Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelbevat de klacht dat het hof onvoldoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan het verweer dat het bewijs onrechtmatig is verkregen doordat de staandehouding en doorzoeking van het voertuig zonder redelijk vermoeden van schuld hebben plaatsgevonden, en dat dat vormverzuim moet leiden tot bewijsuitsluiting.
" telefonisch contact gelegd met de meldkamer van de Landelijke eenheid en werden door deze de nodige maatregelen in gang gezet om genoemde voertuigen te kunnen controleren". In de aanleiding van het onderzoek wordt dan beschreven dat het voertuig uiteindelijk op grond van de Opiumwetgeving is gecontroleerd.
tweede middelbevat de klacht dat het hof heeft bewezenverklaard dat de doorreis en het verblijf in Nederland en de toegang tot Groot-Brittannië van de vreemdelingen wederrechtelijk waren, terwijl die wederrechtelijkheid niet kan volgen uit de bewijsmiddelen of niet begrijpelijk is gemotiveerd. Daarbij is in het bijzonder gesteld dat de door het hof bij de beoordeling betrokken omstandigheden niet uitsluiten dat de aangetroffen vreemdelingen rechtmatig in Nederland verbleven in de vrije termijn.