ECLI:NL:PHR:2021:35

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 januari 2021
Publicatiedatum
12 januari 2021
Zaaknummer
20/02991
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening van de veroordeling wegens doodslag met betrekking tot de verzoeker en de rol van nieuwe getuigen en rechtspsychologisch rapport

In deze zaak betreft het een herzieningsverzoek van de verzoeker, die in 1995 door het gerechtshof te Amsterdam is veroordeeld voor doodslag. De verzoeker heeft een gevangenisstraf van vijf jaar opgelegd gekregen, welke onherroepelijk is geworden na afwijzing van zijn cassatieberoep door de Hoge Raad in 1996. De verzoeker heeft in 2020 een herzieningsverzoek ingediend, waarbij hij nieuwe feiten (nova) heeft aangedragen die zijn veroordeling in twijfel trekken. De nova omvatten een rechtspsychologisch rapport van dr. M. Sauerland, waarin wordt gesteld dat de bekentenissen van de verzoeker kenmerken vertonen van valse bekentenissen, en een verklaring van getuige [getuige 5], die heeft verklaard dat [betrokkene 3] heeft bekend dat hij de dader was. De zaak draait om de vraag of deze nieuwe gegevens voldoende zijn om de eerdere veroordeling te herzien. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad heeft geconcludeerd dat de nova de geloofwaardigheid van de bekentenissen van de verzoeker ernstig aantasten en dat er voldoende aanleiding is om de herziening toe te wijzen. De zaak wordt nu verwezen naar een ander gerechtshof voor herbehandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02991 H

Zitting12 januari 2021
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedatum] 1962,
hierna (ook): de verzoeker.

Inleiding

1. De verzoeker van herziening, [verzoeker] , is bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 26 oktober 1995 veroordeeld wegens ‘doodslag’. Hem is hiervoor een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren opgelegd (met aftrek van voorarrest). De veroordeling is inmiddels onherroepelijk.
2. Van deze veroordeling hebben mrs. N. van Schaik en S.D. Groen, indertijd beiden advocaat te Utrecht, namens [verzoeker] herziening aangevraagd. Bij verzoekschrift van 18 september 2020 hebben zij daartoe drie nova voorgesteld. Bovendien hebben mrs. Van Schaik en Groen bij separaat verzoekschrift van 22 september 2020 de Hoge Raad verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van de veroordeling op de voet van artikel 473 lid 4 Sv. [verzoeker] moet namelijk nog een deel van zijn gevangenisstraf ondergaan.
3. De drie voorgestelde nova betreffen (1) de conclusie van een rechtspsychologisch rapport van de hand van dr. M. Sauerland over de (on)geloofwaardigheid van de bekentenissen van [verzoeker] , (2) de verklaring van [betrokkene 1] en (3) de verklaring van [betrokkene 2] , over hetgeen (de inmiddels overleden) [betrokkene 3] tegen hen had gezegd. [1]
4. De nova worden gezamenlijk besproken. Waar het in deze herzieningszaak in essentie om gaat is het volgende. De veroordeling van [verzoeker] berust (vrijwel) uitsluitend op zijn bekentenissen. De vraag is nu in hoeverre de voorgestelde nova de geloofwaardigheid van die bekentenissen ondergraven. Mijn standpunt hierover is dat het herzieningsverzoek moet worden toegewezen. Ik zal hieronder uiteenzetten waarom. Allereerst maak ik in chronologische volgorde melding van relevante informatie, met inbegrip van informatie over de procedures die aan dit herzieningsverzoek zijn voorafgegaan.

Waarover gaat deze zaak?

5. Na een telefonische melding kort na 6 uur ’s ochtends ging de politie op zaterdag 2 juli 1994 naar camping [A] te [plaats] . Daar trof de politie het lichaam aan van een Duitse man, genaamd [slachtoffer] (42), roepnaam: [slachtoffer] . Hij lag naast een tent, deels tegen een windscherm aan. Een (iets eerder gearriveerde) arts had al een niet-natuurlijke dood geconstateerd. Het slachtoffer had twee steekwonden in de borst ter hoogte van de hartstreek. [2]
6. Het slachtoffer was de avond tevoren op de camping te [plaats] aangekomen in gezelschap van de volgende personen, die allen beschikten over de Duitse nationaliteit:
- [verzoeker] (31), de verzoeker van herziening. Hij is de echtgenoot van de stiefdochter van het slachtoffer. [slachtoffer] was namelijk sinds twee jaren getrouwd met de schoonmoeder van [verzoeker] . De vrouw van [verzoeker] ( [betrokkene 4] ) was met hun twee kinderen en haar moeder (de vrouw van [slachtoffer] ) in Spanje op vakantie.
- [betrokkene 3] (48), een alleenwonende oom van [verzoeker] . [3]
- [betrokkene 5] (34), een goede vriendin van de vrouw van [verzoeker] .
- [betrokkene 6] (10), de dochter van [betrokkene 5] .
- [betrokkene 7] (29), de partner van [betrokkene 5] en sindsdien een goede bekende (en soms een medewerker) van [verzoeker] .

De achtergrond

7. Uit de eerste verklaringen van de aanwezigen ( [verzoeker] was toen nog ‘slechts’ getuige) komt het volgende relaas naar voren. Het gezelschap is op vrijdag 1 juli 1994 vanuit [plaats] (Duitsland) vertrokken naar de camping te [plaats] om er vakantiedagen door te brengen. Ze arriveerden daar omstreeks 21.30 uur. Op de camping heeft het gezelschap twee tenten opgezet, namelijk een grote bungalowtent en een kleine slaaptent, en windschermen.
Na het opzetten van de tenten heeft de groep (met uitzondering van [slachtoffer] ) in het dorp tevergeefs gezocht naar een eetgelegenheid die nog open was. Vervolgens is het complete gezelschap bij de tenten verdergegaan met kletsen en met het drinken van (grote hoeveelheden) alcohol. De stemming was uitgelaten en vrolijk.
[betrokkene 6] , de enige die geen alcohol dronk, is naar eigen zeggen om 01.00 uur (op het horloge van haar moeder) als eerste naar bed gegaan. Haar luchtbed lag in de bungalowtent.
Op enig moment daarna is de nauwelijks nog aanspreekbare [betrokkene 3] – al dan niet met enige hulp – in de kleine tent gaan liggen.
Wat later gingen kort na elkaar [betrokkene 5] en [betrokkene 7] bij [betrokkene 6] in de grote tent slapen. Volgens [betrokkene 6] was dat om 02.47 uur (op het horloge van haar moeder).
[verzoeker] en [slachtoffer] bleven als laatsten achter, maar niet voor heel lang omdat [verzoeker] wilde gaan slapen op een luchtbed in het gedeelte tussen de halfopen buitentent en de binnentent van de bungalowtent. [betrokkene 6] verklaarde het volgende over dit moment:

Op een bepaald moment hoorde ik de stem van [verzoeker] . Ik weet niet hoe laat het toen was. Ik hoorde hem aan [slachtoffer] vragen of hij mee ging slapen. Ik hoorde [slachtoffer] antwoorden dat hij nog even bleef zitten en er zo aan zou komen. Ik hoorde niet dat [verzoeker] naar bed is gegaan. Ik heb geen rits van een tent gehoord, want de tent was al open.
Op een bepaald moment hoorde ik weer stemmen. Ik hoorde dat [betrokkene 3] zei: "Ik moet poepen" of zoiets. Hij kreeg geen antwoord. Het was op dat moment schemerig. Ik zag dat door een scheur in de tent. Ik hoorde dat [betrokkene 3] zat te poepen vlak bij de tent. Toen hoorde ik niets meer.
Enkele minuten later hoorde ik plotseling "au". Daaraan is geen rumoer vooraf gegaan. Ook nadat ik dat gehoord heb ik niets meer gehoord. Ik meende dat het geluid van verder op kwam. Het klonk ook niet ernstig. [4]
[verzoeker] lag naar eigen zeggen te slapen op een luchtbed onder het doek van de buitentent van de bungalowtent. Hij stond naar zijn verklaring om ongeveer 4.30 – 5.00 uur op om te gaan plassen. Hij zag [slachtoffer] liggen op de plek waar hij later dood is aangetroffen, maar [verzoeker] dacht op dat moment dat [slachtoffer] sliep. [verzoeker] is vervolgens in een van de twee auto’s gaan slapen omdat het buiten te koud werd (hij had zijn slaapzak afgestaan aan [betrokkene 3] ).
Toen [betrokkene 5] in de vroege ochtend van 2 juli 1994 kort voor 6 uur opstond om te gaan plassen in de toiletgroep zag ze [slachtoffer] liggen op de genoemde plek. Daarna, bij terugkomst uit de toiletten, tikte ze [slachtoffer] aan en ontdekte ze tot haar schrik dat hij was overleden. Gealarmeerd door haar kreten kwamen de anderen hun tent uit. [verzoeker] , die in een auto lag te slapen, werd (door [betrokkene 7] ) wakker gemaakt.
[betrokkene 3] heeft nog getracht [slachtoffer] te reanimeren, (mogelijk) waardoor hij onder het bloed kwam te zitten. [verzoeker] scheurde de kleding van [slachtoffer] verder open, waarna diens verwondingen zichtbaar werden.

Het opsporingsonderzoek

8. Aanvankelijk viel de verdenking van de politie op [betrokkene 3] . Getuigen hadden (zeer waarschijnlijk)
hem [5] midden in de nacht gezien in een andere tent, [6] dan wel in of bij de vrouwenwasruimte van de camping, volgens een getuige ontkleed. [7] Hij gedroeg zich vreemd, aldus de getuigen. Een getuige ( [getuige 1] ) meldde dat een man in de herenwasruimte stond ( [getuige 1] wees later een foto van [betrokkene 3] aan), [8] dat de man trilde en “
opgewonden” was (niet in seksuele zin bedoeld) en dat hij zei: “
ze achtervolgen me allemaal!”, terwijl hij steeds heen en weer keek. [9] Er was volgens [getuige 1] echter verder niemand. De man bleef maar op dezelfde plaats staan en hij had een mes in zijn hand. [10]
9. Op de plaats van het delict is géén mes aangetroffen. Onbekend is met welk mes of met welk puntig voorwerp het slachtoffer is gestoken.
[betrokkene 3] had op vrijdag 1 juli een uitklapbaar mes bij zich op de camping, maar hij is zijn mes kwijtgeraakt. Tegen de politie verklaarde [betrokkene 3] dat hij dat mes desgevraagd aan [verzoeker] had gegeven voor een klusje bij het opzetten van de tenten, en dat hij het mes daarna niet meer van [verzoeker] had teruggekregen. [11] Toen de politie [verzoeker] (als getuige) hiermee confronteerde reageerde [verzoeker] verbolgen, omdat hij het mes naar zijn zeggen vrijwel direct na het gebruik ervan had teruggegeven aan [betrokkene 3] . [12] [betrokkene 6] bevestigde dat laatste in stellige bewoordingen. [13]
Een schoonmaker van de camping, [betrokkene 8] , heeft in de vroege ochtend van zaterdag 2 juli 1994 in de doucheruimte van de mannenafdeling (op de vloer onder een houten bankje) een mes gevonden dat globaal voldoet aan de omschrijving die zowel [betrokkene 3] als [verzoeker] hebben gegeven van het mes van [betrokkene 3] . [14] De schoonmaker heeft het mes op het bankje gelegd. Het is er niet meer aangetroffen. De politie heeft naar dit mes gezocht, maar zonder resultaat.
10. [betrokkene 3] werd op zondag 3 juli 1994 om 21 uur ’s avonds aangehouden. [15] In zijn verhoren ontkende hij iedere betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] . Hij erkende, althans bestreed niet dat hij zich midden in de nacht op het campingterrein ‘vreemd’ kon hebben gedragen. [16]
11. De belangstelling van de politie verplaatste zich van [betrokkene 3] naar de persoon van [verzoeker] toen de politie op 4 juli in een verhoor van [betrokkene 3] vernam dat [verzoeker] aan zijn reisgenoten had verteld dat hij had gedroomd dat hij, [verzoeker] , [slachtoffer] had gestoken. [17] [betrokkene 3] sprak dan ook het vermoeden uit dat [verzoeker] [slachtoffer] had doodgestoken. [18] De politie is de reisgenoten met inbegrip van [verzoeker] zelf hierover gaan bevragen. [19] [verzoeker] verklaarde toen onder meer:

Gisteren nacht, de eerste nacht in het pension, [20] heb ik gedroomd dat ik, wanneer ik schuld aan de dood van [slachtoffer] zou hebben, ik op [slachtoffer] gevallen moet zijn, terwijl hij in de stoel zat. In mijn droom ben ik op hem gevallen en heb [slachtoffer] verwond. Of de val dodelijk was of niet weet ik niet. De droom was toen beëindigd. Ik droomde dat ik opstond uit mijn stoel bij de tafel, dat ik omgevallen ben op [slachtoffer] , die nog op de stoel zat en dat mijn val hem verwond heeft. In mijn droom heb ik niet gezien dat ik hem dodelijk verwond heb. In de droom waren alleen [slachtoffer] en ik.
(…).
Ik heb er over nagedacht wat er gebeurd kan zijn, of het mogelijk was dat ik met iets in mijn hand op [slachtoffer] gevallen ben. Ik weet niet of dit werkelijk gebeurd is. Ik weet het niet. Ik weet niet meer of ik in werkelijkheid op [slachtoffer] gevallen ben. Als ik op hem gevallen zou zijn, dan zou ik ook iets in mijn hand gehad moeten hebben, maar ik weet niet wat het zou moeten zijn geweest. [21]
Na afsluiting van het proces-verbaal (op 4 juli 1994 om 21 uur) is [verzoeker] met de recherche blijven praten. Van dat gesprek werd opgetekend:

Het onderwerp van gesprek was het feit dat hij mogelijk gevallen was op [slachtoffer] . [verzoeker] zei: "Zou het dan echt zo kunnen zijn, dat ik met een scherp voorwerp op [slachtoffer] gevallen ben, en hem daarbij dodelijk heb verwond? Er was wel een mes. We zouden namelijk het mes van [betrokkene 3] gebruiken om blikken soep mee te openen. Naderhand bleek dat we dit mes niet nodig hadden. Het mes is toen geopend op de tafel blijven liggen. Ik ben vermoedelijk met het mes tegen [slachtoffer] aangevallen. [slachtoffer] reageerde niet. Ik had veel gedronken. Ja, ik denk dat ik echt tegen hem ben aangevallen."
Wij, verbalisanten, vroegen [verzoeker] of hij het gedaan had. [verzoeker] antwoordde: "Ja, ik heb het gedaan. Ik heb vervolgens tegen [slachtoffer] gezegd dat ik veel gezopen had en naar bed toe ging." [22]
12. Daarin zag de politie aanleiding om [verzoeker] aan te houden (4 juli 1994 om 21.50 uur). [betrokkene 3] is op 8 juli 1994 in vrijheid gesteld. Niet blijkt dat het onderzoek naar zijn rol is voortgezet.

De verhoren en het bewijs tegen [verzoeker]

13. In de verhoren die van de verdachte [verzoeker] werden afgenomen werden zijn bekentenissen gaandeweg steeds gedetailleerder. Toen de politie hem erop wees dat [slachtoffer] niet één, maar twee steekwonden had opgelopen, erkende [verzoeker] dat hij [slachtoffer] (misschien)
meermalenhad gestoken. [23] Het door hem gebruikte mes van [betrokkene 3] had hij naar zijn zeggen in het toilet weggegooid. Daar is vervolgens intensief gezocht, maar de politie heeft het niet gevonden.
14. [verzoeker] is, met inbegrip van de eerste verhoren, door de politie tussen 2 juli en 25 juli 1994 in totaal achttien keer verhoord. Slechts éénmaal (op 21 juli 1994) was daarbij een advocaat aanwezig. [verzoeker] spreekt geen Nederlands. Met ingang van zijn eerste verhoor als verdachte, 4 juli ’s avonds om 23.07 uur, is de hulp van een tolk ingeroepen.
Het verhoor bij de rechter-commissaris op de vordering tot inbewaringstelling (7 juli 1994) vond plaats met behulp van een tolk en met bijstand van een advocaat.
15. De verhoren van [verzoeker] zijn vanaf 7 juli 1994 opgenomen op band. De geluidsopnamen zijn echter niet meer te vinden in het dossier. Wel bevinden zich in het dossier – naast de reguliere processen-verbaal van verhoor – transcripten van de geluidsopnamen van die verhoren, die in oktober 1994 alsnog zijn uitgewerkt door de beëdigd vertaalster, [betrokkene 9] .
16. Ook bevindt zich in het dossier beeldmateriaal van een reconstructie van het delict. De reconstructie vond plaats op 21 juli 1994 (vanaf 14 uur) onder toezicht van de rechter-commissaris en in aanwezigheid van een tolk. Met ingang van die dag, 21 juli 1994, is [verzoeker] het delict (meer) consequent gaan ontkennen. Daarop is hij niet meer teruggekomen. Hij blijkt bij gelegenheid van de reconstructie niettemin voldoende hulpvaardig om aan de aanwezigen bij de reconstructie desgevraagd te laten zien
hoehij iets zou hebben gedaan
alshij dat zou hebben gedaan. Tevens is geluidsmateriaal te horen van een vraaggesprek dat de rechter-commissaris bij die gelegenheid met [verzoeker] heeft gevoerd (kennelijk omdat [verzoeker] bij de reconstructie niet in alle opzichten voldeed aan de verwachtingen). [24]
17. Er zijn geen ooggetuigen die het delict hebben waargenomen. Er is geen forensisch bewijs dat [verzoeker] belast. Het dossier bevat met name geen resultaten van forensisch onderzoek die uitwijzen dat bloedsporen van [slachtoffer] zijn aangetroffen op het lichaam of de kleding van [verzoeker] , of op voorwerpen waarmee [verzoeker] kort na het delict (mogelijk) in contact is geweest. Zoals al gezegd is er geen voorwerp veiliggesteld waarvan mag worden aangenomen dat het bij het delict als steekwapen is gebruikt. Niet alleen is er dus géén bijkomend (forensisch) bewijs tegen [verzoeker] , de vraag rijst ook in hoeverre de
afwezigheid van sporen die [verzoeker] in verband kunnen brengen met het delict als
ontlastend moet worden aangemerkt en hoe het hof met die kwestie is omgegaan. Een beantwoording van die vraag vergt onder meer dat bekend is of er op die locaties dan wel aan die voorwerpen daadwerkelijk forensisch onderzoek is uitgevoerd en zo ja hoe goed en op welke wijze. Het dossier is daarover niet helder. Ik kom meer in z’n algemeenheid op de forensisch-technische aspecten van de zaak terug door een passage weer te geven uit het hierna nog te bespreken advies van de Adviescommissie afgesloten strafzaken (ACAS).

De strafprocedure

18. [verzoeker] werd vervolgd voor de rechtbank in Alkmaar. Op de terechtzitting van 11 oktober 1994 was [verzoeker] aanwezig. Hij ontkende het delict en heeft – kort gezegd – verklaard dat zijn bekentenissen vals waren en uitsluitend conclusies betroffen die hij had getrokken naar aanleiding van wat de politie hem voorhield. Zijn raadsman heeft dienovereenkomstig gepleit en heeft vrijspraak gevraagd.
19. Bij vonnis van 14 oktober 1994 heeft de rechtbank te Alkmaar [verzoeker] vrijgesproken. De rechtbank oordeelde dat zij “
niet de overtuiging[heeft]
gekregen dat niet ook een ander het feit gepleegd kan hebben.” [25] [verzoeker] is die dag onmiddellijk in vrijheid gesteld. [26] De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
20. Zoals gezegd heeft het gerechtshof te Amsterdam [verzoeker] bij arrest van 26 oktober 1995 wegens ‘doodslag’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. [27] [verzoeker] is ter terechtzitting van het hof van 12 oktober 1995 niet verschenen. Wel had hij het hof een brief gestuurd met zijn (ongewijzigde) standpunt en met vermelding van de reden waarom hij niet vanuit Duitsland naar Nederland wilde komen (angst voor detentie). De terechtzitting vond plaats bij verstek. Zijn raadsman is wel verschenen en kreeg de gelegenheid voor pleidooi. Hij heeft vrijspraak bepleit op de grond dat aan de bekentenissen van [verzoeker] geen geloof kan worden gehecht. Hij heeft subsidiair onder meer gevraagd om nader rechtspsychologisch onderzoek naar de bekentenissen van [verzoeker] .
21. In het bestreden arrest is bewezen verklaard dat [verzoeker] :

op 2 juli 1994 te Petten, gemeente Zijpe, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een mes meermalen in de borst van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”

De bewijsvoering

22. De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden hieronder volledig weergegeven:

1. Het proces-verbaal met nummer PL1030/94-000621 (doorgenummerd blz. 204-209) d.d. 6 juli 1994, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op evenvermelde datum vanaf omstreeks 14.42 uur tegenover genoemde verbalisanten afgelegdeverklaring van verdachte:
U vraagt mij naar het eerste wat ik mij kan herinneren van zaterdagmorgen 2 juli 1994.
Ik heb gisteren verteld dat ik wakker ben geworden en, toen ik eenmaal buiten was, zag dat er bloed op mijn handen zat.
U zegt mij dat er geen bloed aan de tent is aangetroffen, terwijl ik met bebloede handen in deze tent ben gekropen.
Ik heb dit zelf verklaard.
Ik heb het mes weggegooid in de wasruimte op de camping in Petten. Ik heb vervolgens bloed van mijn handen gewassen. Ik heb toen gezien dat mijn handen besmeurd waren met bloed. Dit alles kan ik mij goed herinneren. Ik weet heel zeker dat ik het mes in de WC heb gegooid. Het mes is – uitgeklapt – ongeveer 18 á 20 centimeter; het lemmet is ongeveer 10 centimeter.
U vraagt mij op welk moment ik naar het toiletgebouw ben geweest. Ik zag dat [slachtoffer] dood was en dat ik bloed aan mijn handen had. Ik zag dat ik [slachtoffer] had verwond, dat ik bloed op mijn handen en op het mes had en ik zag dat er op [slachtoffer] ook bloed zat.
Ik vertel nu tegen u dat ik [slachtoffer] opzettelijk heb gestoken. Ik geef toe dat ik hem heb doodgestoken.
2. Het proces-verbaal met nummer PL1030/94-000621 (doorgenummerd blz. 210-213) d.d. 6 juli 1994, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op evenvermelde datum vanaf omstreeks 19.19 uur tegenover genoemde verbalisanten afgelegdeverklaring van verdachte:
Op zaterdag 2 juli 1994 na 02.00 uur bleef ik, nadat [betrokkene 3] , [betrokkene 6] , [betrokkene 5] en [betrokkene 7] naar bed waren gegaan, alleen met [slachtoffer] achter. Tijdens het gesprek met [slachtoffer] ben ik opgestaan en heb ik het mes, dat geopend op tafel lag, in mijn linkerhand gepakt.
Toen ik eenmaal stond, heb ik [slachtoffer] gestoken. Toen ik [slachtoffer] aan het steken was – opzettelijk een, twee keer – zag ik dat er bloed aan het mes zat.
[slachtoffer] zat nog steeds in zijn stoel. Ik ben vervolgens voor [slachtoffer] gaan staan en heb hem met mijn beide armen onder de oksels gepakt. Ik ben vervolgens met [slachtoffer] in mijn handen gaan staan. Ik liep met hem in de richting van het windscherm. Ik ben hierna gevallen, samen met [slachtoffer] in mijn handen. Wij vielen naast elkaar op de grond. Ik heb met mijn oor op de borst van [slachtoffer] gevoeld. Ik hoorde niets meer; geen hartslag. Ik wist toen dat hij dood was. Het begon reeds te schemeren. Ik ben terug naar de stoel van [slachtoffer] gegaan, omdat ik daar het mes had laten vallen. Ik vond het mes op de grond bij de stoel van [slachtoffer] . Met het mes in de hand ben ik direkt naar het toiletgebouw gegaan, heb het mes aldaar in een wc-pot gegooid en vervolgens mijn handen gewassen. Ik heb [slachtoffer] opzettelijk gestoken.
3. Het proces-verbaal met nummer PL1040/94-538267 (doorgenummerd blz. 4) d.d. 2 juli 1994, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, alsrelaas van genoemde verbalisanten:
Op zaterdag 2 juli 1994 kregen wij van de meldkamer de opdracht te gaan naar camping [A] te [plaats] , in verband met een mishandeld dan wel overleden manspersoon. Wij kwamen aldaar die dag om 06.23 uur aan. Wij begaven ons naar de plaats van het gebeurde. Aldaar troffen wij een ambulance en dokter [betrokkene 10] , die de dood van het slachtoffer had geconstateerd. Wij zagen het slachtoffer tegen de bij de grote tent geplaatste windschermen liggen. Wij zagen dat het slachtoffer op de borst twee wonden had. Wij zagen dat bij deze wonden gestold bloed zat. Wij zagen dat het hemd van het slachtoffer doordrenkt was van bloed. Wij zagen dat voor de grote tent enkele stoelen stonden. Eén daarvan vertoonde bloedvlekken op de zitting. Wij zagen dat onder die stoel, in het gras, ook bloed lag. Wij zagen dat het genoemde windscherm was omgevallen of -gezakt.
Bij ons vervoegden zich [betrokkene 7] en zijn vrouw [betrokkene 5] en dochter [betrokkene 6] . Voorts troffen wij twee personen, [betrokkene 3] en [verzoeker] . [betrokkene 3] , [betrokkene 7] en [verzoeker] zijn overgebracht naar het politiebureau te Schagen.
De personalia van het slachtoffer, voor zover bekend, luiden:
[slachtoffer] , geboren te [plaats] (D) en wonende te [plaats] .
4. Het proces-verbaal met nummer PL1040/94-000629 (doorgenummerd blz. 546-553) d.d. 6 juli 1994, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, alsrelaas van genoemde verbalisantenof van één of meer van hen:
Op zaterdag 2 juli 1994 hebben wij een onderzoek ingesteld naar de niet-natuurlijke dood van [slachtoffer] , geboren te [plaats] (Duitsland) op [geboortedatum] 1952. Door ter plaatse aanwezig politiepersoneel werd verklaard dat het slachtoffer op de kampeerplaats [...] van de camping " [A] " dood werd aangetroffen.
Het slachtoffer was in gezelschap van [betrokkene 7] , [betrokkene 5] en haar dochter [betrokkene 6] , [betrokkene 3] en [verzoeker] ( [geboortedatum] -62).
De camping " [A] " is gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Op zondag 3 juli 1994 was ik, [verbalisant 7] , aanwezig te Rijswijk bij de sectie op het slachtoffer door de patholoog-anatoom Hens.
De temperatuurmetingen bij het slachtoffer op de plaats van het delict gaven een aanwijzing dat het slachtoffer was overleden op 2 juli 1994 tussen 4.15 uur en 6.15 uur.
Gezien de verschijningsvorm van het bloed op de voorzijde van de broek van het slachtoffer en de druppel bloed die zich op de neus van de rechterschoen bevond, kan worden gesteld dat het slachtoffer, na te zijn gestoken, zich min of meer en al dan niet gedeeltelijk in een verticale positie heeft bevonden; de druppel bloed op de schoen gaf een aanwijzing dat die schoen zich na het steken in een min of meer horizontale positie heeft bevonden.
5. Het verslag met nummer 94298/H087 d.d. 12 augustus 1994, van de op 3 juli 1994 verrichte in- en uitwendige schouwing van het lijk van [...] (het Hof leest: [...] ) [slachtoffer] , geboren te [plaats] (Duitsland) op [geboortedatum] 1952 en dood aangetroffen op een camping te [plaats] op 2 juli 1994, opgemaakt door de beëdigd deskundige C.J.J. Hens, arts en patholoog van het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie te Rijswijk, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –

als samenvatting:

Bij de sectie is het volgende gebleken.
A
1. Er was een oppervlakkige, niet door de voorste borstwand perforerende steekverwonding rechtsvoor in de borst.
2. Er was een perforerende steekverwonding linksvoor in de borst. Steekkanaal achterwaarts, middenwaarts en onderwaarts verlopend; lengte ± 8 centimeter.
3. Perforatie van de voor- en achterwand van de rechter kamer van het hart; in het hartzakje ruim 200 cc bloed.
B
Er waren geen ziekelijke orgaanafwijkingen, die voor het intreden van de dood van betekenis zijn geweest.
Het aspect van de verwondingen, beschreven onder A1 t/m A3, was dat van letsels, zoals die door steken met een scherp voorwerp (bijvoorbeeld een mes) kunnen worden opgeleverd.
De letsels tengevolge van de steekverwonding, beschreven onder A2 en A3, hebben de dood tot gevolg gehad door orgaanbeschadiging en het ontstaan van een harttamponade.
Bij een harttamponade is er ophoping van bloed in het hartzakje, waardoor het hart zijn pompfunctie niet kan vervullen en er een circulatiestilstand ontstaat.

als conclusie:

Bij [slachtoffer] , oud 42 jaar, werden letsels ten gevolge van een steekverwonding in de borst vastgesteld, waarbij de voor- en achterwand van de rechter kamer van het hart waren geperforeerd en er een harttamponade was ontstaan. Het oplopen van deze letsels heeft de dood tot gevolg gehad.
23. Het hof heeft hieraan de volgende nadere bewijsoverweging toegevoegd:

Namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman bij pleidooi betoogd dat de verklaringen van de verdachte niet meer bevatten dan gedachten, vermoedens en conclusies omtrent hetgeen gebeurd zou kunnen zijn. Deze verklaringen, aldus de raadsman, mogen daarom niet voor het bewijs worden gebezigd.
Het Hof overweegt met betrekking tot dit betoog het volgende.
De hiervoor bij de bewijsmiddelen onder 2 opgenomen verklaring van verdachte, waarin hij bekent het slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk te hebben gestoken en waarin hij tevens beschrijft hoe te hebben gehandeld met het slachtoffer nadat hij had gestoken, staat niet op zichzelf.
Immers, in de bij de bewijsmiddelen onder 1 opgenomen verklaring van verdachte, die hij op dezelfde dag op een eerder tijdstip heeft afgelegd, heeft verdachte reeds verklaard dat hij het slachtoffer opzettelijk heeft gestoken. In latere verklaringen aan de politie (zoals die, opgenomen op de doorgenummerde pagina’s van het proces-verbaal 257 e.v., 266 e.v. en 271 e.v.) heeft verdachte het door hem steken van het slachtoffer bevestigd en overeenkomstig beschreven hetgeen hij daarna heeft gedaan. Dit laatste vindt tevens bevestiging in de door de politie aangetroffen situatie, zoals weergegeven in de onder 3 en 4 opgenomen bewijsmiddelen.
Het Hof acht daarom de verklaringen van verdachte, dat hij het slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk heeft gestoken, betrouwbaar en het is van oordeel dat ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden, die tot uitsluiting van het bewijs van die verklaringen zouden moeten leiden.”
24. Bij arrest van 8 oktober 1996 verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep dat namens de verzoeker tegen het veroordelend arrest was ingesteld. [28] Sindsdien is de veroordeling van [verzoeker] onherroepelijk.
25. [verzoeker] is vervolgens opgeroepen voor de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf. Na zijn invrijheidstelling op 14 oktober 1994 was hij naar Duitsland teruggekeerd. Hij heeft geen gevolg gegeven aan de oproep om zijn gevangenisstraf in Nederland te ondergaan. Duitsland levert geen eigen onderdanen uit. [verzoeker] werd op enig moment ‘internationaal gesignaleerd’.
In juni 2010 verbleef [verzoeker] met zijn gezin op vakantie in Spanje. Op 15 juni 2010 is hij in Malaga aangehouden op verzoek van de Nederlandse autoriteiten. Hij is op 25 juni 2010 uitgeleverd aan Nederland om aldaar het restant van zijn straf te ondergaan. [29]

Het eerste herzieningsverzoek

26. Op 13 september 2010 werd namens de verzoeker een eerste herzieningsverzoek ingediend. Daarbij zijn nova voorgesteld die ik hieronder volledig weergeef omdat zij zeven jaren later alsnog aanleiding hebben gegeven tot nader onderzoek. Bij dit eerste herzieningsverzoek werd overigens (subsidiair) reeds verzocht om nader feitenonderzoek naar deze nieuwe gegevens. De wet bood op dat moment echter geen grondslag voor dergelijk meer diepgaand onderzoek. Sinds 1 oktober 2012 wel: de zogeheten ACAS-procedure van de artikelen 461-463 Sv.
27. De nieuwe gegevens betroffen in de eerste plaats een tweetal briefjes, ondertekend door in totaal drie personen (van wie in het verzoekschrift ook de adresgegevens waren opgenomen). Het eerste briefje is afkomstig van [betrokkene 1] en door hem ondertekend. Ik citeer:

[plaats] , den 30. August 2010
Sehr geehrte Damen und Herren,
Ich, [betrokkene 1] , möchte mich zu dem Fall [verzoeker] äußern.
Ich habe erst vor ungefähr einer Woche gehört, dass der [verzoeker] wieder inhaftiert ist. Als ich dann seine Frau getroffen habe, habe ich erfahren, dass es wegen der Sache in Holland ist. Ich war sehr überrascht, da [betrokkene 3] mir selber erzählt hat, dass er es war.
Ich weiß nicht mehr wann, aber ich habe da auch nicht weiter drüber nachgedacht, da es schon so lange her ist und der [verzoeker] ja zuhause war.
Ich besitze eine Trinkhalle, wo [betrokkene 3] im Sommer öfter mal ein Bier trinken kam.
Mit freundlichen Grüßen
28. Het tweede briefje is afkomstig van [getuige 5] en [betrokkene 2] gezamenlijk en door hen beiden ondertekend. Ik citeer:

[plaats] , den 30. August 2010
Sehr geehrte Damen und Herren,
hiermit möchten wir [getuige 5] und [betrokkene 2] , Stellung zu dem Fall [verzoeker] nehmen.
Vor zwei bis drei Wochen habe ich gehört, dass der [verzoeker] wieder in Haft sitzt. As ich dann von seiner Frau gehört habe, dass es wegen dem Angelurlaub [30] und dem was damals passiert ist, ist, konnte ich das kaum glauben.
Ich habe ihr dann sofort gesagt, dass der [betrokkene 3] vor einigen Jahren zu mir gesagt hat, als wir im Garten saßen, dass er es war. Aber wann genau er das gesagt hat, kann ich nicht mehr sagen.
Ich habe auch nichts mehr dazu gesagt, habe den [verzoeker] ja jeden Tag mit dem Hund gesehen und der [betrokkene 3] meinte, dass ich die ganze Sache erledigt hat, da der [verzoeker] freigesprochen sei, da es niemanden zu Last gelegt werden kann. Ich bin bereit zu diesen Dingen auch vor Gericht vorzutragen.
Mit freundlichen Grüßen
29. Het ging in dit (eerste) herzieningsverzoek tevens om een passage uit het dagboek van [betrokkene 6] . Daarin is op 5 januari 1995 onder meer opgetekend:

(…) Weil der [betrokkene 3] den [slachtoffer] getötet hat aber er ist noch nicht im gefengnis (…).
30. Dit herzieningsverzoek van 13 september 2010 is door de Hoge Raad bij arrest van 5 april 2011 kennelijk ongegrond geacht en om die reden afgewezen. [31] Aan dit arrest ontleen ik de volgende overwegingen:

3.2.1. In de aanvrage wordt in de eerste plaats aangevoerd dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien het bekend was geweest met de bij de aanvrage overgelegde verklaringen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [getuige 5] , inhoudende dat [betrokkene 3] tegenover hen heeft bekend dat hij het is geweest die [slachtoffer] heeft gedood.
3.2.2. Aan deze verklaringen kan niet een ernstig vermoeden worden ontleend als hiervoor onder 3.1 vermeld. Die verklaringen betreffen immers mededelingen welke zouden zijn gedaan door genoemde [betrokkene 3] , die - aldus de aanvrage - inmiddels is overleden en die de aan hem toegeschreven mededelingen dus niet meer kan ontkennen of bevestigen. Die verklaringen houden voorts niets in omtrent het tijdstip waarop, de omstandigheden waaronder en de redenen waarom die mededelingen zouden zijn gedaan.
3.3.1. In de aanvrage wordt in de tweede plaats aangevoerd dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien het bekend was geweest met een fragment uit het dagboek van [betrokkene 6] waarin genoemde [betrokkene 3] als de dader wordt aangemerkt.
3.3.2. Van deze omstandigheid kan niet worden gezegd dat deze het Hof niet bekend was, gelet op hetgeen de raadsman van de aanvrager bij de behandeling van de zaak in appel heeft aangevoerd, zulks met een beroep op hetzelfde, aan zijn pleitnotities gehechte dagboekfragment dat bij de aanvrage is overgelegd.

De ACAS-procedure

31. Bij verzoekschrift van 11 juli 2017 hebben mrs. Van Schaik en Groen aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden verzocht om op de voet van artikel 461 Sv over te gaan tot het verrichten van nader onderzoek naar het bestaan van gronden voor de herziening van het veroordelende arrest. [32] Ondergetekende heeft het verzoekschrift in behandeling genomen. In overeenstemming met artikel 462 Sv is de (onafhankelijke) Adviescommissie afgesloten strafzaken (ACAS) gevraagd om advies over de wenselijkheid van een nader onderzoek in deze zaak.
32. Het verzoek om nader onderzoek strekte onder meer tot het verrichten van forensisch onderzoek aan bepaalde voorwerpen, zoals de kleding van [betrokkene 3] , onderdelen van de tent, en kleding van het slachtoffer. Ten behoeve van de advisering hierover heeft de ACAS mij verzocht om na te gaan of in deze zaak nog stukken van overtuiging dan wel (andere) sporendragers beschikbaar waren voor (nieuw) forensisch onderzoek. Desgevraagd kreeg ik op 11 oktober 2018 van de politie het bericht dat navraag bij het NFI, de afdeling Forensische opsporing van de politie en de Dienst domeinen roerende zaken géén resultaat had opgeleverd. Ik heb de ACAS hiervan op de hoogte gesteld.
33. De ACAS heeft ten behoeve van de advisering zelf een aantal betrokkenen bij het opsporingsonderzoek gehoord, te weten twee plaatsvervangend-officieren van justitie (beiden waren destijds in opleiding tot rechterlijk ambtenaar), de teamleider van het rechercheteam en de tactisch coördinator van het rechercheteam.
34. Op 16 september 2019 bracht de ACAS haar advies uit over de vraag naar de wenselijkheid van nader onderzoek. De ACAS concludeerde als volgt:

In haar jaarverslag 2017 heeft de Commissie aandacht besteed aan wat zij potentieel onveilige veroordelingen heeft genoemd. Daartoe behoren onder meer zaken waarin forensisch-technisch bewijs afwezig is en de bewezenverklaring vergaand stoelt op een bekennende verklaring die naar huidig inzicht twijfel oproept. [33] De Commissie is van oordeel dat de zaak van verzoeker in deze categorie valt en het is om die reden dat zij adviseert om de onderzoekwensen 3 en 4 van verzoeker te honoreren en wel langs de lijnen die de Commissie hierboven heeft geschetst.
35. Het advies van de ACAS hield daarmee in om het volgende nader onderzoek te (doen) verrichten:
(1). Het verhoor van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [getuige 5] , naar aanleiding van hun op schrift gestelde mededelingen dat [betrokkene 3] tegenover hen heeft bekend dat hij het is geweest die [slachtoffer] heeft gedood, alsook het verhoor van [betrokkene 6] over haar dagboekaantekeningen.
(2). Onderzoek naar de wijze waarop de door de verzoeker in het vooronderzoek afgelegde verklaringen tot stand zijn gekomen door een rechtspsycholoog die de Duitse taal perfect beheerst.

De ACAS over forensisch-technische aspecten van de zaak

36. Alvorens in te gaan op de opvolging van dit advies, geef ik nog enkele passages uit het advies van de ACAS weer die betrekking hebben op de forensisch-technische aspecten van de zaak (met inbegrip van doorgenummerde voetnoten, die – op twee na – van de ACAS afkomstig zijn):
“Forensisch-technische aspecten II: het mes en kleding
Omdat het mes waarmee het slachtoffer is gestoken een belangrijke rol speelt in de verklaringen van verzoeker en in de bewijsconstructie, heeft de Commissie met speciale aandacht gekeken naar de verslaglegging in het dossier van het onderzoek naar dat mes. Volgens de voor het bewijs gebruikte verklaring van verzoeker zou hij dat mes, na daarmee [slachtoffer] te hebben gedood, in een wc-pot in het toiletgebouw hebben gedeponeerd.
Een schoonmaker heeft verklaard dat hij op zaterdagmorgen 2 juli 1994 bij het schoonmaken van de douches een mes vond, dat kennelijk onder een douchebankje lag. De schoonmaker heeft dat mes op het douchebankje gelegd. [34] Door leden van het Bijstandsteam is bij proces-verbaal gerelateerd dat op de muur van de doucheruimte alwaar de schoonmaker het mes had aangetroffen ook een bruine verkleuring waarneembaar was. Door de technische recherche is op verzoek van de teamleider van het Bijstandsteam nader onderzoek naar die verkleuring gedaan. Dat wees uit dat de verkleuring in de steen was ingebakken en dat deze dus voor het onderzoek irrelevant was. [35]
In de zoektocht naar het mes is door de technische recherche op 4 juli 1994 voorts de uitstort van de chemische wc’s onderzocht. Er werd niets ter zake dienend aangetroffen. Op 5 juli 1994 zijn door de technische recherche een wc en wastafel nader onderzocht. Het ging om de wc die verzoeker had aangewezen als de wc waarin hij het mes zou hebben weggegooid en de wastafel waaraan hij vervolgens zijn handen zou hebben gewassen. De technische recherche heeft de sifon-inhoud van de wastafel veiliggesteld (spoornummer 701). Deze sifon-inhoud is voor nader onderzoek overgebracht naar het Gerechtelijk Laboratorium. Over de resultaten van onderzoek naar de inhoud van de sifon is in het dossier niets terug te vinden. De technische recherche heeft de wc-pot verwijderd, maar trof geen mes aan. De technische recherche heeft wel gerapporteerd dat de zwanenhals van de wc-pot voldoende ruimte bood voor het doorspoelen van een mes van rond de 10 cm (in ingeklapte vorm). De wc mondde direct uit in het riool. [36]
Het onderzoek van de technische recherche werd, zoals opgemerkt, ingegeven door de bekennende verklaringen van verzoeker, waarin hij onder meer vertelde dat hij het mes in de wc van de wasruimte heeft gegooid. [37] Deze locatie wijkt af van de door de schoonmaker beschreven locatie van een mes. Volgens de schoonmaker trof hij in de vroege ochtend van zaterdag 2 juli 1994 bij zijn schoonwerkzaamheden een mes in de doucheruimte aan, dat hij op een douchebankje heeft gelegd. [38] Ondanks verdere naspeuringen van de politie – waaronder ook een oproep aan de gasten van de camping – is dat mes nooit gevonden. De Commissie stelt op basis daarvan vast dat uitsluitend in verzoekers verklaringen steun kan worden gevonden voor de beschuldiging dat verzoeker het slachtoffer met een mes heeft gestoken en voor de veronderstelling dat hij dit mes vervolgens in de wc van de wasruimte heeft gegooid.
Het mes dat verzoeker zou hebben gebruikt, zou overigens een mes zijn dat aan [betrokkene 3] toebehoorde en dat verzoeker van [betrokkene 3] zou hebben geleend. [betrokkene 6] zegt daarover in haar verhoor van maandag 4 juli 1994 dat zij heeft gezien dat verzoeker het mes aan [betrokkene 3] terug heeft gegeven. [39]
Tussen verzoekers verklaringen over het mes en de overige resultaten van het opsporingsonderzoek zit een discrepantie. Het is de Commissie opgevallen dat meer discrepanties kunnen worden vastgesteld tussen enerzijds de verklaringen van verzoeker en anderzijds de overige resultaten van het opsporingsonderzoek. Bovendien heeft de Commissie moeten vaststellen dat naar specifieke aspecten uit de verklaringen van verzoeker geen (kenbaar) onderzoek is verricht. In het bij het verzoekschrift gevoegde rapport van Forensicon is daarop ook de aandacht gevestigd.
De Commissie wijst ter illustratie op de volgende voorbeelden:
1.
Als verzoeker degene is geweest die het slachtoffer heeft gestoken, zou het voor de hand liggen de door verzoeker gedragen kleding op (bloed)sporen te onderzoeken. [40] Uit het dossier blijkt niet dat de kleding van verzoeker op bloedsporen is onderzocht.
2.
Als verzoeker degene is geweest die het slachtoffer heeft gestoken, zouden bovendien (bloed)sporen kunnen worden verwacht op de plaatsen waar verzoeker vervolgens is geweest. In de kleine tent, noch in de auto waarin verzoeker na het overlijden van [slachtoffer] slapend is aangetroffen, zijn bloedsporen aangetroffen.
3.
Verzoeker heeft verklaard dat hij in de auto op zijn horloge heeft gekeken en dat het toen tussen 05.20 uur en 05.40 uur was en hij heeft eraan toegevoegd dat hij zijn horloge tijdens het wassen van zijn handen niet heeft afgedaan. [41] Als verzoeker degene is geweest die het slachtoffer heeft gestoken, zou het voor de hand liggen het horloge op (bloed)sporen te onderzoeken. Uit het dossier blijkt niet dat het horloge is onderzocht op bloedsporen.
4.
De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat een man die kan beantwoorden aan het signalement van [betrokkene 3] in de nacht van 1 op 2 juli 1994 de tent van deze getuige is ingegaan en dat deze man om zijn pols een lichtje had dat voortdurend aan en uit ging. [42] Uit het dossier blijkt niet dat naar dat “knipperend licht” onderzoek is gedaan. Als dat “knipperend licht” zou hebben geduid op een door [betrokkene 3] gedragen horloge, blijkt uit het dossier niet dat een horloge van [betrokkene 3] is onderzocht op (bloed)sporen.
5.
Uit het dossier blijkt niet dat in het toiletgebouw onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van bloed met behulp van detectiemethoden.
6.
Microsporen van de hand en het gelaat van [slachtoffer] zijn veiliggesteld in de spoornummers 606-609. Uit het dossier blijkt niet dat deze sporen voor nader onderzoek zijn aangeboden aan het Gerechtelijk Laboratorium.
7.
De Commissie wijst voorts op de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] , die hebben gesproken over een kledingstuk dat zij in de toiletruimte hebben gezien. De getuige [getuige 3] heeft verklaard op 2 juli 1994 tussen 06:00 uur en 06:30 uur een bontgekleurd hemd, met de kleuren bruin en geel, te hebben aangetroffen op een van de wastafels van het toiletgebouw. [43] De getuige [getuige 4] heeft verklaard dat bij de eerste wasbak bij binnenkomst van de herenafdeling van het toiletgebouw een poloshirt lag: een beetje goor, met horizontale witte en donkerblauwe strepen. [44] Uit het dossier blijkt niet dat nader onderzoek naar dit hemd of dat poloshirt heeft plaatsgevonden, teneinde dat te kunnen onderzoeken op (bloed)sporen. Verzoeker heeft destijds verklaard dat hij een door hem gedragen, met bloed bevlekt T-shirt heeft achtergelaten in de toiletruimte, nadat hij tevergeefs zou hebben geprobeerd (ook) dat T-shirt door de wc te spoelen. [45] Dat zou een grijs “fruit of the loom” shirt zijn geweest. [46] De door de leden van het reisgezelschap gegeven informatie over de kleding van verzoeker wijkt evenwel af van de beschrijving die de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] hebben gegeven van het door hen waargenomen kledingstuk en van het door verzoeker beschreven T-shirt dat met bloed zou zijn bevlekt. [betrokkene 7] heeft verklaard dat hij verzoeker in de ochtend van 2 juli 1994 wakker heeft gemaakt in de auto en dat hem toen niets is opgevallen aan de kleding van verzoeker. [47] [betrokkene 7] heeft voorts verklaard dat verzoeker in de avonduren van 1 juli 1994 een rood T-shirt heeft geleend, dat verzoeker ook de daaropvolgende dag nog droeg. [48] [betrokkene 5] heeft verklaard dat verzoeker in de ochtend van 2 juli 1994 dezelfde kleding droeg als die hij de avond / nacht ervoor had gedragen (een mouwloos shirt en een korte, blauwe broek). [49]
Forensisch-technische aspecten III: zijn de uitlatingen van verzoeker over het mes als daderkennis aan te merken?
De Commissie heeft, zoals hiervoor reeds is opgemerkt, de opnames van de reconstructie van 21 juli 1994 bestudeerd. Van een verhoor van verzoeker tijdens een schorsing van de reconstructie is alleen een audio-opname gemaakt. Tijdens dat verhoor heeft verzoeker gezegd niet te weten wat zich heeft afgespeeld en of hij het slachtoffer gestoken heeft: het zijn alleen maar vermoedens en redeneringen achteraf, aldus verzoeker. De Commissie wijst op de volgende uiteenzetting die de rechter-commissaris tijdens de reconstructie aan verzoeker heeft voorgehouden: [50]
En hoe komt u er dan bij dat er een mes in de douche is achtergelaten? Dat heeft de politie u niet verteld. U heeft gezegd dat u het mes wilde laten verdwijnen door het in de douche te gooien. U heeft geprobeerd het mes door te spoelen en dat is niet gelukt en u heeft het toen daar laten liggen. Dat is precies de plaats geweest waar het mes door een getuige is aangetroffen. Dat is iets wat alleen de dader kan weten
.” [51]
De Commissie acht deze opmerkingen van de rechter-commissaris [52] over het mes ongelukkig. [53] Er is immers geen mes aangetroffen dat door de dader is gebruikt om het slachtoffer mee te steken. Bovendien strookt de opmerking van de rechter-commissaris niet met de eerdere verklaringen van verzoeker: volgens die verklaringen zou het mes in een wc zijn gegooid, zou verzoeker zijn met bloed bevlekte T-shirt hebben uitgetrokken en hebben geprobeerd dat ook door de wc te spoelen en zou dit T-shirt in het toiletgebouw zijn achtergebleven toen het niet lukte om dat door de wc te spoelen. [54] Het is daarom in tweeërlei opzicht onjuist de ook overigens nauwelijks gesubstantieerde beweringen van verzoeker over het mes als daderkennis aan te merken.

De uitvoering van het advies van de ACAS

37. Mijn besluit om aan het advies van de ACAS uitvoering te geven is bij brief van 29 oktober 2019 aan de raadslieden meegedeeld. Deze brief en het advies van de ACAS zijn (geanonimiseerd) gepubliceerd op de website van de Hoge Raad. [55] Ik heb de rechter-commissaris van de rechtbank Noord-Holland, mr. C.A. Boom, bereid gevonden over te gaan tot (1) het verhoor van de genoemde getuigen (in Duitsland) en (2) de benoeming van een rechtspsycholoog. Van beide onderzoeken zal ik hieronder de resultaten weergeven.

Onderzoeksresultaten 1: de verhoren in Duitsland

38. In vervolg op een daartoe strekkende rogatoire commissie van de rechter-commissaris, vonden verhoren in Duitsland plaats op 22 juli 2020 in het gebouw van het
Amtsgerichtte [plaats] , zulks onder leiding van een Duitse rechter, en in aanwezigheid van de (Nederlandse) rechter-commissaris, de griffier van de rechter-commissaris, de advocaten van de verzoeker, mrs. Van Schaik en Groen, en van mijzelf. Een tolk Duits-Nederlands verleende bijstand. Telkens nadat de Duitse rechter haar vragen aan de getuige had gesteld, kregen de genoemde aanwezigen de gelegenheid om vragen te stellen. De verklaringen werden op schrift gesteld en vervolgens (na lezing) voor akkoord ondertekend door de getuigen. De rechter-commissaris heeft later voor een vertaling in het Nederlands zorggedragen en uit die vertalingen put ik (met één correctie daarvan).
39. Anders dan uit het herzieningsverzoek zou kunnen worden begrepen, zijn de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]
nietgehoord. Er is in het herzieningsverzoek vrij evident sprake van een verwarring van namen. Om die reden zal ik de Hoge Raad hieronder voorstellen om het herzieningsverzoek verbeterd te lezen. Ik zal toelichten wat uit de verhoren in Duitsland naar voren is gekomen.
40. De twee briefjes waaraan ik hierboven al heb gerefereerd zijn opgesteld namens in totaal drie getuigen. Zij hebben betrekking op een
tweetalvoorvallen waarin [betrokkene 3] aan de desbetreffende getuige(n) – volgens die getuige(n) – zou hebben laten weten dat hij, [betrokkene 3] , degene is die iemand in Nederland had gedood. Dat was (1) (volgens [betrokkene 1] ) eenmaal in de ‘
Trinkhalle’ van [betrokkene 1] , en (2) in een park, zittend op een bankje, gelijktijdig aan [betrokkene 2] en [getuige 5] (althans volgens de getuige [getuige 5] ).
Het is [betrokkene 1] die bleek te zijn overleden en die dus niet meer kon worden gehoord. Het is de getuige [betrokkene 2] die op 22 juli 2020 buiten op de trappen van het
Amtsgerichtdermate ongelukkig ten val kwam dat hij in een ziekenhuis moest worden opgenomen en op deze dag niet meer kon worden gehoord. Op grond van hetgeen zijn wél verschenen bewindvoerder ons over de (geestelijke) gezondheidstoestand van [betrokkene 2] meedeelde (onder overhandiging van een medische verklaring) is door de rechter-commissaris en mijzelf in samenspraak met mrs. Van Schaik en Groen besloten om (geheel) af te zien van het verhoor van de getuige [betrokkene 2] . Van het drietal ‘briefschrijvers’ kon dus alleen [getuige 5] worden gehoord.
41. De getuige [getuige 5] heeft als volgt verklaard:

Ik ken [verzoeker] . Wij zijn samen opgegroeid in [plaats] . We gingen naar dezelfde school. Vervolgens hebben we elkaar een paar jaar niet meer gezien. Op een bepaald moment zijn we elkaar weer tegengekomen. Wanneer dat precies was weet ik niet meer. Hij is met de drankenhal begonnen. Het was [betrokkene 1] die met de drankenhal is begonnen. De drankenhal was daarvoor of daarna van [betrokkene 4] , dat weet ik niet meer precies.
Ter verduidelijking:
De ex-vrouw van [betrokkene 1] had de drankenhal. De vrouw van [verzoeker] heeft later de drankenhal overgenomen. In ieder geval ben ik [verzoeker] ooit in de drankenhal tegengekomen. Ik drink graag af en toe een biertje. Dat was in een tijd toen hij de drankenhal nog niet had. Die ontmoeting vond echter pas plaats toen [verzoeker] niet meer in de gevangenis zat.
Op een bepaald moment ben ik [betrokkene 4] tegengekomen, de vrouw van [verzoeker] . Die vertelde dat [verzoeker] in Nederland in de gevangenis zat. Ze vertelde dat hij daar een man had neergestoken. Over [betrokkene 3] kan ik vertellen dat we misschien in 2009 samen op een bankje in een bos hebben gezeten aan de Hans-Böckler-Straβe in de buurt van de drankenhal. Daar heeft [betrokkene 3] gezegd dat hij iemand in Nederland heeft omgebracht.
Dat kan ook in 2008 zijn geweest. Ik weet niet meer wanneer dat was. We hebben bier gedronken dat we uit de drankenhal hadden gehaald. Behalve ik was er ook [betrokkene 3] en [betrokkene 2] bij. Ik weet niet of [betrokkene 3] dat serieus bedoelde of dat het een grapje was. In ieder geval zei hij tegen ons dat hij in Nederland iemand had omgebracht. Dat heb ik later aan [betrokkene 4] verteld. Die heeft toen een tekst opgesteld die [betrokkene 2] en ik hebben ondertekend. Ik kan vandaag helemaal niet meer zeggen welk jaar dat was, toen ik dat heb geschreven en toen dat voorgevallen is. Ik weet ook niet meer in welk verband [betrokkene 3] die verklaring heeft afgelegd. Ik herhaal dat ik niet weet of hij die bewering serieus meende.
Als u me vraagt hoe lang de periode was tussen de verklaring van [betrokkene 3] en de ontmoeting met [betrokkene 4] , waar ik haar heb verteld, wat [betrokkene 3] heeft verteld: dat kan ik nu niet meer zeggen. Er kunnen 1 of 2 maanden zijn voorbijgegaan. Ik weet dat niet precies, het kan ook 1 jaar of zelfs langer zijn geweest.
Dat schrijven hebben [betrokkene 2] en ik bij [betrokkene 4] ondertekend. De tekst hebben we samen opgesteld. We hebben toen allebei ondertekend. Wie die vertaling naar het Nederlands heeft gemaakt, die onder de tekst staat, dat weet ik niet. [56]
[betrokkene 1] ken ik. [57] Die had toen een drankenhal. Dat hij ook verklaringen heeft opgesteld, wist ik niet.
Na de gebeurtenis op het bankje heb ik [betrokkene 3] niet meer vaak gezien. Dat gebeurde niet. Ik ben nu vaker in [plaats] dan in [plaats] .
Ik kan nu niet meer zeggen hoezo ik weet dat [betrokkene 3] over die zaak heeft gesproken, waarvoor [verzoeker] in de gevangenis zat. Ik weet alleen maar dat hij erover sprak dat hij iemand in Nederland zou hebben omgebracht. [betrokkene 3] heeft gezegd dat hij in Nederland was. Daar waren [verzoeker] en [slachtoffer] bij. Hij heeft niet verteld waarom hij iemand had omgebracht. We hebben toen tegen hem gezegd dat hij geen onzin moest vertellen en zijn toen doorgegaan met bier drinken. De achternaam van [slachtoffer] ken ik niet. We hebben in de jaren 80 wel eens gebiljart. Meer weet ik niet. Wie het slachtoffer in Nederland was, weet ik ook niet. [betrokkene 3] heeft ook niet verteld wie hij heeft omgebracht.
42. Met dank aan de Duitse rechter oogt deze verklaring redelijk coherent en opeenvolgend afgelegd, maar de werkelijkheid was iets anders. Ik kom daarop en met name op de inhoud en de geloofwaardigheid van deze verklaring terug.
43. In [plaats] werden die dag ook gehoord [betrokkene 6] en haar moeder [betrokkene 5] , [58] inmiddels [betrokkene 12] en [betrokkene 11] geheten. [betrokkene 6] wist nog dat zij in 1994/95 een dagboek bijhield en herkende haar handschrift op de afschriften van dat dagboek. Zij kon zich van de inhoud daarvan echter niets meer herinneren. Dat gold tot op zekere hoogte ook voor de gebeurtenissen op de camping, al kon zij zich nog wel herinneren dat zij werd gehoord door de politie en dat zij
ietsvoor de politie wilde achterhouden maar dat ‘iets’ toch aan de politie had verteld (ik vermoed: de droom van [verzoeker] ). [59] Haar gebrek aan herinneringen kon naar haar zeggen samenhangen met de therapie die zij na het – voor haar traumatische – voorval had ondergaan. Verder verhoor van [betrokkene 6] had geen nut.
In essentie geldt hetzelfde voor het verhoor van [betrokkene 11] , al kon zij zich nog wel herinneren dat zij degene was die het dagboek van [betrokkene 6] aan de politie ter beschikking had gesteld.

Onderzoeksresultaten 2: rechtspsychologische rapportage van dr. M. Sauerland

44. Op advies van de ACAS en in samenspraak met de advocaten van de verzoeker is besloten tot de benoeming van dr. M. Sauerland, verbonden aan The Maastricht Forensic Institute (TMFI). Zij heeft op 25 juni 2020 aan de rechter-commissaris gerapporteerd. Meer over haar achtergrond is te vinden in het rapport.
45. De rechter-commissaris en ik hebben er na beraad voor gekozen om aan de rechtspsycholoog – kort gezegd – uitsluitend de weergave van de verklaringen van [verzoeker] (met inbegrip van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, het geluids- en beeldmateriaal van de reconstructie en de door [verzoeker] geschreven brieven) ter beschikking te stellen en niet de rest van het dossier, hoewel de deskundige daar op enig moment wel om heeft gevraagd. Hiermee hebben de rechter-commissaris en ik willen voorkomen dat het oordeel van de deskundige over de wijze waarop en de condities waaronder de verhoren van [verzoeker] plaatsvonden, alsmede over de (mentale) gesteldheid van de persoon van [verzoeker] , en dus haar oordeel over de geloofwaardigheid van de verklaringen van [verzoeker] , zou worden beïnvloed door informatie over bijvoorbeeld het forensische bewijs tegen [verzoeker] (dan wel het gebrek daaraan). Ook rechtspsychologen kunnen immers op oneigenlijke gronden worden beïnvloed door contextuele informatie. Zou de rechtspsycholoog op basis van hetzelfde uitgangsmateriaal ook oordelen dat de bekentenissen waarschijnlijk vals zijn als ze bovendien zou hebben geweten dat er tegen [verzoeker] een vracht aan forensisch-technisch bewijs lag? Nu kon ze slechts
vermoedendat dat niet zo was.
46. Ik realiseer mij dat het onthouden van dergelijke informatie de rechtspsycholoog ook kan hinderen bij het verrichten van een analyse aan de inhoud van de verklaring van [verzoeker] . Een dergelijke analyse is echter naar mijn inzicht in beginsel voorbehouden aan de rechter. Niettemin zijn in de rapportage van de deskundige wel degelijk ‘sporen’ van een inhoudelijke analyse terug te vinden, daar waar zij de verklaringen van [verzoeker] vergelijkt met het “
externe bewijs” en met “
extern gevalideerde feiten” waarmee zij bekend is geworden door de (vele gesloten) vragen die de politie aan [verzoeker] heeft gesteld. Zij constateert – op zichzelf overigens terecht – dat bepaalde passages in de verklaringen van [verzoeker] niet stroken met onderzoeksresultaten die voor juist gehouden mogen worden. Ook de ACAS was dat opgevallen.
47. Na deze inleiding geef ik hier de meest relevante passages uit het rapport weer. Ik citeer:
“ [verzoeker] heeft verklaringen afgelegd tijdens 19 verhoren, een reconstructie en ter terechtzitting. Daarnaast heeft hij verklaringen opgetekend in door hem geschreven brieven. U heeft mij verzocht deze verklaringen te onderzoeken.
In mijn analyse kom ik tot de conclusie dat zijn bekennende verklaringen meerdere kenmerken vertonen die vaak voorkomen bij valse bekentenissen. Daarbij gaat het om a) situationele factoren (opsluiting en afzondering, veel lange verhoren, gebruik van verbeelding, suggestieve verhoren, weinig mogelijkheden om met een advocaat te overleggen, geëmotioneerdheid, zich schuldig voelen, willen helpen bij het onderzoek, dromen over het zijn van de dader) en b) dispositionele factoren (geloof in een rechtvaardige wereld, memory distrust); c) de voortgang van de verklaringen (de eerste bekentenis werd gedaan na diverse verhoren, het verhaal veranderde in de loop der tijd) en d) het feit dat het externe bewijs niet overeenkomt met de verklaringen bij de bekentenissen. Mijn conclusie luidt dat er sterke aanwijzingen zijn dat de bekentenissen van verdachte vals zijn. In hetgeen volgt, licht ik mijn conclusies nader toe.
(...)
Diverse triggers die worden genoemd in de literatuur zijn aanwezig in de huidige zaak: 1) [verzoeker] had een droom waarin hij viel met het mes en daarbij het slachtoffer verwondde. 2) Na zijn eerste bekentenis op 4 juli 1994 was [verzoeker] in hechtenis, afgezonderd van zijn familie, die in een ander land verbleef, en had hij weinig mogelijkheden om met een advocaat te overleggen. Bij de 13 verhoren die plaatsvonden tussen de eerste bekentenis en 25 juli was [verzoeker] advocaat slechts twee keer aanwezig. 3) De processen-verbaal van de verhoren vertonen bewijs over[bedoeld wordt:
van, D.A.]
confirmation biases. 4) [verzoeker] bevond zich in een emotionele gemoedstoestand, hij voelde zich schuldig en was erg emotioneel tijdens zijn eerste bekentenis. 5) Tenslotte wilde [verzoeker] helpen om de zaak op te lossen en verleende hij volledige medewerking aan de politie, in plaats van beschermende maatregelen te nemen in een situatie waarin hij verdachte was geworden.
[verzoeker] vertelde voortdurend dat hij gaten in zijn geheugen had over de nacht van de gebeurtenis. Na de droom speculeerde hij of wat hij gedroomd had werkelijk gebeurd kon zijn (dus of het misschien aannemelijk was).
(…).
Na het verhoor veranderde deze speculatie in aanvaarding en legde [verzoeker] voor het eerst een bekentenis af: “Ja, ik heb het gedaan.”
Vervolgens reconstrueerde [verzoeker] zijn verhaal om het consistent te maken met externe aanwijzingen. Bij verschillende gelegenheden leverden de rechercheurs de aanwijzingen die essentieel waren voor dit proces (dus meerdere steekwonden, niet slechts één; geen bloed in de tent; het mes is gevonden, dus [verzoeker] kan het niet doorgespoeld hebben). Dit proces werd door [verzoeker] aangeduid als logische gevolgtrekkingen, logische verklaringen, conclusies (“Schlussfolgerungen”). Hij zei vaak dat hij er niet zeker over was en beantwoordde veel vragen met “weet ik niet”.
[verzoeker] trok zijn bekentenis meerdere malen in, maar herhaalde zijn bekennende verklaringen ook. Na 21 juli 1994 bleef hij consistent verklaren dat hij zijn schoonvader niet had gedood (inzicht).
Samenvattend kan worden gesteld dat de gebeurtenissen die zich in deze zaak ontwikkelden in hoge mate overeenkomen met beschrijvingen van memory distrust in de literatuur. Gezien de omstandigheden is het zeer aannemelijk dat de bekentenissen (deels) het gevolg zijn van de vele lange verhoren en de manier waarop die werden uitgevoerd. De droom speelde een belangrijke rol, in die zin dat [verzoeker] in de eerste plaats hierdoor werd getriggerd om te speculeren over dat hij de dader was. Zijn emotionele toestand was waarschijnlijk een andere trigger.
(…)
Zonder onderscheid te maken tussen de vroege en de late verhoren is duidelijk dat de rechercheurs vanaf 4 juli werkten in de veronderstelling dat [verzoeker] de dader was en dat ze enkel tot doel hadden om deze hypothese te bevestigen (dus confirmation bias). Hun vragen waren erop gericht om [verzoeker] bekentenis te bevestigen en meer details los te krijgen uit hem die overeenkwamen met het externe bewijs. Soms suggereerden ze een gang van zaken die zij verwachtten te horen. Toen [verzoeker] de verwachte details niet kon leveren en leek te raden, werden ze geïrriteerd en ongeduldig. De processen-verbaal bevatten geen aanwijzingen dat ze de mogelijkheid overwogen dat [verzoeker] wellicht niet de dader was.
Tijdens het verhoor op 9 juli 1994 zei [verzoeker] zo vaak “Ik weet het niet” dat dit de rechercheurs aan het denken had moeten zetten. Op dit punt zou het redelijk geweest zijn om te concluderen dat de verklaringen van de verdachte onbetrouwbaar waren door de grote gaten in zijn geheugen en dat ze het onderzoek moesten richten op ander bewijs om deze zaak op te lossen. De rechercheurs negeerden zijn gebrekkige herinneringen echter en bleven [verzoeker] keer op keer ondervragen over dezelfde feiten, tijdens dit verhoor en de andere verhoren, wat leidde tot een reeks van wel 19 verhoren in 24 dagen. Tijdens de reconstructie op 21 juli werd [verzoeker] aangemoedigd om de steekpartij uit te beelden, ook al bracht hij als bezwaar in dat hij zich daar niets van herinnerde. Zulke verbeeldingstechnieken dragen een risico met zich mee dat er onjuiste herinneringen door ontstaan.
(…)
Andere kenmerken van zijn bekentenissen komen ook overeen met valse bekentenissen: Aanvankelijk ontkende [verzoeker] dat hij betrokken was geweest bij de dood van het slachtoffer, maar na een aantal verhoren bekende hij; diverse externe bewijsstukken kwamen niet overeen met [verzoeker] verklaringen; [verzoeker] paste zijn verklaringen aan zodat zij klopten met de feiten waarover de rechercheurs hem meerdere malen hadden verteld. Zo was er geen bloed aangetroffen binnen in de tent (maar [verzoeker] verklaarde dat hij het mes had meegenomen in de tent), en het Fruit of the Loom-T-shirt waarvan [verzoeker] zei dat hij het die nacht had gedragen en had uitgetrokken met bloedvlekken erop, is nooit gevonden. Er is vastgesteld dat hij dit specifieke T-shirt helemaal niet had meegenomen naar Petten. Verder zijn er geen bloedvlekken aan getroffen op het mouwloze shirt dat [verzoeker] die nacht wel droeg.
Samenvallend laten de verklaringen van [verzoeker] duidelijk kenmerken zien die passen bij valse bekentenissen. De vele aanwezige risicofactoren voor valse bekentenissen maken het moeilijk om met een aannemelijk scenario te komen ter verklaring van de inconsistenties tussen de bekentenissen en het externe bewijs bij deze uitermate goed meewerkende verdachte, anders dan dat [verzoeker] niet de dader is. Ik kan geen inschatting geven van de waarschijnlijkheid dat de verdachte schuldig dan wel onschuldig is, maar ik kan wel zeggen dat er sterke aanwijzingen zijn dat de bekennende verklaringen van [verzoeker] vals zijn.
(…)
Conclusie
Zorgvuldige inspectie van het dossier en de verstrekte opname heeft geleid tot de volgende conclusies. De bekennende verklaringen hebben verschillende kenmerken die gebruikelijk zijn bij valse bekentenissen;
1. De verdachte was opgesloten en afgezonderd van vrienden en familie.
2. De verdachte werd 19 keer ondervraagd, soms twee keer per dag en gedurende meerdere uren.
3. De verdachte had weinig mogelijkheden om met een advocaat te overleggen en werkte volledig mee.
4. De verhoren waren soms suggestief en er werd verbeelding gebruikt tijdens de reconstructie.
5. De verdachte was geëmotioneerd.
6. De verdachte voelde zich schuldig en wilde het onderzoek ondersteunen.
7. De verdachte droomde dat hij de dader was.
8. De verdachte geloofde in een rechtvaardige wereld en dat de waarheid uiteindelijk boven water zou komen.
9. De verdachte had waarschijnlijk last van memory distrust.
10. De verdachte bekende aanvankelijk niet, maar deed dat wel na een aantal verhoren,
11. De verklaringen van de verdachte over de volgorde van de gebeurtenissen veranderden naarmate de verhoren vorderden.
12. De bekentenissen komen niet overeen met extern gevalideerde feiten.
Het scenario dat de bekentenissen vals zijn, lijkt dus waarschijnlijk.

Afronding van een beschrijving van de zaak. Wat zijn de nova?

48. Hiermee rond ik de bespreking af van de meest relevante feiten en omstandigheden, met inbegrip van een weergave van de nova. Vanwege een kennelijke misslag moet het herzieningsverzoek verbeterd worden gelezen. De voorgestelde nova luiden in die verbeterde lezing kortweg:
(1) de conclusie uit het rechtspsychologisch rapport van dr. Sauerland, en
(2) de verklaring van [getuige 5] d.d. 22 juli 2020.
Na enkele beschouwingen van meer algemene aard, zal ik overgaan tot een bespreking van deze nova in het licht van de bewijsconstructie.

Beschouwingen van algemene aard

49. Vooropgesteld zij dat de geldende herzieningsregeling niet is bedoeld om fouten te herstellen van de rechter die de veroordeling uitsprak. Dat is niet omdat de rechter geen fouten kan maken. Dat kan hij uiteraard wel. Voor het herstel van fouten die de rechter heeft gemaakt heeft de wetgever echter de gewone rechtsmiddelen bestemd: het hoger beroep en beroep in cassatie. Daarna moet het een keer ophouden. De eventuele onjuistheid van de bewijsbeslissing van de rechter die haar grond vindt in materiaal waarover de rechter zich al heeft gebogen, kan dus in de huidige herzieningsregeling niet opnieuw ter discussie worden gesteld. In herziening kunnen alleen
nieuweaanwijzingen voor de onjuistheid van een bewezenverklaring worden aangekaart, zogeheten ‘nova’ (meervoud van: novum).
50. In deze zaak worden twee nova gepresenteerd die volgens het verzoekschrift moeten leiden tot een herziening van de veroordeling van [verzoeker] . Het begrip ‘novum’ betreft geen wettelijke term. Het verwijst naar een passage uit artikel 457 lid 1 Sv, te weten de aanhef ervan en onder c. In
mijnwoorden weergegeven is een novum (voor zover relevant voor deze zaak):
(1) een
aanwijzingvan feitelijke aard (in de wettelijke terminologie: een ‘gegeven’)
(2) die
nieuwis voor de rechter die de veroordeling uitsprak en
(3) die
ernstige twijfeldoet ontstaan over de juistheid van het bewijsoordeel van de rechter die de veroordeling uitsprak. [60]

De weging van een novum

51. De nieuwe aanwijzing voor de onjuistheid van het bewijsoordeel moet dus relevant zijn en van voldoende gewicht; de aanwijzing moet met voldoende kracht de bewijsconstructie ondergraven. Niet iedere nieuwe aanwijzing is dus sterk genoeg om dienst te kunnen doen als novum. Er bestaat echter geen absolute ondergrens voor de bewijskracht van het novum. Dat is omdat de vraag of een nieuwe aanwijzing voldoende ernstige twijfel oproept over de juistheid van de veroordeling ‘relatief’ is. Of een nieuwe aanwijzing die twijfel oproept hangt namelijk niet alleen af van de bewijskracht van de nieuwe aanwijzing, maar ook van de draagkracht van de door de rechter opgetuigde bewijsconstructie. Zij moeten in hun onderlinge verhouding worden gewogen. [61] Indien de veroordeling rust op een solide basis van bijvoorbeeld forensisch-technisch bewijsmateriaal en videobeelden, zal een nieuwe getuigenverklaring die de veroordeelde in potentie alsnog een alibi verschaft niet snel kwalificeren als een novum. Anderzijds, indien de veroordeling berust op weinig onderscheidend bewijsmateriaal, zoals een alleenstaande bekentenis, is de kans (veel) groter dat dezelfde alibiverklaring erin slaagt de bewijsconstructie te ondermijnen.
52. De mogelijkheid bestaat dat verscheidene aanwijzingen op zichzelf beschouwd elk onvoldoende ernstige twijfel oproepen om als novum te kunnen worden aangemerkt, maar dat die ernstige twijfel wél ontstaat als de nieuwe aanwijzingen tezamen en in samenhang worden beschouwd. [62]
53. De nieuwe aanwijzing (het voorgestelde novum) hoeft niet bewijzend te zijn voor
onschuld, zolang de nieuwe aanwijzing maar zodanig ernstige twijfel oproept aan de feitelijke juistheid van de bewijsbeslissing dat een vrijspraak de waarschijnlijke uitkomst is van een hypothetisch strafproces waarin de rechter bekend is met die nieuwe aanwijzing. Langs twee wegen kan een nieuwe aanwijzing (een novum) de bewijsconstructie die de rechter ter motivering van zijn bewijsbeslissing heeft opgetuigd ondermijnen:
(1) direct: de nieuwe aanwijzing demonstreert dat de bewijskracht van (een onderdeel van) de bewijsconstructie nihil is, althans aanzienlijk minder bedraagt dan de veroordelende rechter kennelijk heeft aangenomen;
(2) indirect: de nieuwe aanwijzing geeft steun aan een scenario omtrent de toedracht van het delict waarin de veroordeelde onschuldig is, en wel zodanig veel steun dat de bewijskracht van de bewijsconstructie daartegen niet (meer) voldoende opweegt.
Uiteraard kunnen deze twee wegen onder omstandigheden samenlopen.
54. In de passage hiervoor ligt de nadruk op de door de rechter opgetuigde bewijsconstructie. Met die bewijsconstructie beoogt de rechter zijn bewijsoordeel
te motiveren, of, uitgedrukt in een woord met een enigszins andere betekenis: te rechtvaardigen. De veroordelende rechter is echter niet verplicht om in zijn bewijsmotivering het bestaande bewijs ten laste van de veroordeelde uitputtend te beschrijven. Het is dus mogelijk dat het zaakdossier
meerbewijsmateriaal ten laste van de veroordeelde bevat dan de rechter aan de veroordeling ten grondslag heeft gelegd. Hoewel het oordeel van de rechter over eventueel ander bewijsmateriaal ten laste van de veroordeelde daarmee niet zonder meer kenbaar is, meen ik te mogen stellen dat de veroordeelde geen belang heeft bij herziening ingeval enerzijds het voorgestelde novum de bewijsconstructie weliswaar in voldoende mate ondergraaft, maar anderzijds toch nog voldoende ander bewijsmateriaal beschikbaar is om een veroordeling te kunnen rechtvaardigen. Er zal dus in de herzieningsprocedure ook moeten worden onderzocht of er eventueel ander bewijsmateriaal tegen de veroordeelde bestaat.
55. Ten slotte moet de nieuwe aanwijzing (het ‘gegeven’) van
feitelijkeaard zijn. Dat betekent dat nieuwe rechtsregels, nieuwe rechtspraak of nieuwe juridische inzichten geen novum kunnen opleveren. Actuele juridische inzichten over de vraag of een bekentenis voldoende wordt ondersteund door bijkomend bewijsmateriaal (zie de eis van artikel 341 lid 4 Sv), zouden wellicht kunnen meebrengen dat de bewijsvoering die het hof in deze zaak heeft opgetuigd tegenwoordig niet meer door de toets in cassatie komt. Dat levert
nuechter geen novum op. Over het feit dat het [verzoeker] bij zijn verhoren vrijwel steeds heeft ontbroken aan rechtsbijstand wordt tegenwoordig anders gedacht dan midden jaren negentig. Zou [verzoeker] ook nu nog in hoger beroep
bij verstekmogen worden veroordeeld voor een levensdelict nadat hij in eerste aanleg op tegenspraak is vrijgesproken? Deze juridische kwesties kunnen in deze herzieningsprocedure niet aan de orde komen.

De wetswijziging van 2012

56. Vanwege een wijziging van artikel 457 Sv die in werking is getreden op 1 oktober 2012 laat de herzieningsregeling toe dat niet alleen nieuwe feiten of omstandigheden, maar ook nieuwe ‘deskundigeninzichten’ een novum kunnen opleveren, met inbegrip van nieuwe expertconclusies op basis van feiten en omstandigheden die op zichzelf reeds bekend waren aan de rechter die de veroordeling uitsprak. Aan de hier bedoelde ‘deskundigeninzichten’ worden echter wel hoge kwaliteitseisen gesteld, want alleen indien de vakkundigheid van de deskundige, de validiteit en betrouwbaarheid (consistentie) van de toegepaste methode en de toepassing van die methode door de deskundige, buiten twijfel staan, zal het deskundigenbericht een novum kunnen vormen. [63]
57. Daarentegen kunnen opinies, meningen en oordelen over het bewijs in een strafzaak die afkomstig zijn van anderen dan deskundigen géén novum bijbrengen. Datzelfde geldt voor oordelen van deskundigen over onderwerpen die buiten hun eigen vakgebied zijn gelegen. [64] Met de wetswijziging van 2012 beoogde de wetgever alleen ‘specialistische kennis’ binnen het bereik van het novumbegrip te brengen. Ik citeer de minister van Justitie hierover:

Indien voor de waardering van de portee van het bewijsmateriaal specialistische kennis nodig is, en er aanwijzingen zijn dat de rechter de werkelijke betekenis die aan het bewijsmateriaal moet worden gehecht niet heeft doorgrond, kan sprake zijn van een novum. [65]
58. Kortom, deskundigeninzichten kunnen als novum worden aangemerkt als zij een nieuw licht werpen op een bepaald onderdeel van het bewijs, en specialistische kennis benodigd is om dit onderdeel van het bewijs op juiste waarde te kunnen schatten.

De specialistische kennis van de rechtspsychologie

59. De rechtspsycholoog beweegt zich op een terrein dat ogenschijnlijk minder specialistische kennis veronderstelt dan dat van bijvoorbeeld DNA-deskundigen of forensische artsen. Van de rechter wordt niet verwacht dat hij verstand heeft van biochemie of van geneeskunde, maar wel van het wegen van verklaringen van getuigen of verdachten. Dat hoort tot zijn metier. Daarbij komt nog eens dat een belangrijk deel van het feitenmateriaal dat een rechtspsycholoog ten grondslag legt aan zijn conclusies over de betrouwbaarheid van deze verklaringen in de regel al bekend is bij de rechter die de zaak behandelt, zoals de processen-verbaal van verhoor en eventueel het beeld- of geluidsmateriaal dat daarvan is vervaardigd. De vraag is dus of de rechter de rechtspsychologie überhaupt nodig heeft.
60. Hoewel de rechter geacht moet worden om zelf in staat te zijn getuigen- en verdachtenverklaringen adequaat te wegen, kan dat naar mijn inzicht in bijzondere gevallen anders (blijken te) liggen. Dat zijn bijvoorbeeld gevallen waarin verdachten of getuigen aan de grenzen zitten van de mogelijkheden van hun cognitieve functies als waarneming, inprenting en het ophalen van herinneringen. Of gevallen waarin de persoon van de getuige of de verdachte niet doorsnee is. Of gevallen waarin vragen rijzen over het effect van de wijze waarop het verhoor van een verdachte of getuige heeft plaatsgehad op de waarachtigheid van de afgelegde verklaring. Of gevallen waarin vragen rijzen over de mate van suggestibiliteit en inschikkelijkheid (
compliance) van een verdachte (of getuige). Op deze terreinen is de rechter een leek. Juist omdat de rechtspsychologische kennis over (onder meer) deze onderwerpen de laatste decennia sterk is toegenomen, kan van de rechter niet meer worden verlangd dat hij in volle omvang over die kennis beschikt. Van de rechter mag dus worden verwacht dat hem in bijzondere gevallen van de noodzaak blijkt om uit deze bron van specialistische kennis te putten.
61. Daarover denkt de minister van Justitie net zo. Ter verdediging van het wetsvoorstel dat aan de basis lag van de genoemde wetswijziging van 2012, wees de minister bijvoorbeeld niet alleen op de opkomst van nieuwe technieken op het gebied van forensisch bewijs (zoals DNA-onderzoek), maar tevens op het volgende:

Bovendien is inmiddels uit gedragswetenschappelijk onderzoek gebleken dat bekentenissen die verdachten in hun strafzaak hebben afgelegd niet altijd betrouwbaar zijn. Werd de bekentenis vroeger nog de «koningin van het bewijs» genoemd, ervaringen uit het (recente) verleden (o.a. Schiedammer parkmoord) leren dat onschuldige verdachten onder invloed van psychologische processen ernstige misdrijven kunnen bekennen die zij niet hebben begaan. Analyse van verhoren kan aan het licht brengen dat verkeerde verhoortechnieken zijn gebruikt. [66]
62. In die gevallen kan een rechtspsychologische analyse dus van meerwaarde zijn. Hieruit maak ik op dat rechtspsychologische rapportage in principe een ‘gegeven’ kan betreffen zoals vereist voor het aanvaarden van een novum. Op de tweede eis voor het aanvaarden van een novum, namelijk de vraag of de aanwending van rechtspsychologische kennis in deze zaak voldoende ‘nieuw’ is, kom ik terug.

Samenvatting van de voorgaande meer algemene beschouwingen

63. Het voorgaande breng ik samenvattend als volgt onder woorden:
(1) Bij de bespreking van de voorgestelde nova in deze zaak zal niet alleen bij de voorgestelde nova zelf, maar zal ook moeten worden stilgestaan bij de kracht van de bewijsconstructie die het hof aan de veroordeling ten grondslag heeft gelegd. Het gaat er echter niet om te beoordelen of het hof op basis van de bewijsconstructie überhaupt tot een bewezenverklaring had kunnen komen. Het gaat er alleen om te bepalen of die bewijsconstructie standhoudt onder de aantasting daarvan door de voorgestelde nova. De voorgestelde nova worden daarbij (mede) tezamen en in samenhang onderzocht.
(2) Het gaat in de herzieningsprocedure niet zozeer om de vraag of de voorgestelde nova de
onschuld van de veroordeelde bewijzen; het gaat erom of er vanwege de voorgestelde nova voldoende ernstige twijfel ontstaat over de juistheid van het bewijsoordeel waarop de veroordeling is gebaseerd.
(3) In de herzieningsprocedure moet ook worden onderzocht of er naast de bewijsconstructie zodanig ander bewijsmateriaal tegen de veroordeelde bestaat dat een veroordeling valt te rechtvaardigen, ook indien de voorgestelde nova de bewijsconstructie wel degelijk ondermijnen.
(4) De in de rechtspsychologie verzamelde kennis is zodanig ‘specialistisch’ van aard dat zij binnen het bereik van het novumbegrip kan vallen.

De toepassing van de algemene beschouwingen op de zaak van [verzoeker]

64. Hieronder kom ik te spreken over de toepassing van de voorgaande beschouwingen van meer algemene aard op de in deze herzieningsprocedure voorgestelde nova. Hierbij wijs ik op het volgende. Bewijsmateriaal kan alleen worden gewogen in het licht van verschillende, elkaar uitsluitende scenario’s. Zowel de voorgestelde nova als de door het hof gebouwde bewijsconstructie zullen dus moeten worden beschouwd onder ten minste twee scenario’s.
Dat zijn in deze zaak:
(1) het scenario waarin [verzoeker] [slachtoffer] heeft doodgestoken;
(2) het (alternatieve) scenario waarin niet [verzoeker] , maar een ander [slachtoffer] heeft doodgestoken.
Scenario (2) bestrijkt daarmee ook het geval waarin de dader specifiek [betrokkene 3] betreft. Het is echter in het nadeel van [verzoeker] om als alternatief scenario uitsluitend het scenario waarin [betrokkene 3] de dader is in ogenschouw te nemen. Niettemin zal ik dat laatste hieronder – voor het leesgemak – wel vaak doen. Tevens zal blijken dat dit [verzoeker] uiteindelijk niet schaadt.

De bewijsconstructie onder de veroordeling van [verzoeker]

65. Het lijdt geen twijfel dat de bewijsvoering ten laste van [verzoeker] vrijwel uitsluitend berust op de bekentenissen van [verzoeker] . Het hof heeft in zijn (hierboven weergegeven) aanvullende bewijsmotivering gewezen op twee bijkomende omstandigheden die meebrengen dat de bekentenissen van [verzoeker] niet op zichzelf staan:
(1) [verzoeker] heeft zijn bekentenis (diezelfde dag en binnen enkele dagen) herhaald;
(2) de beschrijving door [verzoeker] van hetgeen hij ná het steken heeft gedaan is in overeenstemming met de door de politie aangetroffen situatie.
Hierover het volgende.
66. De eerste door het hof opgevoerde omstandigheid veronderstelt dat wanneer een verdachte bereid blijkt om zijn bekentenis binnen een zekere periode te herhalen de bewijskracht van die bekentenis toeneemt. Het gaat het hof kennelijk om een zekere consistentie in de bereidheid tot bekennen. De vraag is of deze veronderstelling juist is. Indien [verzoeker] de dader is (scenario 1) ligt het in de lijn der verwachting dat hij zijn bekentenis gestand doet indien hij eenmaal tot bekennen is overgegaan. Indien [verzoeker] niet de dader is (scenario 2), maar om wat voor reden dan ook bereid blijkt om een delict te bekennen dat hij niet heeft begaan, ligt het ook in de lijn der verwachting dat die bereidheid een zekere consistentie vertoont. Weliswaar komen onschuldige verdachten vaak wel op enig moment terug op hun valse bekentenis, maar niet (tot zelden) vrijwel onmiddellijk. Aan de eerste omstandigheid komt dan ook nagenoeg geen vermogen toe om te onderscheiden tussen de juistheid van scenario 1 en die van scenario 2.
67. Hetzelfde geldt voor omstandigheid (2): de overeenstemming tussen de door de politie aangetroffen situatie en [verzoeker] beschrijving van zijn handelingen na afloop van het steken. Die omstandigheid laat zich evengoed verklaren onder zowel het eerste scenario (schuld) als het tweede scenario (onschuld). [verzoeker] was immers
hoe dan ookexact op de hoogte van de door de politie aangetroffen situatie. [verzoeker] was er zelf bij die ochtend.
68. De conclusie luidt dat het bewijs van het daderschap van [verzoeker] in essentie
uitsluitendbestaat uit zijn bekentenissen.

Bevat het zaakdossier eventueel ander bewijsmateriaal ten laste van [verzoeker] ?

69. In paragraaf 17 hierboven heb ik reeds besproken dat er geen bijkomend forensisch bewijs is ten laste van [verzoeker] . Ik verwijs daarnaar. Kritische kanttekeningen bij forensisch-technische aspecten van het opsporingsonderzoek heb ik overgelaten aan de ACAS (zie hierboven).
70. Er speelt nog wel de kwestie van het zakmes dat in de vroege ochtend van 2 juli 1994 door een schoonmaker is aangetroffen op de vloer van de doucheruimte voor heren. “
Dat is iets wat alleen de dader kan weten,” werd [verzoeker] door een rechercheur tegengeworpen bij de reconstructie op 21 juli 1994, in de kennelijke veronderstelling van deze rechercheur dat specifiek dit mes was gebruikt bij het delict. Bevatten de bekentenissen van [verzoeker] inderdaad daderkennis?
71. Zoals ook de ACAS liet weten is het korte antwoord ‘nee’, en ik zal toelichten waarom. Wil een mededeling over de vindplaats van het door de dader gebruikte mes kunnen doorgaan voor de manifestatie van daderkennis, dan dient het gevonden mes in de eerste plaats daadwerkelijk door de dader te zijn gebruikt. Hoe waarschijnlijk is dat in deze zaak? Het staat in elk geval allerminst vast. Het verband tussen enerzijds het bij het delict gebruikte mes (het daadwapen) en anderzijds het door de schoonmaker in de doucheruimte aangetroffen mes vertoont hiaten. Een rechtstreeks verband is nooit gelegd. Het mes in de doucheruimte bleek immers voor de politie onvindbaar en dus niet beschikbaar voor sporenonderzoek. Onbekend is met welk mes [slachtoffer] is gestoken. Dat dit is gebeurd met het mes van [betrokkene 3] is slechts een aanname. Dat het door de schoonmaker aangetroffen mes het zakmes van [betrokkene 3] betrof is een reële mogelijkheid, maar meer valt daarover niet te zeggen.
In de tweede plaats moet de vindplaats van het daadwapen corresponderen met de mededelingen van (in dit geval) [verzoeker] . Dat is niet exact het geval. [verzoeker] had immers meegedeeld dat hij het mes had weggegooid in het toilet. Dat het hem niet was gelukt om dit mes weg te spoelen en dat hij het mes daarna maar in de doucheruimte had achtergelaten was louter speculatie van de rechercheur en was verder op niets gebaseerd. [verzoeker] zelf zei daarover in de reconstructie (rond 00:43:00 sec) dat dat “
onzinnig” was.
72. Er is overigens nog wat. Stel nu (i) dat het zakmes van [betrokkene 3] inderdaad door de dader bij het delict is gebruikt en (ii) dat de schoonmaker dit zakmes niet lang daarna heeft aangetroffen in de doucheruimte van de heren. Het aldaar aantreffen van het daadwapen laat zich goed verklaren in het scenario waarin niet [verzoeker] , maar [betrokkene 3] de dader is. Getuigen hadden in de nacht van 1 op 2 juli 1994 in de wasruimtes een man gezien die zich vreemd gedroeg, en die man was waarschijnlijk [betrokkene 3] . [getuige 1] zag hem staan met een mes in zijn hand, nerveus heen en weer kijkend, terwijl hij ( [betrokkene 3] ) zei: “
ze achtervolgen me allemaal!”, en dat terwijl er verder niemand was. Later op de dag beschikte [betrokkene 3] (kennelijk) niet meer over zijn zakmes.
Het scenario waarin [verzoeker] de dader is verklaart het aantreffen van het mes minder goed, juist vanwege [verzoeker] mededeling dat hij het mes had weggegooid in het toilet (en dus niet in de doucheruimte).
73. De conclusie luidt dat de verklaringen van [verzoeker] over het weggooien van het mes géén daderkennis etaleren. Ook anderszins vormt de vondst van het mes (door de schoonmaker) geen onderscheidend bewijsmateriaal ten laste van [verzoeker] .

Novum 1: het rechtspsychologisch rapport van dr. Sauerland

74. Het rapport van dr. Sauerland heb ik hierboven voor een belangrijk deel weergegeven. Er is geen reden voor twijfel aan de deskundigheid van dr. Sauerland. De door haar gebruikte argumenten vinden steun in de rechtspsychologische literatuur waarnaar zij verwijst. Op de argumenten zelf valt weinig tot niets af te dingen.
75. Door mij is hierboven betoogd dat de rechtspsychologie een hoeveelheid specialistische kennis herbergt die in bijzondere gevallen een nieuw licht kan doen schijnen op (onder meer) verklaringen van een verdachte en zodoende van belang kan zijn voor de waardering van dergelijk bewijsmateriaal en voor het goede begrip van de portee daarvan. De bekentenissen van [verzoeker] acht ik zo’n bijzonder geval, vanwege de manier waarop die bekentenissen tot stand zijn gekomen, namelijk naar aanleiding van mededelingen over een droom afkomstig van een man die kort daarvoor c.q. een etmaal daarvoor grote hoeveelheden alcohol tot zich had genomen en die betrekking hadden op een voor hem zeer ingrijpende gebeurtenis. Ook de wijze waarop [verzoeker] vervolgens aan ondervragingen is onderworpen tegen de achtergrond van de persoonlijkheid van [verzoeker] roepen in dit verband vragen op die de aanwending van rechtspsychologische kennis onontbeerlijk maken.
76. In het licht van door de Hoge Raad in herinnering geroepen rechtsoverwegingen, weergegeven onder 5.2 in HR 13 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2095 (tussenarrest inzake de Rosmalense flatmoord), wijs ik erop dat deze kwesties in de strafzaak nog niet eerder aan een rechtspsycholoog zijn voorgelegd. Conclusies van rechtspsychologische aard zoals door dr. Sauerland gerapporteerd, waren onbekend bij de rechter die [verzoeker] heeft veroordeeld.
77. Mijn conclusie luidt: de geloofwaardigheid van het enige bewijsmateriaal waarop het bewijsoordeel over het daderschap van [verzoeker] berust, wordt door de conclusies van dr. Sauerland ernstig aangetast. Het eerste novum is als zodanig terecht voorgesteld.

Novum 2: de verklaring van [getuige 5] d.d. 22 juli 2020

78. [getuige 5] heeft ten overstaan van de Duitse rechter verklaard dat [betrokkene 3] aan hem had meegedeeld “
dat hij iemand in Nederland zou hebben omgebracht. [betrokkene 3] heeft gezegd dat hij in Nederland was. Daar waren [getuige 5] en [slachtoffer] bij.” Dit zou [betrokkene 3] hebben gezegd in aanwezigheid van de beoogde getuige [betrokkene 2] en van [getuige 5] zelf, terwijl de heren zittend op een bankje in een park bier aan het drinken waren. [getuige 5] kon niet meer precies aangeven wanneer dat gesprek had plaatsgehad, mogelijk in het jaar 2008. Volgens het (eerste) herzieningsverzoek is [betrokkene 3] dat jaar overleden en dus kan dat gesprek niet in een later jaar hebben plaatsgehad. [getuige 5] was overigens kennelijk niet op de hoogte van het overlijden van [betrokkene 3] . Kennelijk wist hij ook niet dat nou juist [slachtoffer] (ik neem aan: [slachtoffer] ) het slachtoffer was van [betrokkene 3] . Ik ga er, zo blijkt, inderdaad van uit dat [betrokkene 3] hier – volgens de verklaring van [getuige 5] – heeft gesproken over het voorval op de camping te Petten in de nacht van 1 op 2 juli 1994. De weinige informatie die [getuige 5] in dat verband heeft gegeven correspondeert in die mate met vaststaande gegevens over het voorliggende geval dat ik het onwaarschijnlijk acht dat [betrokkene 3] over een ander voorval sprak. Daarmee bevestigt [getuige 5] de verklaring die hij op 30 augustus 2010 samen met [betrokkene 2] door tussenkomst van de vrouw van [verzoeker] op papier heeft gezet.
79. Over de geloofwaardigheid van de verklaring van [getuige 5] thans nog een aantekening van mijn kant. Zoals gezegd was ik aanwezig bij het afleggen van die verklaring. De getuigenverklaring van [getuige 5] kwam niet heel ‘vloeiend’ tot stand. Dat lag niet zozeer aan een gebrek aan medewerking van zijn kant. De man was eenvoudigweg niet goed in staat een verhaal in een geordende volgorde over te brengen. Voor wat het waard is: hij kwam wel (zeer) ‘authentiek’ op mij over. Mocht hij tóch een verhaal hebben opgedist (het is immers vrij eenvoudig om iemand die al is overleden de schuld in de schoenen te schuiven), dan hebben we van doen met een man met buitengewone acteervaardigheden, iemand die ook nog eens in staat is om overtuigend voor te wenden dat hij helemaal niet (meer) beschikt over de cognitieve capaciteiten om een consistent verhaal bijeen te liegen.
80. Uit het voorgaande volgt dat ik aan de verklaring van [getuige 5] geloof hecht. De verklaring vormt een aanwijzing dat [betrokkene 3] aan hem in essentie heeft meegedeeld dat hij, [betrokkene 3] , [slachtoffer] heeft doodgestoken. Daarmee waardeer ik overigens ook de schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] , eveneens van 30 augustus 2010, anders. Die staat niet meer op zichzelf. Dat [betrokkene 3] aan [getuige 5] (en aan [betrokkene 2] ) heeft meegedeeld dat hij, [betrokkene 3] , [slachtoffer] heeft doodgestoken, maakt meer waarschijnlijk dat hij dat ook heeft meegedeeld aan [betrokkene 1] (en andersom).
81. Het tweede novum is als zodanig terecht voorgesteld.

De samenhang tussen de twee nova

82. De twee voorgestelde nova schetsen tezamen het volgende beeld. Het bewijs van het daderschap van [verzoeker] bestaat uitsluitend uit zijn eigen bekentenissen. Het rapport van dr. Sauerland tast de geloofwaardigheid van die bekentenissen ernstig aan. Reeds daardoor wordt de door het hof opgetuigde bewijsconstructie ondermijnd.
83. De omschrijving van de gang van zaken in de nacht van 1 op 2 juli 1994 waarmee ik deze conclusie aanving, wijst uit dat er destijds op basis van aanwijzingen jegens [betrokkene 3] een redelijk vermoeden bestond dat hij zich schuldig had gemaakt aan de doodslag van [slachtoffer] . Dat vermoeden is op zichzelf nooit ontkracht. De mededelingen van [getuige 5] (novum 2) stroken met dat vermoeden. Daarmee is niet alleen de bekentenis van [verzoeker] ondergraven (novum 1), het alternatieve scenario, waarin [betrokkene 3] de dader is, is als gevolg van novum 2 zodanig meer waarschijnlijk geworden dat ook daardoor de geloofwaardigheid van het daderschap van [verzoeker] wordt aangetast.
84. Ik wijs erop dat nog een gedeelte van de aan [verzoeker] opgelegde gevangenisstraf openstaat. [67]

Conclusie

85. De nova zijn terecht voorgesteld. Zij betreffen gegevens die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet zijn gebleken en die het ernstige vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek van de strafzaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde.
86. Deze conclusie strekt (1) tot de gegrondverklaring van de aanvraag tot herziening van de veroordeling van [verzoeker] door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 26 oktober 1995, (2) tot het bevel tot de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van dat arrest, en (3) tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof, opdat de zaak op de voet van artikel 472 lid 2 Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Ik zal hieronder voorstellen om nova 2 en 3 verbeterd te lezen. Het is niet [betrokkene 1] , noch [betrokkene 2] , maar het is [getuige 5] die in Duitsland op 22 juli 2020 een verklaring heeft afgelegd.
2.Temperatuurmetingen gaven later een aanwijzing dat [slachtoffer] die ochtend tussen 4.15 uur en 6.15 uur was overleden. Zie dossierpagina 552. Uit de verklaring van de arts die de dood constateerde, [betrokkene 10] , zou daarentegen eventueel kunnen worden afgeleid dat [slachtoffer] mogelijk al rond 03.30 uur was overleden. Verklaring [betrokkene 10] van 3 juli 1994 vanaf 16.35 uur, p. 80: “
3.Hieronder zal van enig belang blijken om te melden dat [betrokkene 3] volgens het (eerste) herzieningsverzoek in 2008 aan de gevolgen van een terminale ziekte is overleden.
4.Verklaring van [betrokkene 6] van 4 juli 1994 vanaf 16.39 uur, p. 73. Zie tevens de verklaring van [betrokkene 6] van 3 juli 1994 vanaf 14.23 uur, p. 70.
5.De beschrijving van een mank lopende (zeer aangeschoten) man stemt overeen met [betrokkene 3] . Aan een ernstig verkeersongeval heeft [betrokkene 3] een kunstheup en een iets korter been overgehouden. De getuigen [getuige 1] en [getuige 6] wijzen bij de politie bovendien de foto van [betrokkene 3] aan als hun wordt gevraagd naar de man die zij die nacht hebben waargenomen.
6.Verklaring van [getuige 2] van 3 juli 1994 vanaf 11.45 uur, p. 88. Hij plaatste het voorval waarover hij sprak (een vreemde man in hun tent) op 04.00 uur in de nacht van 1 op 2 juli 1994.
7.Verklaring van [getuige 6] van 3 juli 1994 vanaf 11.45 uur, p. 90. Zie ook de verklaring van [getuige 6] van 6 juli 1994 om 11.59 uur, p. 221. Zij plaatste de ontmoeting met de naakte man om 04.00 uur in de nacht van 1 op 2 juli 1994. Bij verklaring van 11 juli 1994 vanaf 10.45 uur wijst zij met een gevoel van zekerheid van ‘80 á 90%’ de foto van [betrokkene 3] aan als die van de man die zij bij de damestoiletten had gezien (p. 538).
8.Verklaring van [getuige 1] van 11 juli 1994 vanaf 14.30 uur, p. 534.
9.Verklaring van [getuige 1] van 3 juli 1994 vanaf 16.40 uur, p. 110-111. [getuige 1] positioneert dit voorval in de tijd rond 01.30 uur in de nacht van 1 op 2 juli 1994. Dat is overigens slecht verklaarbaar in de chronologie van de gebeurtenissen van de nacht: niemand van het Duitse gezelschap heeft verklaard dat [betrokkene 3] omstreeks die tijd vanaf hun kampeerplek (al dan niet in verwarde toestand) vertrok richting toiletgebouw. Bovendien stemt het niet overeen met de tijdstippen die door de andere campinggasten werden genoemd (doch niet volstrekt uitgesloten is uiteraard dat [betrokkene 3] méérmalen naar het toiletgebouw is gegaan).
10.Zie vorige voetnoot en zie ook de verklaring van [getuige 1] van 3 juli 1994 vanaf 17.55 uur, p. 114.
11.Verklaring van [betrokkene 3] van 4 juli 1994 vanaf 9.30 uur, p. 142; verklaring van [betrokkene 3] van 4 juli 1994 vanaf 17.02 uur, p. 149.
12.Verklaring van [verzoeker] van 4 juli 1994 vanaf 16.20 uur, p. 36-37.
13.Verklaring van [betrokkene 6] van 4 juli 1994 vanaf 16.39 uur, p. 72, en nogmaals op p. 74. Daar komt bij dat [betrokkene 7] naar zijn zeggen heeft gezien dat [betrokkene 3] ná het opzetten van de tenten nog zijn zakmes gebruikte om soepblikken te openen (verklaring [betrokkene 7] d.d. 13 juli 1994, p. 504).
14.Verklaring van [betrokkene 8] , schoonmaker, van 3 juli 1994 vanaf 11.00 uur, p. 525: “
15.Proces-verbaal van 3 juli 1994, p. 115.
16.Verklaring van [betrokkene 3] van 3 juli 1994 vanaf 16.47 uur, p. 134. Verklaring van [betrokkene 3] 5 juli 1994, verhoor vanaf 13.38 uur, p. 156-157.
17.Verklaring van [betrokkene 3] van 4 juli 1994, verhoor vanaf 17.02 uur, p. 148-149.
18.Verklaring van [betrokkene 3] van 4 juli 1994, verhoor vanaf 17.02 uur, p. 150.
19.Vervolgens kwam tevens de vraag op wanneer [verzoeker] over die droom had verteld en welke nacht hij die ‘droom’ (als dat het was) dan had gehad; was dat diezelfde nacht dat [slachtoffer] was overleden (van vrijdag 1 op zaterdag 2 juli 1994), of was dat de nacht van zaterdag 2 op zondag 3 juli 1994? Daarover bestaat geen zekerheid. Over de droom bestaan geen getuigenverklaringen die al op 2 of 3 juli 1994 zijn geverbaliseerd.
20.Opmerking D.A. ter toelichting: de politie heeft het Duitse gezelschap met ingang van zaterdag 2 juli 1994 in een pension ondergebracht. Hun campingplek was immers als PD afgeschermd.
21.Verklaring van [verzoeker] als getuige d.d. 4 juli 1994 vanaf 19.20 uur, p. 186-187.
22.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juli 1994, p. 188.
23.Zie met name de verklaring van [verzoeker] van 6 juli 1994 vanaf 14.42 uur, p. 208.
24.De camera is dan uit. Er is alleen geluidsmateriaal. Het betreft de passage van 00:30:00 tot 00:45:31 sec. Daarna ging de reconstructie nog een poosje verder (met beeld).
25.Vonnis op tegenspraak d.d. 14 oktober 1994. Parketnummer 14-010260-94.
26.Zie onder meer het bewijs van ontslag dat als productie 3 is gevoegd bij het (eerste) herzieningsverzoek van 13 september 2010 en dat ook weer onderdeel is van de bijlagen van het thans voorliggende herzieningsverzoek.
27.Rolnummer 23/001529-95.
28.Rolnummer 102.958.
29.Door mij bij de Justitiële informatiedienst opgevraagde informatie.
30.Ter toelichting (D.A.): Het Duitse woord “
31.Rolnummer 10/04067 H, en gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2011:BQ0170.
32.De ACAS-procedure heeft rolnummer 17/04051. De dossierstukken hiervan heb ik gevoegd in het dossier van deze herzieningszaak, 20/02991.
33.Voetnoot ACAS: Adviescommissie afgesloten strafzaken. Jaarverslag 2017, p. 10. Zie
34.Voetnoot ACAS: Dossier-paragraaf 524-526.
35.Voetnoot ACAS: Dossier-paragraaf 589.
36.Voetnoot ACAS: Dossier-paragraaf 590.
37.Voetnoot ACAS: Dossier-paragraaf 266-269 (in de uitwerking van de beëdigd vertaalster, p. 2): “
38.Voetnoot ACAS: Dossier-paragraaf 524-526.
39.Voetnoot ACAS: Dossier-paragraaf 72.
40.Voetnoot ACAS: De Commissie wijst er in dit verband op dat volgens het dossier het slachtoffer is aangetroffen in een hemd, dat doordrenkt was met bloed (dossier-paragraaf A-1 en dossier-paragraaf 4). Zie voorts dossier-paragraaf 80 (verklaring arts).
41.Voetnoot ACAS: Dossier-paragraaf 267.
42.Voetnoot ACAS: Dossier-paragraaf 88-89.
43.Voetnoot ACAS: Dossier-paragraaf 527-528.
44.Voetnoot ACAS: Dossier-paragraaf 98.
45.Voetnoot ACAS: Zie bijvoorbeeld de door verzoeker op 9 juli 1994 afgelegde verklaring, dossier-paragraaf 266-269 (in de op 9 oktober 1994 toegestuurde uitwerking van de beëdigd vertaalster).
46.Voetnoot ACAS: Zie bijvoorbeeld de door verzoeker op 9 juli 1994 afgelegde verklaring, dossier-paragraaf 266-269 (in de op 9 oktober 1994 toegestuurde uitwerking van de beëdigd vertaalster).
47.Voetnoot ACAS: Dossier-paragraaf 60 en 62.
48.Voetnoot ACAS: Dossier-paragraaf 62.
49.Voetnoot ACAS: Dossier-paragraaf 46.
50.Voetnoot ACAS: Proces-verbaal van afluisteren, behorende bij het proces-verbaal omtrent de reconstructie op 21 juli 1994, p. 8.
51.Opmerking D.A.: De door de ACAS geciteerde passage uit het proces-verbaal van de reconstructie betreft slechts een verkorte weergave van een onderdeel van het vraaggesprek dat de rechter-commissaris met [verzoeker] bij gelegenheid van de reconstructie heeft gevoerd. Dit betreft geluidsmateriaal (zonder beeld) en vormt in het geluids- c.q. beeldmateriaal van de reconstructie meer specifiek de passage van 00:41:30 – 00:43:03 sec. De geciteerde passage betreft woorden die voor een belangrijk deel
52.Opmerking D.A.: Zie de vorige voetnoot met mijn opmerking over de persoon die deze woorden heeft uitgesproken.
53.Voetnoot ACAS: De rechtbank heeft ter terechtzitting van 11 oktober 1994 volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal aan verzoeker voorgehouden dat het mes in de wc is aangetroffen (p. 4). Ook die opmerking geeft de feiten niet juist weer.
54.Voetnoot ACAS: Zie bijvoorbeeld de door verzoeker op 9 juli 1994 afgelegde verklaring, dossier-paragraaf 266-269 (in de op 9 oktober 1994 toegestuurde uitwerking van de beëdigd vertaalster) en de door verzoeker op 11 juli 1994 afgelegde verklaring, dossier-paragraaf 271-272 (in de op 5 en 6 oktober 1994 toegestuurde uitwerking van de beëdigd vertaalster).
55.Zie:
56.Opmerking D.A.: Dat is vrij duidelijk met een vertaalprogramma gedaan.
57.Opmerking D.A. In de Nederlandse vertaling staat hier abusievelijk “
58.Het verhoor van [betrokkene 5] stond op 22 juli 2020 niet gepland. [betrokkene 5] was op eigen initiatief en slechts uit belangstelling meegekomen met haar dochter. De rechter-commissaris initieerde vervolgens het verhoor van [betrokkene 5] . Overigens zijn [betrokkene 6] en [betrokkene 5] (uiteraard)
59.Zie de verklaring van [betrokkene 6] (verhoor van 4 juli 1994, vanaf 16.39 uur, p. 75) en zie het verhoor van [betrokkene 6] in Duitsland d.d. 12 juli 1994, p. 447.
60.Ik laat de mogelijkheid dat het novum moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM, tot ontslag van alle rechtsvervolging of tot de toepassing van een minder zware strafbepaling hier buiten beschouwing.
61.Deze opvatting is allerminst nieuw. Zij is al terug te vinden in de parlementaire geschiedenis van de wetswijziging van 1899, toen het ‘novum’ als grond voor herziening in de wet werd opgenomen. Voor meer onderbouwing en voor een citaat van de woorden van het Kamerlid De Savornin Lohman verwijs ik naar paragraaf B.8.3.2 in mijn (op onderdeel B gelijkluidende) conclusies van 9 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA2549 en ECLI:NL:PHR:2013:391. Vgl. analoge beschouwingen van mijn ambtgenoot Knigge in zijn vordering tot herziening van 17 juni 2008 in de zaak Lucia de Berk, HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4153,
62.Over ‘het onderlinge verband en de samenhang’ tussen verschillende nova, zie: HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1604, rov. 3.2, en zie HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3665,
63.Zie paragraaf B.6.5 in mijn (op onderdeel B gelijkluidende) conclusies van 9 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA2549 en ECLI:NL:PHR:2013:391.
64.Voor iets meer onderbouwing verwijs ik naar paragraaf B.7.4 in mijn (op onderdeel B gelijkluidende) conclusies van 9 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA2549 en ECLI:NL:PHR:2013:391.
65.
66.
67.De detentiegegevens van [verzoeker] houden het volgende in: zijn inverzekeringstelling vond plaats op 4 juli 1994; zijn invrijheidstelling (op bevel van de rechtbank) volgde op 14 oktober 1994 (totaal: 102 dagen).