Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Ten aanzien van de bewezenverklaring werd aangevoerd dat een essentieel bestanddeel van het tenlastegelegde strafbare feit ontbrak, te weten dat verdachte “wist of ernstige redenen had te vermoeden” dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd, en dat deze omstandigheid ook niet kan blijken uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.
Ten aanzien van de kwalificatie als art. 197 Sr Pro werd aangevoerd dat het hof er wel van is uitgegaan dat verdachte na het uitvaardigen van het inreisverbod de EU nog niet had verlaten, maar heeft miskend dat daardoor het inreisverbod, zijnde het verbod om het grondgebied van de lidstaten van de EU binnen te komen en aldaar te verblijven, nog niet was ingegaan.
“32. In de door mij voorgestane uitleg van artikel 197 Sr Pro is het onderscheid tussen de uitvaardiging van een inreisverbod en het ingaan van het inreisverbod van belang. Het inreisverbod was nog niet ingegaan, maar de repatriant had geen geldige reden om niet vrijwillig terug te keren. Het feit dat het inreisverbod nog niet was ingegaan maakt niet dat het verblijf legaal was. De geldigheid van het inreisverbod in de zin van art. 66a lid 7 Vreemdelingenwet is niet onverenigbaar met het op een later onzeker tijdstip ingaan van dat uitgevaardigde inreisverbod. Het hof heeft in zijn overwegingen geconcludeerd dat de terugkeerprocedure kan worden geacht te zijn doorlopen. Dit laatste is in cassatie niet betwist.”