Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in strijd met het bepaalde in artikel 339 lid 2 juncto Pro 511f Sv, mede heeft gebaseerd op ‘ervaringscijfers bij onderzoeken in koppelbazenfraude’, althans dat het arrest in zoverre niet voldoende met redenen is omkleed.
ofhet gaat om een algemeen bekend gegeven, behoort de rechter dat gegeven aan de orde te stellen bij de behandeling van de zaak op de terechtzitting, zodat de procespartijen zich daarover kunnen uitlaten. [2]
feit van algemene bekendheid” of “
algemene ervaringsregel” in zijn overwegingen heeft opgenomen, mist het dus feitelijke grondslag.
door tussenkomst van een proces-verbaal van politieals feit van algemene bekendheid (of als algemene ervaringsregel) heeft aangenomen dat de winstmarge van koppelbazen gemiddeld genomen ongeveer 30% van de omzet bedraagt. [4] In dat verbaal (zie nogmaals bewijsmiddel 1) wordt immers melding gemaakt van “
ervaringscijfers”.
die(specialistische) kennis waarop het proces-verbaal zich baseert voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zulks bij gebrek aan enige informatie daarover van de zijde van de betrokkene of van zijn kompanen. De vraag is daarom
nietof het hof dit gegeven zonder bewijs mocht aannemen, de vraag is of ’s hofs bewijsoordeel over dit gegeven toereikend is gemotiveerd.
ontoereikend is gemotiveerd, wijs ik op het volgende. Uit de aanvulling op het arrest blijkt dat vorenbedoeld proces-verbaal van bevindingen (AH-107) is opgemaakt onder verwijzing naar een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD. In dat verband heeft het hof in de aanvulling opgenomen dat de in het proces-verbaal gerelateerde feiten door het hof zijn gecontroleerd en juist bevonden aan de hand van de onderliggende stukken en dat de bereikte conclusies zijn getoetst aan datzelfde materiaal. Namens de betrokkene is in hoger beroep in het geheel niets aangevoerd ter betwisting van de ontnemingsvordering, meer in het bijzonder niet ten aanzien van de ervaringscijfers bij onderzoeken in koppelbazenfraude. [6] Het hof was mijns inziens dan ook niet gehouden tot een nadere motivering van zijn oordeel. [7]