ECLI:NL:PHR:2021:1221

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 november 2021
Publicatiedatum
21 december 2021
Zaaknummer
20/02730
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 SvArt. 415 SvArt. 416 lid 2 SvArt. 434 lid 1 SvArt. 107 lid 1 WVW 1994
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens niet-naleving oproepingsvoorschrift in hoger beroep rijden zonder rijbewijs

De verdachte werd door de rechtbank Limburg veroordeeld tot twee weken hechtenis wegens rijden zonder rijbewijs. Het gerechtshof Den Bosch verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. In cassatie werd aangevoerd dat het hof niet had voldaan aan het voorschrift van artikel 48 Sv Pro, omdat geen afschrift van de oproeping voor de zitting van 31 augustus 2020 aan de raadsvrouw van de verdachte was verzonden.

Uit het dossier bleek dat de raadsvrouw zich in januari 2019 had gesteld als vertegenwoordiger van de verdachte en dat zij voor een eerdere zitting in februari 2020 wel was opgeroepen. Die zitting ging niet door vanwege COVID-maatregelen. Voor de zitting van 31 augustus 2020 was er wel een oproeping, maar er was geen bewijs dat deze aan de raadsvrouw was gezonden. Noch de verdachte noch zijn raadsvrouw waren op die zitting verschenen.

De Hoge Raad oordeelde dat het voorschrift van artikel 48 Sv Pro, dat de oproeping aan de verdediging waarborgt, van groot belang is en dat het ernstige vermoeden bestond dat dit voorschrift niet was nageleefd. Dit bracht mee dat de behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van verdachte en raadsvrouw niet geldig kon zijn. Daarom werd het arrest van het hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor een nieuwe behandeling in hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling wegens niet-naleving oproepingsvoorschrift.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02730
Zitting9 november 2021

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij vonnis van 6 juli 2018 door de rechtbank Limburg wegens “
overtreding van artikel 107 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot twee weken hechtenis. Het gerechtshof Den Bosch heeft de verdachte bij arrest van 31 augustus 2020 met toepassing van artikel 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel behelst de klacht dat artikel 48 (51 oud) en 415 Sv in hoger beroep niet zijn nageleefd aangezien is verzuimd een afschrift van de oproeping voor de zitting van het gerechtshof Den Bosch van 31 augustus 2020 aan de raadsvrouw van de verdachte te zenden.
4. Bij de op de voet van artikel 434 lid 1 Sv Pro aan de Hoge Raad toegezonden stukken [1] van het geding bevindt zich een aanhoudingsverzoek van 21 januari 2020 van mr. P. Figge, gericht aan de strafgriffie van het gerechtshof Den Bosch, waarin zij onder meer bericht dat zij zich in januari 2019 [2] heeft gesteld als raadsvrouw namens de verdachte in de zaak met het parketnummer 20/000223-19. Bij de stukken bevindt zich tevens een verzendcontrolerapport waaruit kan worden afgeleid dat het faxbericht op 21 januari 2020 door de strafgriffie van het gerechtshof Den Bosch is ontvangen. In het proces-verbaal van de zitting van het hof van 17 februari 2020 staat vermeld dat de raadsvrouw van de verdachte, mr. Figge, niet ter zitting aanwezig was en dat het hof reeds voorafgaand aan de zitting op verzoek en in overleg met de verdediging heeft beslist dat de zaak zal worden aangehouden tot 23 april 2020. Voorafgaand aan deze zitting is een afschrift van de oproeping in hoger beroep aan de raadsvrouw gezonden. [3] De steller van het middel deelt overigens mee dat deze terechtzitting geen doorgang heeft gevonden in verband met de toen geldende COVID-maatregelen.
5. Bij de stukken van het geding bevindt zich de oproeping in hoger beroep voor de zitting op 31 augustus 2020. [4] Noch uit mededelingen daarop gesteld, noch uit enig ander aan de Hoge Raad toegezonden stuk kan blijken dat een afschrift van de oproeping aan mr. Figge is gezonden. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 31 augustus 2020 is aldaar noch de verdachte noch diens raadsvrouw verschenen.
6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang beschouwd, vloeit het ernstige vermoeden voort dat ten aanzien van de oproeping in hoger beroep het voorschrift vervat in de tweede volzin van artikel 48 Sv Pro niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht in de weg te staan aan een geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadsvrouw. [5]
7. Het middel slaagt.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Bosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie in het (elektronisch) dossier onder correspondentie (ingescande extra stukken).
2.De schriftuur stelt “
3.Zie het (elektronisch) dossier onder ‘betekeningstukken dagvaarding / oproeping hoger beroep’. Onder de kop staat aangegeven “
4.Zie de oproeping van de verdachte in hoger beroep voor de zitting op maandag 31 augustus 2020 om 09:30 uur ((elektronisch) dossier onder correspondentie, ‘ingescande extra stukken’). Onder de kop staat aangegeven “
5.Vgl. o.m. HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3225; HR 5 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:172; HR 16 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1052.