ECLI:NL:HR:2011:BQ0170

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/04067 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe bewijsmiddelen bij doodslagzaak

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit 1995, waarin de aanvrager werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens doodslag.

De aanvrager stelde nieuwe verklaringen van getuigen en een dagboekfragment overgelegd te hebben die zouden aantonen dat een ander de dader was. De Hoge Raad beoordeelde of deze nieuwe feiten het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging zou hebben geleid.

De verklaringen betroffen mededelingen van een inmiddels overleden betrokkene, zonder nadere context over tijdstip of omstandigheden, waardoor zij onvoldoende betrouwbaar zijn. Het dagboekfragment was al in hoger beroep ingebracht en dus niet nieuw.

De Hoge Raad concludeerde dat de aanvrage kennelijk ongegrond is en wees het verzoek tot herziening af.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens het ontbreken van nieuwe, overtuigende bewijsmiddelen.

Uitspraak

5 april 2011
Strafkamer
nr. 10/04067
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van
26 oktober 1995, nummer 23/001529-95, ingediend door mr. J.M.M. Heilbron, advocaat te Amsterdam, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op 23 oktober 1962, domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsvrouwe.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 14 oktober 1994 - de aanvrager ter zake van doodslag op [slachtoffer] veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2.1. In de aanvrage wordt in de eerste plaats aangevoerd dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien het bekend was geweest met de bij de aanvrage overgelegde verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], inhoudende dat [betrokkene 1] tegenover hen heeft bekend dat hij het is geweest die [slachtoffer] heeft gedood.
3.2.2. Aan deze verklaringen kan niet een ernstig vermoeden worden ontleend als hiervoor onder 3.1 vermeld. Die verklaringen betreffen immers mededelingen welke zouden zijn gedaan door genoemde [betrokkene 1], die - aldus de aanvrage - inmiddels is overleden en die de aan hem toegeschreven mededelingen dus niet meer kan ontkennen of bevestigen. Die verklaringen houden voorts niets in omtrent het tijdstip waarop, de omstandigheden waaronder en de redenen waarom die mededelingen zouden zijn gedaan.
3.3.1. In de aanvrage wordt in de tweede plaats aangevoerd dat het Hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken indien het bekend was geweest met een fragment uit het dagboek van [betrokkene 2] waarin genoemde [betrokkene 1] als de dader wordt aangemerkt.
3.3.2. Van deze omstandigheid kan niet worden gezegd dat deze het Hof niet bekend was, gelet op hetgeen de raadsman van de aanvrager bij de behandeling van de zaak in appel heeft aangevoerd, zulks met een beroep op hetzelfde, aan zijn pleitnotities gehechte dagboekfragment dat bij de aanvrage is overgelegd.
3.4. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aanvrage kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 5 april 2011.