Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- de alimentatieduur te limiteren tot vijf jaar te rekenen vanaf het moment waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand dan wel de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie op nihil te stellen met ingang van vijf jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, eventueel via een afbouwregeling, althans te limiteren/op nihil met ingang van de maand waarin de man de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, te weten 1 februari 2029, eventueel via een afbouwregeling, althans met ingang van de datum die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- beëindiging dan wel matiging van de eventuele alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw vanwege grievend gedrag van de vrouw jegens de man. [3]
- primair te bepalen dat de man niet gehouden is tot het betalen van (voorlopige) partneralimentatie aan de vrouw omdat dit niet van hem kan worden gevergd, althans niet met ingang van de datum van echtscheiding althans niet met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum;
- subsidiair de (voorlopige) partneralimentatie te matigen tot nihil althans op nihil te stellen althans te matigen tot een aanzienlijk lager bedrag dan de draagkracht van de man, met ingang van datum 1 augustus 2019 althans met ingang van de datum van echtscheiding althans met ingang van een door het hof in goede justitie te betalen datum;
- indien het hof een alimentatie ten behoeve van de vrouw vaststelt deze bijdrage vijf jaar na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand op nihil te stellen althans per de datum die het hof in goede justitie vermeent te behoren.
De man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad en zijn oorspronkelijke verweerschrift aangevuld na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof. [7]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eindigenvan een lopende alimentatieverplichting dan de periode van twaalf jaar op grond van art. 1:157 lid 4 BW Pro (oud). Min of meer ten overvloede overwoog de Hoge Raad dat de door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid weliswaar als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting kan worden beschouwd, maar het
voortdurenvan de alimentatieverplichting berust niet op het voortduren van de lotsverbondenheid.
Dat het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid geen grond kan zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, staat er m.i. niet aan in de weg dat het hof bij
toekenningvan partneralimentatie beoordeelt of het gedrag van de alimentatiegerechtigde zo grievend is dat er geen lotsverbondenheid is tussen ex-echtgenoten.
voldoendegemotiveerd heeft betwist, maar louter dat de vrouw gemotiveerd verweer heeft gevoerd. Het is dan aan de rechter om te beoordelen of de gestelde feiten en omstandigheden in het licht van het verweer daartegen als vaststaand kunnen worden aangenomen. Zoals uit de tweede volzin van rov. 5.4 blijkt heeft het hof de daarin genoemde feiten en omstandigheden rond het vertrek van de vrouw met de minderjarige naar Brazilië en de teruggeleidingsprocedure als bedoeld in het Kinderontvoeringsverdrag gebaseerd op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep. Vervolgens heeft het hof in rov. 5.5 nauwkeurig opgesomd welke voor het oordeel van het hof relevante stellingen van de man niet of niet voldoende door de vrouw zijn weersproken en welke stellingen (niet) aannemelijk zijn gemaakt. Het hof is daarbij niet teruggekomen van zijn overweging dat de vrouw de stellingen gemotiveerd heeft betwist, maar heeft het gestelde en de betwisting tegen elkaar afgewogen. Deze aan het hof als feitenrechter toekomende bevoegdheid (tevens taak) geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende begrijpelijk gemotiveerd.
relevante objectieve en subjectieve omstandighedenvan het geval in aanmerking worden genomen.
(i) op 12 januari 2019 is de vrouw, met toestemming van de man, met de minderjarige voor een vakantie van één maand naar Brazilië vertrokken. Het was de vrouw duidelijk dat de man zijn toestemming enkel voor een vakantie tot 11 februari 2019 had verleend. Een langer verblijf van de minderjarige in Brazilië zonder toestemming van de man was daarmee onrechtmatig;
(ii) in november 2018 had de vrouw al een verzoek ingediend om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige naar Brazilië te verhuizen;
(iii) vanuit Brazilië heeft de vrouw op 8 februari 2019 [27] aan de man bericht dat zij niet naar Nederland kon terugreizen wegens hartklachten, die haar zouden belemmeren te vliegen. Los van de vraag of voldoende is komen vast te staan dat de door de vrouw gestelde hartklachten het haar onmogelijk maakten terug naar Nederland te reizen, had zij er in elk geval voor kunnen zorgen dat de minderjarige (begeleid) naar Nederland had kunnen terugkeren. Verder heeft de vrouw afwijzend gereageerd op de voorstellen van de man om de minderjarige in Brazilië op te (laten) halen en met haar naar Nederland terug te keren;
(iv) de vrouw heeft daarnaast afwijzend gereageerd op verzoeken van de man om de minderjarige te mogen bezoeken in Brazilië. De man heeft, na een periode van helemaal geen contact, alleen via videobellen contact gehad met de minderjarige. De vrouw heeft zich daarbij negatief uitgelaten over de man en dusdoende de minderjarige in de echtscheidingsproblematiek betrokken met alle mogelijke schadelijke gevolgen voor de minderjarige;
(v) op 10 april 2019 is de vrouw ter kennis gekomen dat de man de Centrale Autoriteit had ingeschakeld; zij zag daarin geen aanleiding om de minderjarige direct naar Nederland te laten terugkeren. Ook in de afwijzing van haar verzoek om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige naar Brazilië te verhuizen (beschikking van de rechtbank Den Haag van 1 augustus 2019) zag de vrouw kennelijk geen aanleiding om de minderjarige naar Nederland terug te laten keren;
(vi) het standpunt van de vrouw in de kinderontvoeringsprocedure dat zij door de man is mishandeld, dat zij kracht heeft bijgezet door de man op sociale media van huiselijk geweld te beschuldigen, is door haar op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt;
(vii) bij uitspraak van 28 augustus 2019 in de kinderontvoeringsprocedure is de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige naar Nederland bevolen.
Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Het hof heeft immers vastgesteld dat de man in de periode na de toegestane vakantie niet alleen geen fysiek contact heeft gehad met de minderjarige doordat de vrouw de verzoeken van de man tot het bezoeken van de minderjarige heeft afgewezen, maar ook dat hij, na een periode van helemaal geen contact, alleen via videobellen contact heeft gehad met de minderjarige.