Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1.aklaagt dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door in dit geval bewijs van biologisch ouderschap te verlangen. In het onderdeel wordt een beroep gedaan op de Handleiding Toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 [2] , waaruit valt af te leiden dat het vereiste van DNA-bewijs niet geldt in het geval van een buitenlandse rechterlijke uitspraak waarbij het biologische ouderschap is vastgesteld. Ook klaagt het onderdeel dat de eis van DNA-bewijs in strijd is met art. 6 lid 1 Europees Pro Verdrag inzake nationaliteit (EVN). [3]
onderdeel 1.bis sprake van een onbegrijpelijk oordeel, omdat de rechtbank zou hebben miskend dat het biologisch ouderschap van de vader in de Marokkaanse rechterlijke beslissing zou zijn vastgesteld. Blijkens de inleiding op de klachten doelt het subonderdeel erop dat verzoeker zou hebben gesteld dat de Marokkaanse rechterlijke beslissing is gebaseerd op het biologisch ouderschap van de vader, en dat de rechtbank deze stelling niet zou hebben verworpen, zodat daarvan in cassatie moet worden uitgegaan.