dat hij ‘die Wwft ook heeft ‘willen’ overtreden dan wel de aanmerkelijke kans daarop ‘bewust’ heeft aanvaard’.
tweedemiddel behelst de klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van een door de verdediging in verband met het onder 2 tenlastegelegde naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake het bij de verdachte als feitelijk leidinggever aanwezige opzet op het overtreden van de onderzoeksplicht uit de Wwft, dan wel dat de bewezenverklaring van het bij de verdachte als feitelijk leidinggever aanwezige opzet ontoereikend is gemotiveerd. In de toelichting wordt aangevoerd dat hof en rechtbank hebben nagelaten te responderen op het verweer dat de verdachte de betreffende stukken niet kon overleggen tijdens zijn FIOD-verhoor omdat de accountant de betreffende stukken op dat moment onder zich hield vanwege openstaande nota’s. Of de betreffende stukken door de accountant onder zich werden gehouden zou, zo begrijp ik, van belang zijn in verband met het bewijs van opzet.
voorgeschrevencliëntenonderzoek te verrichten dat de instelling in staat stelt om te voldoen aan de eisen van die bepaling, een economisch delict oplevert (art. 1 onder Pro 2o WED). De vaststelling van dergelijk nalaten vereist derhalve dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de instelling een cliëntenonderzoek diende te verrichten, alsmede de vaststelling dat geen onderzoek is verricht dat aan de eisen van het tweede lid voldoet. Van een misdrijf is sprake als opzettelijk is nagelaten een voorgeschreven cliëntenonderzoek te verrichten dat aan de eisen van het tweede lid voldoet (art. 2, eerste lid, WED).