Conclusie
governancevan DeSeizoenen onzorgvuldig ingericht. In de inhoud van de overeenkomsten, die DeSeizoenen in het kader van de vastgoedtransactie is aangegaan, heeft de Ondernemingskamer onvoldoende blijk van wanbeleid gezien. De Ondernemingskamer heeft ook geen aanleiding gezien om definitieve voorzieningen te treffen, omdat het geconstateerde wanbeleid een afgesloten periode in het verleden betreft en DeSeizoenen nadien stappen heeft gemaakt op het gebied van
governanceen onafhankelijkheid.
corporate opportunityvormde die de toenmalige functionarissen binnen of onder DeSeizoenen hadden moeten (proberen te) verwezenlijken, (ii) het wanbeleid ‘slechts’ tot 25 februari 2014 heeft geduurd en (iii) de inhoud van de vastgoedtransactie (het resultaat) geen blijk geeft van wanbeleid.
1.Feiten
de organisatiestructuur weerspiegelt de duidelijke scheiding tussen de zorgactiviteiten van DeSeizoenen enerzijds en de ondersteunende diensten anderzijds”. [5]
2. Proces en uitgangspunten
3.Structuur
5.Financiering
core businessvan DeSeizoenen om vastgoed in eigendom te hebben, te onderhouden en te ontwikkelen, (ii) het is tegelijkertijd voordelig als invloed van DeSeizoenen op de kwaliteit van de huisvesting mogelijk is en (iii) in de ideale structuur voor DeSeizoenen worden de risico’s aangaande het vastgoed voor DeSeizoenen geminimaliseerd en blijft er toch een zekere mate van invloed op het vastgoed mogelijk.
governanceen groepsstructuur van de DeSeizoenen. Op 27 november 2017 heeft de CCr de mogelijkheid van een enquêteprocedure opgeworpen.
governancevan DeSeizoenen en de groep waarvan zij deel uitmaakt. [betrokkene 8] heeft een aantal risico’s en kwetsbaarheden gesignaleerd en een aantal aanbevelingen gedaan. Naar aanleiding van het advies van [betrokkene 8] heeft DeSeizoenen haar statuten en reglementen aangepast.
2.Procesverloop
governancezodanig is, dan wel op korte termijn zal zijn, dat (schijn van) belangenverstrengeling wordt voorkomen en dat daarin voldoende waarborg is gelegen dat DeSeizoenen daadwerkelijk zal blijven waken over de juiste besteding van de zorggelden (rov. 3.24). Naar het oordeel van de Ondernemingskamer gaf de situatie waarin DeSeizoenen in april 2018 verkeerde derhalve geen reden om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen (rov. 3.25).
upsideniet aan haar, maar volledig aan haar aandeelhouders toevalt via een vennootschap waarvoor het winstuitkeringsverbod niet geldt (rov. 3.29). Mede gelet op de positie van de aandeelhouders van WW Zorg Groep ( [belanghebbenden 2 t/m 5] ), die tevens bestuurs- dan wel commissarisfuncties binnen DeSeizoenen bekleedden en een eigen belang bij de gekozen constructie hadden, is het de vraag of de besluitvorming met betrekking tot de deelname van DeSeizoenen aan de constructie voldoende zorgvuldig en onafhankelijk is geweest. Dit speelt volgens de Ondernemingskamer ook een rol bij de vraag of in het kader van de huurovereenkomsten een optimaal onderhandelingsresultaat voor DeSeizoenen is bereikt (rov. 3.30).
corporate opportunityte beschouwen?
corporate opportunityvoor DeSeizoenen was. [22] Volgens de onderzoeker was het een legitieme keuze van de initiatiefnemers ( [belanghebbenden 2 t/m 5] ) om de zorginstelling zo in te richten dat de vastgoedexploitatie gescheiden was van de zorgexploitatie. Op de bestuurders en commissarissen van DeSeizoenen rustte dan ook niet de verplichting om het voordeel van de
opportunityaan DeSeizoenen te laten toekomen. Het recht van DeSeizoenen op de
opportunitywas, voor zover aanwezig, achtergesteld bij dat van de initiatiefnemers ( [belanghebbenden 2 t/m 5] ). [23]
voldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat er sterke indicaties zijn dat de prijs niet onzakelijk is.” [26] Voor zover [belanghebbenden 2 t/m 5] met de transactie een ongebruikelijk resultaat hebben gerealiseerd, doet dat aan de zakelijkheid van de transactie niet af. [27] De onderzoeker heeft daarbij wel opgemerkt dat het beter was geweest als de huurprijs van het vastgoed voorafgaand aan de verwerving door een onafhankelijke derde was getoetst. [28]
upsidevia Vastgoed DeSeizoenen aan [belanghebbenden 2 t/m 5] toevalt en zij slechts € 100 hebben geïnvesteerd (in de vorm van een storting op de aandelen in het kapitaal van Vastgoed DeSeizoenen). [34]
governanceheeft verbeterd. [35] Ook de raad van commissarissen, WW Zorg Groep en de lokale cliëntenraden van de locaties Gennep (Eindhoven) en Elivagar (Roggel) hebben de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van de CCr af te wijzen. [36]
corporate opportunitywas, die de bestuurders en commissarissen van DeSeizoenen hadden moeten (proberen te) verwezenlijken:
opportunityvoordeed. Die
opportunityis toen gerealiseerd door [belanghebbenden 2 t/m 5] , met hun opzet voor een doorstart van de zorg in combinatie met de overname van het vastgoed (…). DeSeizoenen is onderdeel van de constructie. Over (gelijktijdige) overname van het vastgoed kon toen nog geen overeenstemming worden bereikt.
corporate opportunitydie de toenmalige bestuurders/(onafhankelijke) commissarissen hadden moeten (proberen te) verwezenlijken binnen of onder DeSeizoenen. In de eerste plaats geldt, simpelweg, dat verwerving geen reële optie was. Voor koop van vastgoed is toestemming van de aandeelhouder nodig. Die toestemming zou uit de aard der zaak niet worden gegeven; [belanghebbenden 2 t/m 5] (de indirecte aandeelhouders) beoogden juist dat het vastgoed door een speciaal daarvoor opgerichte “zuster” vennootschap van DeSeizoenen zou worden overgenomen. Zoals overwogen was de
opportunityal in 2012 door de indirecte aandeelhouders/initiatiefnemers naar zich toe getrokken. Zij waren niet gehouden deze nadien aan DeSeizoenen te laten. In de tweede plaats geldt dat verwerving van het vastgoed ook niet als
corporate opportunityvoor DeSeizoenen kan gelden omdat het bezit en beheer van eigen vastgoed geen kernactiviteit van DeSeizoenen is. Vastgoed kan ook een risico zijn. Het besluit om niet te investeren in vastgoed is te billijken. De omstandigheid dat DeSeizoenen in 2014 het vastgoed mogelijk zelf had kunnen financieren, hoefde voor [belanghebbenden 2 t/m 5] geen aanleiding te zijn af te zien van de constructie die zij voor ogen hadden.”
governance, tegenstrijdig belang en belangenverstrengeling binnen DeSeizoenen (rov. 5.12 tot en met 5.26). Volgens de Ondernemingskamer is op dit vlak sprake geweest van wanbeleid tot 25 februari 2014:
governancein die periode niet de hoogste prioriteit had, zoals ook de onderzoeker in zijn verslag heeft opgemerkt (…). Anderzijds gaat het hier om bij uitstek gevoelige materie: persoonlijke tegenstrijdige belangen en belangenverstrengeling in het kader van een zorgonderneming, waarmee publieke belangen en middelen en de belangen van de zorgontvangers zijn gemoeid. Beslissingen over de besteding van de middelen van DeSeizoenen raken per definitie aan laatstgenoemde belangen en van DeSeizoenen had gevergd kunnen worden dat zij zou waken voor potentiële vertroebeling met persoonlijke belangen van bij de organisatie betrokkenen. Van belang is dat het eerste bod op en de principeovereenstemming over het vastgoed dateren van geruime tijd na de doorstart, zodat niet kan worden gezegd dat er onvoldoende tijd is geweest voor bezinning op de positie van [belanghebbenden 2 t/m 5] als bestuurders/commissarissen van DeSeizoenen in het licht van de tot stand te brengen vastgoedtransactie. De Ondernemingskamer is van oordeel dat de wijze waarop de
governancevan DeSeizoenen in de cruciale periode voorafgaand aan het eerste bod van 13 juli 2013 en de daarop volgende principeovereenstemming van 25 februari 2014 was ingericht, gecombineerd met het ontbreken van actieve behartiging van de belangen van DeSeizoenen door een of meer onafhankelijke personen bij de totstandkoming van de huurovereenkomsten, de leningovereenkomst en de verpanding blijk geeft van een dermate ernstig gebrek aan zorgvuldigheid dat dit als wanbeleid moet worden aangemerkt. Het feit dat een tijdige onafhankelijke taxatie achterwege is gelaten en niet kan worden vastgesteld dat [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] zich hebben onttrokken aan beraadslagingen binnen de raad van commissarissen over het instemmingsbesluit van de raad van commissarissen, versterkt dit oordeel. De latere zelfstandige toets die [betrokkene 1] en de inmiddels volledig onafhankelijke raad van commissarissen voorafgaand aan de definitieve verwerving hebben verricht (…) neemt de hiervoor genoemde bezwaren niet weg. Niet is gebleken dat actief is heronderhandeld over de positie van DeSeizoenen.”
huurder, wat de vorderingen terzake van de NHC in wezen zijn. Daarbij komt dat de aandeelhouders van Vastgoed DeSeizoenen, anders dan zij aanvankelijk in het vooruitzicht hebben gesteld (…), geen eigen investering hebben gedaan anders dan de door de CCr herhaaldelijk gememoreerde € 100. Zij hebben uiteindelijk de extra benodigde financiering bewerkstelligd door middel van de reeds genoemde lening van DeSeizoenen en een lening van Care Shared Services.”
upside(die erop neerkomt dat Vastgoed DeSeizoenen zonder eigen investering op termijn eigenaar zal zijn van vastgoed in een goede staat van onderhoud en met een aanmerkelijke overwaarde), een lagere huur of een periode van huurvrijstelling. Gesteld noch gebleken is dat dit aan de orde is geweest.”
opportunityverzilverd, wat hun vrij stond. Voor DeSeizoenen gaat het er om dat zij, mede gelet op het winstuitkeringsverbod waaraan zij is gebonden, geen verplichtingen op zich heeft genomen waartoe een redelijk handelend bestuurder niet had mogen besluiten. De juistheid van de stelling dat de hoogte van de overeengekomen huur, op zichzelf bezien, niet valt binnen de bandbreedte waarbinnen van een marktconforme huur kan worden gesproken, volgt niet uit het verslag en heeft de CCr tegenover het verweer van DeSeizoenen ook onvoldoende nader onderbouwd. Daarbij komt dat de Ondernemingskamer in de beschikking van 30 april 2018 heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is voor wat betreft de marktconformiteit van de huidige huurbedragen voorbij te gaan aan de van toelichting voorziene bevindingen van Cushman & Wakefield. Bij de verpanding van de NHC-inkomsten en het verstrekken van de achtergestelde lening kunnen vraagtekens worden gezet, maar niet ondenkbaar is dat onder omstandigheden te billijken is dat hiertoe wordt overgegaan, waarbij voor de lening meeweegt dat een substantieel percentage aan rente wordt betaald. Hoewel op het resultaat het nodige valt af te dingen, zou dit voor de Ondernemingskamer, in het licht van de terughoudendheid die zij bij het toetsen van bestuurlijk handelen in acht heeft te nemen, derhalve geen grond zijn voor een wanbeleidoordeel indien bij het bereiken van dit resultaat geen geconflicteerde personen betrokken zouden zijn geweest en het resultaat tot stand zou zijn gekomen door onderhandelingen
at arm’s lengthen de expliciete afwegingen duidelijk zouden zijn gedocumenteerd.”
governanceen besluitvorming van DeSeizoenen in de periode tot 25 februari 2014 blijk geven van wanbeleid.”
governanceen zijn potentieel geconflicteerde bestuurders en commissarissen teruggetreden. De rol van [betrokkene 2] in de periode voor 25 februari 2014 moet in perspectief worden bezien en noopt thans niet tot zijn ontslag. Ook zijn de aanbevelingen van [betrokkene 8] opgevolgd en worden stappen gezet de lening terug te betalen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
corporate opportunityvormde die de toenmalige bestuurders en/of (onafhankelijke) commissarissen binnen of onder DeSeizoenen hadden moeten (proberen te) verwezenlijken. De Ondernemingskamer heeft haar oordeel in rov. 5.8 onderbouwd met twee zelfstandig dragende overwegingen, te weten: (i) verwerving van het vastgoed was voor DeSeizoenen geen reële optie, omdat [belanghebbenden 2 t/m 5] de
opportunityal in 2012 naar zich hadden toegetrokken en (ii) het bezit en beheer van eigen vastgoed is geen kernactiviteit van DeSeizoenen en kan ook een risico zijn.
randnummers 18 tot en met 23 en randnummer 25 van het verzoekschrift tot cassatiedat het onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is dat de Ondernemingskamer in rov. 5.8 heeft overwogen dat – toen de overname van het vastgoed daadwerkelijk kon worden gerealiseerd – geen sprake was van een
corporate opportunitydie de toenmalige bestuurders en/of (onafhankelijke) commissarissen binnen of onder DeSeizoenen hadden moeten (proberen te) verwezenlijken, omdat [belanghebbenden 2 t/m 5] de
opportunityal in 2012 naar zich hadden toegetrokken en verwerving zonder toestemming van de aandeelhouders geen reële optie was. Volgens de CCr valt niet te begrijpen welke handelingen [belanghebbenden 2 t/m 5] in 2012 hebben uitgevoerd, die ervoor hebben gezorgd dat de
opportunitylater niet meer binnen of onder DeSeizoenen kon worden verwezenlijkt. [belanghebbenden 2 t/m 5] hadden in 2012 immers nog geen enkele concrete stap gezet om het vastgoed te verwerven, laat staan dat zij een onomkeerbare situatie hadden gecreëerd. [belanghebbenden 2 t/m 5] waren in 2012 nog geen eigenaar van het vastgoed, zij hadden zich daaraan niet (financieel) gecommitteerd en zij hadden geen tegenprestatie geleverd.
opportunityvoordeed en dat die
opportunity“
toen” door [belanghebbenden 2 t/m 5] is gerealiseerd, met hun opzet voor een doorstart van de zorg in combinatie met de overname van het vastgoed (rov. 5.7). Volgens de Ondernemingskamer spreekt voor zich dat de vastgoedtransactie onderdeel van het verdienmodel van [belanghebbenden 2 t/m 5] was; zij behoefden dat niet afzonderlijk toe te lichten (slotzin van rov. 5.11).
opportunityreeds realiseerden toen zij op 10 januari 2012 de doorstart van Stichting [A] verwezenlijkten. Volgens de Ondernemingskamer hebben [belanghebbenden 2 t/m 5] van meet af aan de intentie gehad om de zorg van het vastgoed te scheiden en de vastgoedexploitatie aan henzelf ten goede te laten komen. De overname van de zorgdiensten in 2012 impliceerde aldus dat op een later moment (uiteindelijk in 2016) het vastgoed zou worden overgenomen dat vervolgens ten behoeve van [belanghebbenden 2 t/m 5] zelf zou worden geëxploiteerd.
opportunitynaar zich hebben toegetrokken, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Volgens de Ondernemingskamer was de communicatie van [belanghebbenden 2 t/m 5] niet steeds geheel eenduidig (eerste zin, rov. 5.11). Niet uit te sluiten valt dat [belanghebbenden 2 t/m 5] in de hectische eerste periode na het faillissement van Stichting [A] en de daaropvolgende doorstart in DeSeizoenen – ook met het oog op de bezwaren van de CCr tegen splitsing van de zorg en het vastgoed en om de rust te laten terugkeren –
in hun communicatiede mogelijkheid hebben opengelaten dat (een dochteronderneming van) DeSeizoenen het vastgoed zou verwerven. Hoewel van misleiding geen sprake is geweest (rov. 5.9-5.11), verdient deze wijze van communiceren uiteraard niet de schoonheidsprijs. [belanghebbenden 2 t/m 5] hadden vanaf het begin (richting de CCr) ondubbelzinnig moeten zijn over de uiteindelijk beoogde structuur, die (in de ogen van de CCr) mogelijk niet wenselijk is, maar juridisch gezien wel toelaatbaar. [38] De dubbelzinnigheid in de communicatie (richting de CCr) doet echter niet af aan de intentie die [belanghebbenden 2 t/m 5] vanaf de doorstart in januari 2012 hebben gehad, namelijk: overname van het vastgoed teneinde daar op den duur winst mee te maken.
opportunityreeds in 2012 naar zich hadden toegetrokken.
het slot van randnummer 23 van het verzoekschrift tot cassatiedat – zelfs als zou gelden dat [belanghebbenden 2 t/m 5] reeds in 2012 hadden besloten dat zij de
opportunityvoor zichzelf wensten te behouden – niet valt in te zien waarom geen sprake meer was van een
opportunityvoor DeSeizoenen en [belanghebbenden 2 t/m 5] niet van hun voornemen moesten terugkomen.
opportunityvoor zichzelf wensten te behouden, er (dus) geen sprake meer was van een
opportunityvoor DeSeizoenen. De
opportunitywas in dat geval immers al door een ander ingenomen. Omdat [belanghebbenden 2 t/m 5] beo(o)g(d)en met het vastgoed winst te maken en dat – gelet op het winstuitkeringsverbod (randnummer 1.8 hiervoor) – binnen de DeSeizoenen niet mogelijk is, hadden [belanghebbenden 2 t/m 5] bovendien niet de mogelijkheid om de
opportunityvoor zichzelf te behouden
viaDeSeizoenen.
opportunityvoor zichzelf te behouden. Juist het vastgoed was voor [belanghebbenden 2 t/m 5] , als (zorg)ondernemers, bedrijfsmatig interessant en waarschijnlijk een belangrijke reden voor hen om de doorstart van Stichting [A] te realiseren. Er kan uiteraard worden gediscussieerd over de wenselijkheid van de door [belanghebbenden 2 t/m 5] gekozen constructie, maar – zoals de Ondernemingskamer terecht heeft opgemerkt [39] – de wenselijkheid van de constructie staat niet ter beoordeling van de Ondernemingskamer. Van belang is dat, zoals in cassatie niet is bestreden, de constructie als zodanig niet ontoelaatbaar is (rov. 5.2 en 5.5). Dat maakt dat niet onbegrijpelijk is dat [belanghebbenden 2 t/m 5] de
opportunityvoor zichzelf hebben gehouden en niet op een later moment alsnog aan DeSeizoenen hebben gelaten.
randnummer 24 van het verzoekschrift tot cassatiedat niet duidelijk is of [belanghebbenden 2 t/m 5] de
opportunityvóór, op of ná 10 januari 2012 (het moment van de doorstart) hebben gerealiseerd. Volgens de CCr heeft de Ondernemingskamer hierdoor haar oordeel onvoldoende gemotiveerd.
opportunityvoordeed en dat die
opportunity“
toen” door [belanghebbenden 2 t/m 5] is gerealiseerd. Hieruit blijkt genoegzaam dat de Ondernemingskamer van oordeel is geweest dat [belanghebbenden 2 t/m 5] met het realiseren van de doorstart van Stichting [A]
op10 januari 2012 tevens de
opportunityop het verwerven van het vastgoed hebben verwezenlijkt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk (randnummers 3.8 e.v. hiervoor).
corporate opportunitydie de bestuurders en/of commissarissen binnen of onder DeSeizoenen hadden moeten (proberen te) verwezenlijken – in stand kan blijven. De CCr heeft hierdoor geen belang meer bij beoordeling van de klachten in de subonderdelen 1.2 en 1.3 (randnummer 3.3 hiervoor).
randnummers 26 tot en met 28 van het verzoekschrift tot cassatiedat het onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is dat de Ondernemingskamer in rov. 5.8 heeft geoordeeld dat verwerving van het vastgoed door DeSeizoenen geen
corporate opportunitywas die de toenmalige bestuurders en/of (onafhankelijke) commissarissen binnen of onder DeSeizoenen hadden moeten (proberen te) verwezenlijken. De door de Ondernemingskamer in rov. 5.8 genoemde omstandigheid dat vastgoed ook een risico kan zijn, rijmt immers niet met de overweging in rov. 5.28 dat een substantieel deel van het risico toch bij DeSeizoenen is terechtgekomen.
het aan het vastgoed verbonden risico” toch bij DeSeizoenen terecht is gekomen. Het risico waar de Ondernemingskamer hier op heeft gedoeld, is echter niet het in rov. 5.8 genoemde risico dat in het algemeen aan het bezit en beheer van vastgoed is verbonden. Dat eigendomsrisico is immers volledig bij Vastgoed DeSeizoenen terechtgekomen en niet (laat staan voor een substantieel deel) bij DeSeizoenen. De Ondernemingskamer heeft, ook blijkens het vervolg van rov. 5.28, met “
het aan het vastgoed verbonden risico” gedoeld op het specifieke risico dat DeSeizoenen bij de financiering van de verwerving van het vastgoed door Vastgoed DeSeizoenen op zich heeft genomen, te weten: (i) huurbetaling gedurende ten minste tien jaar, (ii) een achtergestelde lening van € 3,25 miljoen en (iii) verpanding van haar NHC-vorderingen (randnummer 1.24 hiervoor). Dat DeSeizoenen een substantieel deel van
datrisico op zich heeft genomen, maakt het niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd dat de Ondernemingskamer in rov. 5.8 in zijn algemeenheid heeft overwogen dat het (als eigenaar) bezitten en beheren van vastgoed ook een risico kan zijn en dat het mede gelet op dat (eigenaars)risico te billijken was dat is besloten DeSeizoenen niet in vastgoed te laten investeren.
randnummers 29 en 30 van het verzoekschrift tot cassatiedat het oordeel van de Ondernemingskamer onbegrijpelijk is in het licht van de essentiële stelling van de CCr dat [belanghebbenden 2 t/m 5] de
opportunityin 2014 hadden behoren prijs te geven, omdat vrijwel alle financiële risico’s en lasten bij DeSeizoenen werden gelegd.
vrijwel alle” financiële risico’s en lasten bij DeSeizoenen zijn neergelegd. Vastgoed DeSeizoenen draagt als eigenaar van het vastgoed onverminderd de (financiële) risico’s die aan
het bezit en beheervan vastgoed zijn verbonden (randnummer 3.21 hiervoor). Dát is het risico waar de Ondernemingskamer in rov. 5.8 op heeft gedoeld en met het oog op dát risico heeft de Ondernemingskamer het te billijken geacht dat is besloten DeSeizoenen (als zorginstelling) niet in het vastgoed te laten investeren. Dat oordeel wordt niet onbegrijpelijk doordat een ander risico, namelijk het risico dat aan
de financiering vanhet vastgoed is verbonden, voor een substantieel deel bij DeSeizoenen is terechtgekomen (randnummer 3.22 hiervoor). Ik verwijs hier nog naar hetgeen ik in randnummer 3.14 hiervoor heb uiteengezet over het niet hoeven prijsgeven van de
opportunityaan DeSeizoenen.
randnummers 31 tot en met 39 van het verzoekschrift tot cassatiedat het rechtens onjuist is voor zover de Ondernemingskamer in rov. 5.8 heeft geoordeeld dat alleen sprake kan zijn van een
corporate opportunityvoor een onderneming als de
opportunityhaar kernactiviteiten betreft. Volgens de CCr is er reeds sprake van een
corporate opportunityals zich voor de vennootschap een mogelijkheid voordoet om een transactie aan te gaan die past binnen het kader van haar (feitelijke) ondernemingsactiviteiten. Niet is vereist dat het gaat om een kernactiviteit.
corporate opportunityvoor DeSeizoenen was (of had kunnen zijn), omdat het geen kernactiviteit van DeSeizoenen betreft. Het oordeel van de Ondernemingskamer beperkt zich ertoe dat de toenmalige bestuurders en/of (onafhankelijke) commissarissen van DeSeizoenen de
opportunityniet binnen of onder DeSeizoenen hebben hoeven (proberen te) verwezenlijken.
randnummers 40 tot en met 46 van het verzoekschrift tot cassatiedat het onbegrijpelijk is dat de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat het wanbeleid slechts tot 25 februari 2014 heeft geduurd (het moment dat principeovereenstemming met de banken werd bereikt). Ook na 25 februari 2014 hebben immers gebeurtenissen plaatsgevonden, waarbij bestuurders en commissarissen geconflicteerd waren op een wijze die de Ondernemingskamer als strijdig met de zorgvuldigheid heeft bevonden. De CCr wijst daarbij op de volgende vier gebeurtenissen: (i) het bestuur van DeSeizoenen heeft nagelaten een onafhankelijke taxatie te laten uitvoeren, (ii) niet kan worden vastgesteld of commissarissen [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] zich aan de beraadslagingen binnen de raad van commissarissen hebben onttrokken, hetgeen strijdig is met de vereiste zorgvuldigheid en transparantie, (iii) tot juli 2015 was de raad van commissarissen gedeeltelijk geconflicteerd en (iv) tussen het aangaan van de huurovereenkomsten (in februari 2016) en het effectueren van de transactie (op 15 maart 2016) bestond binnen het bestuur van DeSeizoenen nog steeds een tegenstrijdig belang en werden de belangen van DeSeizoenen nog altijd niet actief behartigd.
cruciale periode”, “
waarin de constructie nog niet vast lag” (rov. 5.27 en 5.24). Zo had DeSeizoenen in die periode, waarin de onderhandelingen nog gaande waren, een tegenprestatie kunnen bedingen in ruil voor de belangrijke bijdragen die zij aan de financiering van de verwerving van het vastgoed door Vastgoed DeSeizoenen leverde en de omstandigheid dat zij een substantieel deel van het risico droeg (rov. 5.29). Met het bereiken van de principe-overeenstemming met de banken op 25 februari 2014 eindigde de “
cruciale periode” en lag de financieringsconstructie in principe vast. Nadien is, voor zover dit uit de vaststaande feiten blijkt, in de constructie ook geen verandering meer gekomen (randnummers 1.16 en 1.24 hiervoor). [42] Tegen deze achtergrond is het niet onbegrijpelijk dat de Ondernemingskamer het (de toenmalige functionarissen van) DeSeizoenen (extra) heeft aangerekend dat juist in de periode tot 25 februari 2014 – de periode waarin belangrijke beslissingen moesten worden genomen – de
governanceniet op orde was en de belangen van DeSeizoenen niet door een of meer onafhankelijke personen actief werden behartigd.
nadien” stappen heeft gemaakt op het gebied van de
governanceen diverse geconflicteerde bestuurders en commissarissen binnen DeSeizoenen zijn teruggetreden. Een belangrijke stap in dit kader is geweest dat op 1 mei 2014 – derhalve twee maanden na 25 februari 2014 – [belanghebbende 4] als geconflicteerde bestuurder van DeSeizoenen is teruggetreden en is vervangen door de niet-geconflicteerde [betrokkene 1] (randnummer 1.10 hiervoor). Per 1 juli 2015 zijn vervolgens [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] als commissarissen van DeSeizoenen teruggetreden (eveneens randnummer 1.10 hiervoor). Omdat het bestuur van DeSeizoenen vanaf 1 mei 2014 niet meer geheel geconflicteerd was en de raad van commissarissen vanaf 1 juli 2015 zelfs geheel onafhankelijk was, is het – anders dan de CCr betoogt – niet onbegrijpelijk dat de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat wél sprake was van wanbeleid bij het bereiken van de principe-overeenstemming op 25 februari 2014, maar niet meer bij het finaliseren van de transactie op 15 maart 2016.
pagina 21, middelste alinea, van het verzoekschrift tot cassatiedat het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 5.30 onder meer voortbouwt op de overweging dat het [belanghebbenden 2 t/m 5] vrijstond met de verwerving van het vastgoed een
opportunityte verzilveren. De CCr heeft deze overweging in onderdeel 1 bestreden, waardoor – indien een of meer klachten van onderdeel 1 slagen – tevens de grond ontvalt aan het oordeel van de Ondernemingskamer in rov. 5.30.
randnummers 47 tot en met 53 van het verzoekschrift tot cassatiedat de Ondernemingskamer ontoereikend heeft gemotiveerd dat de inhoud van de overeenkomsten tussen DeSeizoenen en Vastgoed DeSeizoenen op zichzelf onvoldoende blijk geeft van wanbeleid. Volgens de CCr had de Ondernemingskamer (beter) moeten uitleggen waarom een redelijk handelend bestuurder de betreffende verplichtingen zou zijn aangegaan, in het licht van de volgende essentiële stellingen van de CCr en vaststellingen van de Ondernemingskamer: (i) er bestaat disproportionaliteit tussen de investering en potentiële opbrengst voor [belanghebbenden 2 t/m 5] én tussen de lasten en risico’s die DeSeizoenen op zich heeft genomen en de potentiële
upsidevoor [belanghebbenden 2 t/m 5] , (ii) DeSeizoenen maakt geen aanspraak op enige
upside, maar betaalt ondertussen wel meer dan een marktconforme huur, heeft een achtergestelde lening verstrekt en haar NHC-vorderingen verpand, (iii) de terughoudende toetsing door de Ondernemingskamer vormt onvoldoende reden om het aangaan van ongebruikelijke, zware verplichtingen achteraf te billijken, (iv) de krachtige onderhandelingspositie die [belanghebbenden 2 t/m 5] ten opzichte van DeSeizoenen hadden, vormt een ontoereikende motivering voor het aangaan van de verplichtingen door DeSeizoenen en bovendien had juist DeSeizoenen een sterke onderhandelingspositie, (v) de overweging dat ook bij een juiste gang van zaken het resultaat hetzelfde zou zijn geweest, maakt nog niet dat de inhoud van de overeenkomsten geen blijk geeft van wanbeleid, (vi) de enkele mogelijkheid dat het resultaat bij een (hypothetische) juiste gang van zaken hetzelfde zou zijn geweest, maakt niet dat de inhoud van de overeenkomsten (in de werkelijke situatie) geen grond voor wanbeleid oplevert en (vii) de Ondernemingskamer heeft niet kenbaar beoordeeld of het samenstel van overeenkomsten een omzeiling van het winstuitkeringsverbod oplevert.
Twee vormen van disproportionaliteit. In rov. 5.28 heeft de Ondernemingskamer overwogen dat een substantieel deel van het aan het vastgoed verbonden risico bij DeSeizoenen terecht is gekomen en dat daarbij komt dat de aandeelhouders van Vastgoed DeSeizoenen geen eigen investering hebben gedaan, anders dan de inbreng van € 100 als storting op de aandelen in het kapitaal van Vastgoed DeSeizoenen. Hieruit blijkt dat de Ondernemingskamer heeft meegewogen dat disproportionaliteit bestaat, zowel op het gebied van de verdeling van de risico’s (een substantieel deel van het risico ligt immers bij DeSeizoenen) als met betrekking tot de gedane investering (slechts € 100 door [belanghebbenden 2 t/m 5] , tegenover een huurbetaling van € 2,36 miljoen per jaar, een achtergestelde lening van € 3,25 miljoen en verpanding van haar NHC-vorderingen door DeSeizoenen). Het is niet onbegrijpelijk dat de Ondernemingskamer desondanks geen wanbeleid heeft aangenomen, omdat voor het vaststellen van wanbeleid uiteindelijk beslissend is of DeSeizoenen verplichtingen op zich heeft genomen waartoe een redelijk handelend bestuurder niet had mogen besluiten. Daarvan is volgens de Ondernemingskamer geen sprake.
Geen upside, wel lasten. In rov. 5.30 heeft de Ondernemingskamer overwogen dat [belanghebbenden 2 t/m 5] voor wat betreft Vastgoed DeSeizoenen een krachtige onderhandelingspositie jegens DeSeizoenen hadden, omdat [belanghebbenden 2 t/m 5] met de doorstart van Stichting [A] de continuïteit van de zorg hadden gewaarborgd en het hen vrijstond om te kiezen voor verwerving van het vastgoed door Vastgoed DeSeizoenen. Met het oog op die krachtige positie van [belanghebbenden 2 t/m 5] is het niet onbegrijpelijk dat de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat – hoewel op het resultaat het nodige valt af te dingen – DeSeizoenen geen verplichtingen op zich heeft genomen waartoe een redelijk handelend bestuurder niet had mogen besluiten.
Terughoudende toetsing. De Ondernemingskamer heeft haar oordeel – dat het resultaat van de vastgoedtransactie op zichzelf onvoldoende blijk geeft van wanbeleid – gebaseerd op een aantal overwegingen: (a) Vastgoed DeSeizoenen (lees: [belanghebbenden 2 t/m 5] ) had een krachtige onderhandelingspositie ten opzichte van DeSeizoenen, waardoor niet is uitgesloten dat ook bij een juiste gang van zaken bij de onderhandelingen het onderhandelingsresultaat hetzelfde zou zijn geweest, (b) disproportionaliteit tussen ‘investering’ en potentiële opbrengst kwalificeert op zichzelf niet als wanbeleid, (c) DeSeizoenen heeft geen verplichtingen op zich genomen waartoe een redelijk handelend bestuurder niet had mogen besluiten, (d) hoewel op het resultaat het nodige valt af te dingen, is niet ondenkbaar dat te billijken is dat DeSeizoenen tot het aangaan van de overeenkomsten is overgegaan en (e) indien het resultaat op juiste wijze tot stand was gekomen, zou het resultaat – in het licht van de terughoudendheid die de Ondernemingskamer bij het toetsen van bestuurlijk handelen in acht heeft te nemen – ook geen grond vormen voor een wanbeleidoordeel. Anders dan de CCr lijkt te betogen, heeft de Ondernemingskamer haar oordeel dus niet slechts onderbouwd met een enkele verwijzing naar de terughoudende toetsing. Met name de overweging onder (a) – de sterke onderhandelingspositie van Vastgoed DeSeizoenen – zal voor de Ondernemingskamer reden zijn geweest om te oordelen dat niet ondenkbaar is dat te billijken is dat DeSeizoenen de (zware) verplichtingen is aangegaan, die uit de overeenkomsten met Vastgoed DeSeizoenen voortvloeien.
De onderhandelingsposities. De Ondernemingskamer heeft de krachtige onderhandelingspositie van [belanghebbenden 2 t/m 5] onder meer gebaseerd op het feit dat [belanghebbenden 2 t/m 5] met de doorstart van Stichting [A] de continuïteit van de zorg hebben gewaarborgd. Dat [belanghebbenden 2 t/m 5] hierdoor als initiatiefnemers als eerste aanspraak maakten op de potentiële
upsidevan de doorstart en dus een sterkere onderhandelingspositie hadden dan DeSeizoenen, is niet onbegrijpelijk. Dat DeSeizoenen is gevraagd een belangrijke bijdrage aan de financiering van het vastgoed te leveren, maakt dit niet anders. [belanghebbenden 2 t/m 5] hebben als initiatiefnemers aan de wieg van (de doorstart in) DeSeizoenen gestaan, waardoor niet onbegrijpelijk is dat de Ondernemingskamer – kennelijk – de onderhandelingspositie van DeSeizoenen onvoldoende sterk heeft geacht om het verschil in onderhandelingspositie ten opzichte van [belanghebbenden 2 t/m 5] (en daarmee Vastgoed DeSeizoenen) weg te nemen. Omdat DeSeizoenen de onderliggende partij was in de onderhandelingen, is evenmin onbegrijpelijk dat de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat het niet ondenkbaar is dat het te billijken is dat een redelijk handelend bestuurder de verplichtingen namens DeSeizoenen zou zijn aangegaan (zie ook onder (ii) hiervoor).
Juiste gang van zaken, hetzelfde resultaat (1). Anders dan de CCr betoogt, heeft de Ondernemingskamer in rov. 5.30 niet overwogen dat bij een juiste gang van zaken het resultaat hetzelfde zou zijn geweest. De Ondernemingskamer heeft overwogen dat
niet is uitgeslotendat ook bij een juiste gang van zaken bij de onderhandelingen het onderhandelingsresultaat hetzelfde zou zijn geweest. Die overweging is niet onbegrijpelijk in het licht van de sterke onderhandelingspositie die [belanghebbenden 2 t/m 5] ten opzichte van DeSeizoenen hadden (zie onder (ii) en (iv) hiervoor). Het is ook niet zo dat de Ondernemingskamer slechts op basis van deze overweging tot het oordeel is gekomen dat het bereikte resultaat geen wanbeleid oplevert; het oordeel van de Ondernemingskamer is gebaseerd op een aantal overwegingen (zie onder (iii) hiervoor). Het is niet onbegrijpelijk dat één daarvan de overweging is dat niet is uitgesloten dat ook bij een zorgvuldige totstandkoming van de transactie het resultaat hetzelfde zou zijn geweest. Dat vormt immers een aanwijzing dat de gebreken in de totstandkoming van de transactie geen invloed hebben gehad op het bereikte resultaat.
Juiste gang van zaken, hetzelfde resultaat (2). Deze (vast)stelling betreft mijns inziens in de kern een herhaling van de (vast)stelling onder (v). Ik verwijs daarnaar.
Omzeiling winstuitkeringsverbod. Anders dan de CCr betoogt, heeft de Ondernemingskamer wel kenbaar beoordeeld of het samenstel van overeenkomsten (en de disproportionaliteit die daarin zit) een omzeiling van het winstuitkeringsverbod oplevert. Halverwege rov. 5.30 heeft de Ondernemingskamer namelijk overwogen dat de door de CCr gesignaleerde disproportionaliteit op zichzelf geen grond vormt voor een wanbeleidoordeel en dat het voor DeSeizoenen erom gaat dat zij, “
mede gelet op het winstuitkeringsverbod waaraan zij is gebonden”, geen verplichtingen op zich heeft genomen waartoe een redelijk handelend bestuurder niet had mogen besluiten. De Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat bij bepaalde aspecten van de transactie vraagtekens kunnen worden gezet en dat op het resultaat het nodige valt af te dingen, maar dat niet ondenkbaar is dat te billijken is dat hiertoe is overgegaan. Het spreekt voor zich dat de Ondernemingskamer tot een ander oordeel zou zijn gekomen indien zij van oordeel was geweest dat het samenstel van overeenkomsten een omzeiling van het winstuitkeringsverbod opleverde.
randnummers 54 tot en met 58 van het verzoekschrift tot cassatiedat het onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat de Ondernemingskamer bij haar beoordeling een strikt onderscheid heeft gemaakt tussen de inhoud van de vastgoedconstructie en de door DeSeizoenen aangegane overeenkomsten enerzijds en de wijze van totstandkoming daarvan anderzijds. Volgens de CCr moet aan de hand van alle omstandigheden van het geval worden beoordeeld of de vastgoedtransactie dermate disproportioneel is dat de transactie wanbeleid oplevert, waaronder de omstandigheden dat (i) geconflicteerde personen bij de besluitvorming waren betrokken, (ii) het resultaat niet door onderhandelingen
at arm’s lengthtot stand is gekomen, (iii) de expliciete afwegingen niet duidelijk zijn gedocumenteerd en (iv) de transactie strijdig is met verschillende regels, zoals de tegenstrijdig belangregels van Boek 2 BW, de Zorgbrede Governancecode 2010 en het winstuitkeringsverbod.
bezien in de context waarin deze tot stand is gekomen”, op zichzelf onvoldoende blijk van wanbeleid oplevert. Het blijkt ook uit de derde volzin van rov. 5.30, waarin de Ondernemingskamer refereert aan het mogelijke onderhandelingsresultaat bij een juiste gang van zaken (hetgeen impliceert dat de Ondernemingskamer het resultaat heeft beoordeeld in het licht van de gebrekkige totstandkoming daarvan).
indien” bij het bereiken van dit resultaat geen geconflicteerde personen betrokken zouden zijn geweest en het resultaat tot stand zou zijn gekomen door onderhandelingen
at arm’s lengthen de expliciete afwegingen duidelijk zouden zijn gedocumenteerd. Volgens de CCr blijkt uit deze slotzin dat de Ondernemingskamer de gebrekkige totstandkoming van de transactie niet heeft betrokken bij het beoordelen van het resultaat van de transactie.
A contrariozou hieruit dan kunnen worden afgeleid (zoals de CCr ook doet) dat, nu de transactie op punten
onzorgvuldig tot stand is gekomen, het resultaat van de transactie wél wanbeleid had moeten (of kunnen) opleveren. Ik meen echter dat de slotzin van rov. 5.30 niet zo moet worden gelezen. Voorop staat dat uit de rest van rov. 5.30 blijkt dat de Ondernemingskamer de gebrekkige totstandkoming van de transactie wel degelijk heeft meegenomen in de beoordeling van het resultaat van de transactie (randnummers 3.40 en 3.41 hiervoor). De slotzin van rov. 5.30 maakt dat niet anders. Ik lees die slotzin aldus dat volgens de Ondernemingskamer ook geen grond zou bestaan voor een wanbeleidoordeel indien het resultaat na een zorgvuldige totstandkoming zou zijn bereikt (een mogelijkheid die de Ondernemingskamer ook al eerder in rov. 5.30 heeft genoemd).
als warede transactie zorgvuldig tot stand gekomen. Dat is immers niet de situatie die ter beoordeling door de Ondernemingskamer voorlag. De Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat de transactie dermate onzorgvuldig tot stand is gekomen dat tot 25 februari 2014 sprake is geweest van wanbeleid (rov. 5.12-5.27). Ik zie geen reden waarom de Ondernemingskamer vervolgens het resultaat van de transactie zou hebben beoordeeld, zónder de gebrekkige totstandkoming van de transactie in het oog te hebben gehouden. Dat zou betekenen dat de Ondernemingskamer willens en wetens van een onjuiste totstandkomingsgeschiedenis van het resultaat is uitgegaan. Dat acht ik niet aannemelijk en kan wat mij betreft ook niet uit de slotzin van rov. 5.30 worden afgeleid.
randnummers 59 tot en met 69 van het verzoekschrift tot cassatiedat het rechtens onjuist is dat de Ondernemingskamer het handelen van de bestuurders van DeSeizoenen terughoudend heeft getoetst. Indien sprake is van een (substantieel) tegenstrijdig belang en geconflicteerde personen bij het resultaat betrokken zijn geweest, zoals in dit geval, moet de rechter het bestuurlijk handelen namelijk minder [43] of niet [44] terughoudend toetsen.
verdergaandtoetst indien sprake was van een tegenstrijdig belang. De memorie van toelichting vermeldt hierover het volgende (onderstrepingen toegevoegd door mij): [47]
ofhet bestuur beleidsvrijheid toekomt of niet. Wanneer het gaat om zakelijke beslissingen, is beleidsvrijheid voor het bestuur het uitgangspunt. De Ondernemingskamer is op grond van de bestaande wetgeving in samenhang met de jurisprudentie van de Hoge Raad verplicht tot een terughoudende toetsing van ondernemingsbeleid. De Ondernemingskamer behoort in beginsel niet te treden in de merites van bestuurlijke beslissingen
wanneer daaraan een behoorlijke besluitvorming ten grondslag ligt met een behoorlijke afweging van de voor- en nadelen. (…) Of en zo ja sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen danwel wanbeleid kan uitsluitend aan de hand van de omstandigheden van het geval worden beoordeeld door de rechter. Naar mijn mening ligt voor de hand dat de rechter daarbij
onderscheidttussen gevallen waarin het bestuur al dan niet een tegenstrijdig belang heeft. Bijvoorbeeld in het geval dat het bestuur een beschermingsconstructie inroept, is er aanleiding om het desbetreffende bestuursbesluit
verdergaand te toetsen dan wanneer het risico van een persoonlijk belang ontbreekt. Ontbreekt een persoonlijk belang, dan dient de rechter ervoor te waken dat hij op de stoel van de ondernemer plaatsneemt. In dat geval is primair van belang of het besluit op een voldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.”
het nodige (…) af te dingen”. Dit duidt erop dat de Ondernemingskamer het resultaat niet louter marginaal heeft getoetst, maar in plaats daarvan indringender naar het resultaat van de transactie heeft gekeken. Dit heeft geleid tot het oordeel dat het resultaat van de transactie volgens de Ondernemingskamer net door de beugel kan. Tot hetzelfde oordeel was de onderzoeker gekomen (randnummers 2.14 e.v. hiervoor).
in het licht van de terughoudendheid die zij bij het toetsen van bestuurlijk handelen in acht heeft te nemen”, geen grond voor een wanbeleidoordeel zou zijn, indien dit resultaat zorgvuldig tot stand was gekomen. Uit de wijze van formuleren van de Ondernemingskamer (“
zou zijn indien”) blijkt al dat de Ondernemingskamer het hier over de hypothetische situatie heeft dat géén sprake zou zijn geweest van tegenstrijdige belangen en het resultaat zorgvuldig tot stand zou zijn gekomen. De Ondernemingskamer heeft het hier niet over de werkelijke (ter beoordeling voorliggende) situatie, waarin wél sprake was van tegenstrijdige belangen en het resultaat gebrekkig tot stand is gekomen. Het is niet onjuist dat de Ondernemingskamer in de hypothetische situatie – waarin de totstandkoming
nietgebrekkig is verlopen – het bestuurlijk handelen van de bestuurders van DeSeizoenen terughoudend dient te toetsen. In dat geval is de ‘standaard’ marginale toetsing aan de orde; voor een indringender toetsing is dan geen aanleiding (randnummers 3.47 e.v. hiervoor).
governanceen zijn diverse geconflicteerde bestuurders en commissarissen binnen DeSeizoenen teruggetreden (randnummer 3.32 hiervoor). Voorafgaand aan de definitieve verwerving van het vastgoed op 15 maart 2016 hebben de niet-geconflicteerde bestuurder ( [betrokkene 1] ) en de (inmiddels volledig onafhankelijke) raad van commissarissen van DeSeizoenen de transactie aan een zelfstandige toets onderworpen. In cassatie staat vast dat zij hun taak nauwgezet hebben vervuld (rov. 5.20). Gelet hierop is het niet onjuist dat de Ondernemingskamer enige terughoudendheid heeft betracht bij het beoordelen van het resultaat van de transactie.
randnummers 70 tot en met 73 van het verzoekschrift tot cassatiedat deze voortbouwende oordelen niet in stand kunnen blijven als één of meer van de klachten in de onderdelen 1 tot en met 3 slagen.