ECLI:NL:PHR:2020:935

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 oktober 2020
Publicatiedatum
9 oktober 2020
Zaaknummer
17/03472
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197 SrArt. 66a lid 7 Vreemdelingenwet 2000Art. 62 lid 2 Vreemdelingenwet 2000Art. 67 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verenigbaarheid van strafbaarstelling voortgezet illegaal verblijf met Unierecht

De zaak betreft de strafbaarstelling van een derdelander die illegaal in Nederland verblijft terwijl tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd, en de vraag of dit verenigbaar is met het Unierecht, in het bijzonder Richtlijn 2008/115 (de Terugkeerrichtlijn).

De verdachte was ongewenst verklaard en later werd een inreisverbod opgelegd vanwege zijn strafrechtelijke antecedenten en gevaar voor de openbare orde. Hij verbleef in Nederland zonder geldig verblijf en werd veroordeeld voor overtreding van artikel 197 Sr Pro. De verdediging voerde aan dat de strafbaarstelling niet verenigbaar was met het Unierecht omdat het inreisverbod nog niet in werking was getreden.

De Hoge Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU, dat op 17 september 2020 oordeelde dat Richtlijn 2008/115 zich niet verzet tegen een nationale regeling die straf oplegt aan een illegaal verblijvende derdelander die de terugkeerprocedure heeft doorlopen zonder daadwerkelijk het grondgebied te hebben verlaten, mits het strafbare feit is omschreven als illegaal verblijf met kennis van het inreisverbod en de regeling voldoende nauwkeurig en voorzienbaar is.

De Procureur-Generaal concludeert dat artikel 197 Sr Pro niet strijdig is met het Unierecht, maar dat bij toepassing beperkingen gelden ten opzichte van de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor hernieuwde behandeling.

Uitkomst: Artikel 197 Sr is niet strijdig met het Unierecht mits de terugkeerprocedure is doorlopen en de strafbaarstelling voldoet aan het legaliteitsbeginsel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer17/03472
Zitting13 oktober 2020

CONCLUSIE

J. Silvis
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. De Hoge Raad heeft mij verzocht om in deze zaak een (tweede) aanvullende conclusie te nemen naar aanleiding van de uitspraak van 17 september 2020 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-806/18) [1] inzake de prejudiciële vraag die de Hoge Raad in deze zaak bij arrest van 27 november 2018 aan het Hof van Justitie had voorgelegd.
2. Deze conclusie is als volgt opgebouwd. Hieronder volgt eerst een korte beschrijving van de zaak. Dan volgt een samenvatting van mijn conclusie van 12 juni 2018 [2] en de aanvullende conclusie van 18 september 2018 [3] . Aansluitend volgt een samenvatting van het arrest van de Hoge Raad van 27 november 2018 [4] en de daarin geformuleerde prejudiciële vraag. Vervolgens geef ik weer wat het Hof van Justitie heeft geantwoord op de prejudiciële vraag. Daarop volgt een duiding van het arrest van het Hof van Justitie in verband met de concrete zaak. Daarna volgt een slotsom.
Gang van zaken
3. De gang van zaken in deze zaak is als volgt. Op 20 april 2000 is aan verdachte in persoon de beschikking uitgereikt waarbij hij ongewenst werd verklaard. Bij beschikking van 19 maart 2013 is de ongewenstverklaring opgeheven. Deze beschikking hield tevens in dat verdachte, nu hij meerdere malen veroordeeld was voor het plegen van verschillende misdrijven en daarmee een gevaar voor de openbare orde was, Nederland op grond van art. 62 lid 2 aanhef Pro en onder c Vreemdelingenwet 2000 onmiddellijk diende te verlaten en dat tegen hem ingevolge art. 66a lid 1 aanhef en onder a Vreemdelingenwet 2000 een inreisverbod voor de duur van vijf jaar was uitgevaardigd. Op 21 oktober 2015 is verdachte aangehouden in een horeca-gelegenheid in Amsterdam omdat hij geen geldig identiteitsbewijs kon overleggen. Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij rond 20 oktober te Amsterdam als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van art. 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a lid 7 van de Vreemdelingenwet 2000. Verdachte is bij arrest van 4 mei 2017 door het hof Amsterdam wegens “als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000” veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf met aftrek.
De conclusie van 12 juni 2018 en de aanvullende conclusie van 18 september 2018
4. In mijn conclusie van 12 juni 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:612) heb ik het voorgestelde middel van cassatie besproken. Het middel klaagde over de bewezenverklaring door het hof dat verdachte op 20 oktober 2015 te Amsterdam “als vreemdeling heeft verbleven terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid van de Vreemdelingenwet” en tegen de kwalificatie als het strafbare feit als bedoeld in art. 197 Sr Pro.
Ten aanzien van de bewezenverklaring werd aangevoerd dat een essentieel bestanddeel van het tenlastegelegde strafbare feit ontbrak, te weten dat verdachte “wist of ernstige redenen had te vermoeden” dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd, en dat deze omstandigheid ook niet kan blijken uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.
Ten aanzien van de kwalificatie als art. 197 Sr Pro werd aangevoerd dat het hof er wel van is uitgegaan dat verdachte na het uitvaardigen van het inreisverbod de EU nog niet had verlaten, maar heeft miskend dat daardoor het inreisverbod, zijnde het verbod om het grondgebied van de lidstaten van de EU binnen te komen en aldaar te verblijven, nog niet was ingegaan.
5. Ten aanzien van het eerste onderdeel van het middel concludeerde ik dat het middel in zoverre slaagt. Ik overwoog dienaangaande:
“10. Uit de bewijsmiddelen in de onderhavige zaak kan niet volgen dat verdachte op enige manier bekend was geraakt met (de inhoud van) de beschikking waarbij het inreisverbod werd opgelegd. Uit de enkele overweging van het hof in het arrest dat het besluit, bezien naar Nederlands recht, op rechtsgeldige wijze bekend is gemaakt en op de tenlastegelegde datum rechtskracht had, kan niet worden afgeleid dat de verdachte daarvan wist of ernstige reden had dit te vermoeden. [5]
11. De stukken van het geding houden ten aanzien van het vermoeden of de wetenschap bij verdachte nog het volgende in. Blijkens het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep heeft de raadsman in aanvulling op zijn pleidooi ten aanzien van bij verdachte aanwezige wetenschap of vermoeden medegedeeld: “Misschien is technisch de delictsomschrijving wel vervuld. Je kunt wel aannemen dat hij het redelijkerwijs moest vermoeden”.
Het hof heeft verder in zijn strafoverwegingen overwogen: “De verdachte heeft als vreemdeling in Nederland verbleven, terwijl hij wist dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd”.
Ik meen dat de opmerking van de raadsman noch de overweging van het hof in het kader van de strafoplegging het ontbreken in de bewezenverklaring van het bestanddeel dat verdachte “wist of ernstige reden had te vermoeden dat” tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd kan sauveren in de zin dat het ontbreken van dit bestanddeel als kennelijke verschrijving kan worden opgevat.
12. Ik vind gezien de bewezenverklaring onvoldoende houvast om te adviseren het ervoor te houden dat het hof gezien de bewijsmiddelen het voldoen aan de wetenschapseis kennelijk heeft afgeleid uit de bewijsmiddelen betreffende de wetenschap van de voorafgaande ongewenstheid zodat wel aan de wetenschapseis is voldaan volgens het criterium dat is aangegeven in ECLI:NL:HR:2016:1116. Deze aarzeling is mede ingegeven doordat het middel in ECLI:NL:HR:2018:41 doel trof.
Tegen die achtergrond vind ik het aanbevelenswaardig dat de Hoge Raad richting geeft aan de praktijk hoe de vereiste inhoud van de wetenschapseis in art. 197 Sr Pro door de feitenrechter, mits de bewijsmiddelen toereikend zijn, technisch moet worden verwerkt in de omstandigheid dat een ongewenstverklaring op het moment van het tenlastegelegde verblijf al is vervangen door een inreisverbod.”
6. Ten aanzien van het tweede onderdeel van het middel concludeerde ik dat dit onderdeel faalt:
“Wat betreft het tweede onderdeel van het middel merk ik op dat art. 197 Sr Pro strafbaar stelt gekwalificeerd illegaal verblijf na de uitvaardiging tegen hem van een inreisverbod. Hiervoor lijkt niet nodig dat het inreisverbod is ingegaan. In het systeem van de richtlijn (artikel 3, punt 6, en artikel 11, eerste lid, eerste volzin) en ook van artikel 66a, eerste en tweede lid, waarin is bepaald dat het moet gaan om een vreemdeling die Nederland moet verlaten, ligt besloten dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod een terugkeerbesluit is vereist. Het inreisverbod wordt derhalve niet gegeven zonder dat er een terugkeerbesluit wordt of is gegeven, in respectievelijk dezelfde of een eerder gegeven beschikking. Wanneer er geen uitreis na oorspronkelijk illegaal verblijf heeft plaatsgevonden, althans kan worden vastgesteld, of tenminste een terugkeerprocedure is doorlopen, komt een toepassing van de strafbaarstelling in dat geval evenwel op gespannen voet te staan met het unierecht (Richtlijn 2008/115, zie HvJEU, 26 juli 2017, Ouhrami, C-225/16, overwegingen 54 tot en met 56), omdat het nuttig effect van de richtlijn in de opvatting van het HvJEU niet gediend wordt met handhaving van de strafbaarstelling van illegaal verblijf zonder dat tenminste regulier geprobeerd is de betrokkene te doen terugkeren. Dit vereiste beperkt de reikwijdte van art. 197 Sr Pro ten opzichte van hetgeen de wetgever oorspronkelijk voor ogen stond in aanzienlijke mate. Het hof heeft dit niet miskend. Het hof heeft zich in zijn overwegingen t.a.v. de strafoplegging uitdrukkelijk gebogen over de vraag of de terugkeerprocedure was doorlopen en komt dan tot de volgende conclusie: “Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de terugkeerprocedure kan worden geacht te zijn doorlopen, zodat de Terugkeerrichtlijn niet in de weg staat aan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf”. Het tweede onderdeel van het middel faalt.”
7. De aanvullende conclusie van 18 september 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:1019) zag op het tweede onderdeel van het middel, met name op de vraag hoe de strafbaarstelling in art. 197 Sr Pro zich verhoudt tot de ruimte voor strafrechtelijke sanctionering die de Terugkeerrichtlijn [6] biedt, en op, bij twijfel omtrent de beantwoording van die vraag, het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie.
8. Ten aanzien van de vraag hoe art. 197 Sr Pro zich verhoudt tot de Terugkeerrichtlijn schreef ik het volgende:
“25. Artikel 197 Sr Pro zegt voor wat betreft het inreisverbod letterlijk dat strafbaar is een vreemdeling die in Nederland verblijft terwijl hij weet of ernstig reden heeft om te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a lid 7 Vreemdelingenwet 2000. Het inreisverbod moet zijn uitgevaardigd, het hoeft (nog) niet in werking te zijn getreden. In het systeem van de richtlijn (artikel 3 lid Pro 6, en artikel 11 lid 1 eerste Pro volzin) en ook in het systeem van artikel 66a lid 1 en 2 Vreemdelingenwet 2000, waarin is bepaald dat het moet gaan om een vreemdeling die Nederland moet verlaten, ligt besloten dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod een terugkeerbesluit is vereist. Het inreisverbod wordt derhalve niet gegeven zonder dat er een terugkeerbesluit wordt of is gegeven, in respectievelijk dezelfde of een eerder gegeven beschikking. Met de uitvaardiging van een inreisverbod gaat het “gewone illegale verblijf” over in een gekwalificeerd illegaal verblijf. Wanneer er geen uitreis na oorspronkelijk illegaal verblijf heeft plaatsgevonden, althans kan worden vastgesteld, of tenminste een terugkeerprocedure is doorlopen, komt een toepassing van de strafbaarstelling in dat geval evenwel op gespannen voet te staan met het Unierecht, omdat het nuttig effect van de richtlijn in de opvatting van het Hof van Justitie van de EU niet gediend wordt met handhaving van de strafbaarstelling van illegaal verblijf zonder dat tenminste regulier geprobeerd is de betrokkene te doen terugkeren. Hierdoor wordt de reikwijdte van artikel 197 Sr Pro ten opzichte van hetgeen de wetgever oorspronkelijk voor ogen stond of kan hebben gestaan, in aanzienlijke mate beperkt. Dit staat niet in de weg aan de uitleg van artikel 197 Sr Pro in de zin dat, ook in geval de vreemdeling de EU nog niet heeft verlaten (er nog geen uitreis heeft plaatsgevonden), maar er wel een terugkeerprocedure is doorlopen, de vreemdeling strafbaar is indien hij in Nederland zonder geldige reden verblijft terwijl hij weet of ernstig reden heeft om te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd (of na een ongewenstverklaring). Met de uitvaardiging van het inreisverbod en de daarmee verbonden procedure van het besluit tot onmiddellijke terugkeer ontstond immers de gekwalificeerde vorm van het illegale verblijf welke de wetgever strafbaar beoogde te stellen met de wijziging van art. 197 Sr Pro. Van belang is dat ten aanzien van betrokkene tot de uitvaardiging van een inreisverbod een ongewenstverklaring van kracht was.”
“32. In de door mij voorgestane uitleg van artikel 197 Sr Pro is het onderscheid tussen de uitvaardiging van een inreisverbod en het ingaan van het inreisverbod van belang. Het inreisverbod was nog niet ingegaan, maar de repatriant had geen geldige reden om niet vrijwillig terug te keren. Het feit dat het inreisverbod nog niet was ingegaan maakt niet dat het verblijf legaal was. De geldigheid van het inreisverbod in de zin van art. 66a lid 7 Vreemdelingenwet is niet onverenigbaar met het op een later onzeker tijdstip ingaan van dat uitgevaardigde inreisverbod. Het hof heeft in zijn overwegingen geconcludeerd dat de terugkeerprocedure kan worden geacht te zijn doorlopen. Dit laatste is in cassatie niet betwist.”
9. Ten aanzien van het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie gaf ik de Hoge Raad de volgende vraag in overweging:
“Is de handhaving van een nationale strafbaarstelling van voortgezet illegaal verblijf van een derdelander vreemdeling nadat een voorafgaande ongewenstverklaring van hem is vervangen door de uitvaardiging van een inreisverbod tegen hem, in het geval van de vaststelling van de feitenrechter dat de terugkeerprocedure is of geacht kan worden te zijn doorlopen terwijl feitelijke terugkeer niet heeft plaatsgevonden en zonder dat de vreemdeling een geldige reden heeft om niet vrijwillig gevolg te geven aan de verplichting onmiddellijk te vertrekken, verenigbaar met het Unierecht?”
Uitspraak Hoge Raad en prejudiciële vraagstelling
10. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2192) omtrent het uitgangspunt bij de te formuleren prejudiciële vraag het volgende overwogen:
“5.6. Uitgangspunt bij het hierna geformuleerde verzoek om een prejudiciële beslissing is dus dat tegen de verdachte op 19 maart 2013 een inreisverbod is uitgevaardigd, dat aan dat inreisverbod ten grondslag ligt het terugkeerbesluit van diezelfde datum alsmede de vaststelling dat de verdachte een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid als bedoeld in artikel 66a, zevende lid aanhef en onder b, Vw 2000, en dat de verdachte na 19 maart 2013 geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Voorts staat vast dat de verdachte Nederland na 19 maart 2013 niet heeft verlaten, zodat het moment waarop de in artikel 11, lid 2, van de terugkeerrichtlijn bedoelde termijn van vijf jaren ingaat nog niet is verstreken.
De vraag kan derhalve worden gesteld of die laatste omstandigheid meebrengt dat het recht van de Europese Unie - in het bijzonder de terugkeerrichtlijn en de daaraan in voornoemd arrest Ouhrami door het HvJ EU gegeven uitleg - eraan in de weg staat dat de verdachte zich schuldig kan hebben gemaakt aan niet-rechtmatig verblijf in Nederland nadat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, Vw 2000.
Deze vraag is met name gerezen naar aanleiding van het hiervoor weergegeven arrest Ouhrami waarin onder meer is overwogen dat een inreisverbod pas 'rechtsgevolgen' teweegbrengt na het tijdstip van de daadwerkelijke terugkeer van de vreemdeling naar een land buiten de Europese Unie. Zoals weergegeven in de aanvullende conclusie van de Procureur-Generaal onder 21 tot en met 24 wordt in een deel van de daaraan gewijde Nederlandse vakliteratuur aan deze overweging de consequentie verbonden dat vervolging en bestraffing op grond van handelen in strijd met artikel 197 Sr Pro van een vreemdeling die nog niet daadwerkelijk is teruggekeerd naar een land buiten de Europese Unie, niet mogelijk is. Andere auteurs, alsmede de Procureur-Generaal in die conclusie, stellen zich echter op het standpunt dat deze uitspraak niet die consequentie heeft, nu artikel 197 Sr Pro slechts aanknoopt bij het tijdstip waarop het inreisverbod is uitgevaardigd (en de bekendheid van de vreemdeling met die uitvaardiging). Gelet op de uit deze discussie voortvloeiende onzekerheid over de precieze reikwijdte van voornoemd arrest Ouhrami, zijn bij de Nederlandse gerechten lopende strafzaken tegen vreemdelingen waarin deze kwestie aan de orde is, aangehouden in afwachting van duidelijkheid hieromtrent.
Met betrekking tot de mogelijke beantwoording van de te stellen vraag merkt de Hoge Raad op dat het bepaalde in artikel 197 Sr Pro na 31 december 2011 (en totdat het HvJ EU voornoemd arrest Ouhrami wees) ook in gevallen als het onderhavige - waarin niet is vastgesteld dat de vreemdeling Nederland na het uitvaardigen van het inreisverbod daadwerkelijk had verlaten - heeft geleid tot vervolging en bestraffing van vreemdelingen tegen wie met toepassing van artikel 66a, zevende lid, Vw 2000 een inreisverbod was uitgevaardigd, indien aan de overige door het Nederlandse recht en het recht van de Europese Unie daaraan gestelde voorwaarden was voldaan.”
11. De Hoge Raad heeft de volgende vraag aan het Hof van Justitie van de EU voorgelegd:
“Is een nationale strafbaarstelling die inhoudt dat strafbaar is verblijf van een onderdaan van een derde land op het grondgebied van Nederland nadat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, Vreemdelingenwet 2000, terwijl op grond van het nationale recht tevens vaststaat dat deze vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en voorts vaststaat dat de stappen van de in de terugkeerrichtlijn vastgelegde terugkeerprocedure zijn doorlopen maar daadwerkelijke terugkeer niet heeft plaatsgevonden, verenigbaar met het Unierecht, in het bijzonder met het oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 26 juli 2017 inzake Ouhrami/Nederland (zaak C-225/16, ECLI:EU:C:2017:590, onder 49) dat het in artikel 11 van Pro de terugkeerrichtlijn bedoelde inreisverbod pas 'rechtsgevolgen' teweegbrengt vanaf het tijdstip van terugkeer van de vreemdeling naar zijn land van herkomst of een ander derde land?”
Arrest van 17 september 2020 van het Hof van Justitie van de EU
12. In zijn arrest van 17 september 2020 heeft het Hof van Justitie van de EU deze vraag als volgt beantwoord:
“Gelet op een [en] ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat richtlijn 2008/115, met name artikel 11 ervan Pro, aldus moet worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die bepaalt dat een gevangenisstraf kan worden opgelegd aan een illegaal verblijvende derdelander jegens wie de stappen van de bij die richtlijn ingestelde terugkeerprocedure zijn doorlopen zonder dat de betrokkene het grondgebied van de lidstaten daadwerkelijk heeft verlaten, wanneer het strafbaar gestelde gedrag is omschreven als illegaal verblijf terwijl de betrokkene kennis heeft van een inreisverbod dat is uitgevaardigd met name vanwege de strafrechtelijke antecedenten van de betrokkene of vanwege het gevaar dat hij vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, mits het strafbaar gestelde gedrag niet is omschreven door verwijzing naar schending van dat inreisverbod en deze regeling voldoende toegankelijk en nauwkeurig is en de toepassing ervan voldoende voorzienbaar is, teneinde willekeur te voorkomen. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.”
Betekenis arrest van het Hof van Justitie van de EU voor de onderhavige zaak
13. Wat betekent het arrest van het Hof van Justitie van de EU concreet voor de onderhavige zaak? Ik meen dat het arrest overeenstemt met de duiding die ik van het Unierecht heb gegeven in de aanvullende conclusie van 18 september 2018 in de onderhavige zaak, met aanhaling van dezelfde rechtspraak. [7] In ieder geval maakt het duidelijk dat art. 197 Sr Pro niet onverenigbaar hoeft te worden geacht met art. 11 van Pro de Terugkeerrichtlijn. Art. 197 Sr Pro stelt niet de schending van het inreisverbod strafbaar, maar het illegaal verblijf in Nederland terwijl de derdelander weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd. Daarbij komt dat het inreisverbod (mede) is uitgevaardigd vanwege de strafrechtelijke antecedenten van de betrokkene en aldus vanwege het gevaar dat hij vormt voor de openbare orde. In het concrete geval zal moeten worden vastgesteld dat “de betrokkene kennis heeft van een inreisverbod dat tegen hem is uitgevaardigd”.
14. Het Hof van Justitie van de EU heeft voorts overwogen dat de regeling voldoende toegankelijk en nauwkeurig dient te zijn en de toepassing ervan voldoende voorzienbaar moet zijn, teneinde willekeur te voorkomen, en dat het aan de verwijzende rechter is om dit na te gaan. In de conclusie voorafgaand aan het arrest van het Hof van Justitie van de EU van de advocaat-generaal Szpunar [8] merkt deze op dat de formulering van artikel 197 Sr Pro ongelukkig is gelet op de bewoordingen van richtlijn 2008/115, omdat in dit artikel het duidelijke onderscheid vervaagt dat in de richtlijn wordt gemaakt tussen een terugkeerbesluit en een inreisverbod; “Zelfs een welwillende lezing van artikel 197 Sr Pro vergt intellectuele pirouettes”, aldus de A-G. Volgens de A-G speelt dit met name een rol bij de toetsing van art.197 Sr Pro aan het Handvest.
15. In mijn ogen strijdt artikel 197 Sr Pro niet met het legaliteitsbeginsel. Het feit dat bij de toepassing ervan een beperking ten opzichte van de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever in acht genomen moet worden, is enigszins complicerend maar die strekt niet ten nadele van de verdachte. De strafbaarstelling is toegankelijk, voorzienbaar en nauwkeurig geformuleerd, De hiervoor bedoelde beperking van de reikwijdte vloeit voort uit de verplichting van een uitleg die conform het Unierecht is, zoals ik in de eerste aanvullende conclusie heb betoogd (nr. 25). In de door het Hof aangehaalde zaak EHRM, 21 oktober 2013, Del Rio Prada tegen Spanje (CE:ECHR:2013:1021 JUD004275009, § 125), ging het om wijzigingen ten nadele van de betrokkene.
Slotsom
16. Ik kom tot de slotsom. Uit het antwoord van het Hof van Justitie van de EU op de prejudiciële vraag volgt dat art. 197 Sr Pro niet strijdig is met de Terugkeerrichtlijn. Dit antwoord heeft wat dat betreft dus geen gevolgen voor mijn bespreking van het middel in mijn conclusie van 12 juni 2018 en de aanvullende conclusie van 18 september 2018. In de conclusie van 12 juni 2018 achtte ik het eerste onderdeel van het middel gegrond, met name in het licht van een eerder arrest van de Hoge raad (ECLI:NL:HR:2018:41), zij het niet zonder aarzeling.
17. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.Hof van Justitie van de EU 17 september 2020, nr. C-806/18, ECLI:EU:C:2020:724.
5.Vgl. HR 16 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:41.
6.Richtlijn nr. 2008/115/EG over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Staatsblad 2011, 663).
7.Hof van Justitie van de EU 28 april 2011 inzake El Dridi/ltalië (C-61/11 PPU)9 ; Hof van Justitie van de EU 6 december 2011 inzake Achughbabian/Frankrijk (C-329/11)10 ; Hof van Justitie van de EU 6 december 2012 inzake Sagor/ltalië (C-430/11)11; Hof van Justitie van de EU 19 september 2013 inzake Filev en Osmani/Duitsland (C-297/12)12; Hof van Justitie van de EU 1 oktober 2015 inzake Celaj/ltalië (C-290/14)13 ; Hof van Justitie van de EU 26 juli 2017 inzake Ouhrami/Nederland (C-225/16)14.
8.Conclusie van Advocaat-Generaal M. Szpunar van 23 april 2020, C-806/18.