Conclusie
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. A.H. Vermeulen
verweerder in cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma.
1. de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, locatie Rotterdam, en
2. Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
beide niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
3.Bespreking van het cassatiemiddel
par. 1.4tot uitgangspunt dat het hof in rov. 5.9 het juiste juridisch kader heeft weergegeven en dat de rechter in beginsel ‘naar eigen goeddunken’ een beslissing kan nemen met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van het kind als die tussen ouders in geschil is, maar dat deze bevoegdheid, mede gezien het bepaalde in art. 8 EVRM Pro, niet onbeperkt is. Het wijst er op dat het recht op een gezinsleven geldt voor beide ouders en het kind en alleen met inachtneming van alle relevante omstandigheden wordt beslist en dat in de noodzakelijk geachte kinderbeschermende maatregelen zo weinig mogelijk verandering wordt gebracht.
Onder 1.4 en 1.5klaagt de moeder dat het hof ten onrechte bij zijn beoordeling van het verzoek tot het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [het kind] bij de vader niet in de beoordeling heeft betrokken de omstandigheden dat:
i) het verzoek van de vader tot verandering van de hoofdverblijfplaats van [het kind] is gedaan terwijl er al een machtiging tot uithuisplaatsing was op grond waarvan [het kind] bij de vader woonde; en
ii) de moeder in het beroepschrift van 8 juli 2020 verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen danwel een onderzoek te bevelen door het KSCD en verdere beslissingen aan te houden.
In
par. 2.1, onder (ii) [9] klaagt het onderdeel dat het hof niet motiveert waarom het de beslissing van de rechtbank dat de hoofdverblijfplaats van [het kind] voortaan bij zijn vader zou zijn niet vernietigt, hoewel zonneklaar is dat de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [het kind] naar de vader volstrekt overbodig was, omdat op 10 april 2020 de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader nog van kracht was en de wijziging van de hoofdverblijfplaats dus geen verandering bracht in de toen bestaande situatie.
Onder (iii) en (iv)klaagt het onderdeel dat het hof niet motiveert waarom de machtiging tot uithuisplaatsing op 10 april 2020 niet (meer) adequaat was en moest worden vervangen door een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [het kind] (iii) en dat het hof niet kenbaar bij zijn bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken dat in geval van vernietiging van de bestreden beschikking een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij de vader binnen een dag beschikbaar is (iv).
par 1.5 onder i) en ii)genoemde omstandigheden niet in de beoordeling heeft betrokken, berust op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak. Het hof heeft namelijk in rov. 3.4 vermeld dat [het kind] sinds 23 december 2019 op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader verblijft. In rov. 5.10 refereert het hof aan het raadsrapport van 27 februari 2020 met betrekking tot de machtiging uithuisplaatsing. In rov. 5.11 neemt het hof in aanmerking dat [het kind] inmiddels een jaar bij de vader woont en in de omgeving van de vader naar school gaat. Gelet op hetgeen in onder andere rov. 3.4 en 5.10 staat, mag worden aangenomen dat het hof zich er rekenschap van heeft gegeven dat [het kind] ten tijde van het geven van de beschikking al een jaar bij zijn vader woont op grond van machtigingen tot uithuisplaatsing. In rov. 5.12 bespreekt het hof het verzoek van de moeder om de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [het kind] aan te houden, in afwachting van nader onderzoek in de vorm van een KSCD onderzoek, verslag van een bijzondere curator of onderzoek van de raad. Deze klacht faalt derhalve.
par. 2.1 onder (ii), (iii) en (iv), alsmede de klacht in
par. 1.4voor zover daarmee beoogd is te klagen dat het hof heeft miskend dat in kinderbeschermingsmaatregelen zo weinig mogelijk verandering wordt gebracht en
onder 1.5voor zover daarmee beoogd is te klagen over de betekenis die het hof aan de omstandigheid genoemd in par. 1.5 onder i) heeft toegekend, lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
onder 1.4klaagt dat het hof eraan voorbij is gegaan dat het recht op gezinsleven geldt voor beide ouders – en dus ook voor de moeder – slaagt ook die klacht niet. Bepaling van de hoofdverblijfplaats van [het kind] betekent onvermijdelijk dat de hoofdverblijfplaats niet bij de moeder is – en andersom. Art. 1:253a BW vraagt de rechter de knoop door te hakken. Het hof merkt in rov. 5.11 terecht op dat [het kind] een kind van gescheiden ouders is en, gelet op de aanzienlijke afstand tussen de woonplaats van beide ouders, altijd op afstand van één van zijn ouders is. Het hof heeft het recht op gezinsleven van de moeder onderkend en meegewogen in rov. 5.11 met de overweging dat de omgang met de moeder goed verloopt en dat de vader [het kind] stimuleert in het contact met de moeder. Ook wijst het hof er op dat van belang is dat er een goede zorgregeling met de moeder komt die tegemoet komt aan de belangen van [het kind] en dat in het kader van de ondertoezichtstelling aan de opbouw hiervan wordt gewerkt. Door de belangen van de moeder, de vader en [het kind] tegen elkaar af te wegen, heeft het hof art. 8 EVRM Pro niet miskend. De inbreuk op het gezinsleven van de moeder is gerechtvaardigd door de belangen van [het kind] en vader (art. 8 lid 2 EVRM Pro).
ar. 2.1, onder (i) en par. 2.2richten zich tegen de afwijzing in rov. 5.12 van het verzoek van de moeder om de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats van [het kind] aan te houden, in afwachting van nader onderzoek in de vorm van een KSCD onderzoek.
par. 2.2wordt namens de moeder geklaagd dat het hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijk geen rekening heeft gehouden met de als gevolg van de wijziging van de woonplaats van [het kind] ontstane feitelijke onmogelijkheid om het aanvankelijk voorgenomen en door de moeder verzochte KSCD onderzoek uit te voeren en aldus ten onrechte dan wel onbegrijpelijk de beschikking van de rechtbank betreffende de bepaling van de hoofdverblijfplaats heeft bekrachtigd. In par. 2.2 wordt ter onderbouwing van deze klacht vermeld, onder verwijzing naar rov. 5.7 en 5.8 van de bestreden beschikking, dat het hof als uitgangspunt heeft genomen dat het voorgenomen KSCD-onderzoek onder meer achterwege is gebleven omdat de gemeente waar [het kind] nu staat ingeschreven (woonplaats vader) dit onderzoek niet financiert.