ECLI:NL:HR:2007:AZ1624
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- P.C. Kop
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Vaststelling Nederlanderschap kind na postnatale erkenning en gerechtelijk bewijs van vaderschap
In deze zaak vroegen de ouders, woonachtig in Aruba, via het hof vaststelling van het Nederlanderschap van hun minderjarige kind, geboren in Aruba uit een Colombiaanse moeder en een Nederlandse vader. De vader had het kind postnataal erkend. Het hof stond toe dat de ouders bewijs leverden dat de vader daadwerkelijk de verwekker was van het kind en stelde vervolgens vast dat het kind Nederlander werd met ingang van de datum zoals bedoeld in art. 4 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap.
De Staat stelde beroep in cassatie in tegen deze beslissingen, stellende dat de gelijkstelling van postnatale erkenning met gerechtelijke vaderschapsvaststelling onjuist was. De Hoge Raad overwoog dat sinds de wetswijziging van 1 april 2003 minderjarige vreemdelingen die door een Nederlander worden erkend niet automatisch Nederlander worden, om misbruik tegen te gaan. Echter, indien gerechtelijk bewijs van verwekkerschap wordt geleverd, moet een postnatale erkenning gelijk worden gesteld aan gerechtelijke vaderschapsvaststelling.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht deze gelijkstelling had gemaakt, mede gelet op het internationale recht (art. 26 IVBPR Pro). De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de Staat en bevestigde dat het kind Nederlander werd met ingang van de in art. 4 van Pro de Rijkswet bedoelde datum.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het kind Nederlander wordt door postnatale erkenning met gerechtelijk bewijs van verwekkerschap.