Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
wettelijkeregels met betrekking tot dat genot, gebruik en beheer. Die wettelijke regels vatten het genot, gebruik en beheer op als
bevoegdheden. [5] In het gewone geval dat een goed één rechthebbende heeft, komen alle aan het recht op dat goed verbonden bevoegdheden vanzelfsprekend toe aan die ene rechthebbende. Ingeval een goed aan meerdere rechthebbenden (de deelgenoten) tegelijk toebehoort (gemeenschap), is niet meer vanzelfsprekend wie de aan het goed verbonden bevoegdheden kan uitoefenen. [6] De wetgever heeft daarom regels gegeven over de verdeling van de bevoegdheden over de deelgenoten en daarbij onderscheid gemaakt tussen genot, gebruik en beheer. Daarbij heeft de wetgever aan de deelgenoten de vrijheid willen geven om onderling een regeling te treffen, in afwijking van en in aanvulling op de wettelijke regels. Formele beletsels heeft de wetgever daarbij niet opgeworpen: er is geen vorm voorgeschreven, evenmin als publiciteit. Zo’n regeling bindt volgens art. 3:168 lid 4 BW Pro ook de rechtverkrijgenden van een deelgenoot. Wat betreft registergoederen geldt dat een verkrijger onder bijzondere titel die de regeling niet kende, aan art. 3:24 BW Pro bescherming kan ontlenen als de regeling niet in de openbare registers is ingeschreven (dat de regeling een inschrijfbaar feit is, volgt uit art. 3:17 lid 1 onder Pro d BW). [7] Is het gemeenschappelijk goed niet een registergoed, dan geldt geen bijzondere regel van derdenbescherming. Art. 3:36 BW Pro kan toepassing vinden, maar veronderstelt een toedoen van een deelgenoot ten koste van wie de bescherming zou gaan. Aan een toedoen van de rechtsvoorganger van de nieuwe deelgenoot (bestaande in verzwijging van de regeling of in een onjuiste inlichting met betrekking tot de inhoud van de regeling), kan de nieuwe deelgenoot dus geen bescherming ontlenen. De wetgever achtte een bijzondere beschermingsbepaling niet nodig: wie een aandeel in een gemeenschapsgoed verkrijgt, behoort te begrijpen dat er een regeling kan zijn en moet daarnaar navraag doen (en kennelijk niet alleen bij zijn rechtsvoorganger). [8]
verplichtingin, welke verplichting dient ter voorkoming van schade. Waar voor een verkrijger van een gemeenschapsgoed vanzelfsprekend is dat hij zijn bevoegdheden met de andere deelgenoten moet delen, in verband waarmee inderdaad voor de hand ligt dat hij naar eventuele afspraken over die bevoegdheidsverdeling onderzoek doet, ontbreekt die vanzelfsprekendheid geheel wat betreft een afspraak als waarop [eiseressen] zich beroepen.
zaken. [9] Als ik het goed zie, spreekt het Burgerlijk Wetboek in de context van vorderingsrechten nimmer van ‘gebruik’. De wet doet dat wel met betrekking tot zaken, bijvoorbeeld in art. 5:1 lid 2 BW Pro. Verondersteld dat in het verband van een gemeenschappelijk vorderingsrecht al van ‘gebruik’ kan worden gesproken, dan rekken [eiseressen] dat begrip wel zeer ver op. Zij rekenen tot een regeling van het gebruik van het vorderingsrecht met betrekking tot het gebruik van de sluis een verplichting om op sluiting van de sluis toe te zien, en dit niet met het oog op de bescherming van het vermogensbelang van hun gemeenschappelijk vorderingsrecht, maar van andere vermogensbelangen van de diverse deelgenoten, namelijk hun eigendomsrecht of recht van erfpacht met betrekking tot de respectieve delen van de oesterput.
verplichtingenzich lenen voor een regeling die goederenrechtelijke werking heeft. Dit is dus ruimhartiger dan ik met betrekking tot de beheers- of gebruiksregeling in het geval van gemeenschap veronderstelde. Wel geldt dat een zodanig verband met het beperkte recht moet bestaan dat een gelijke behandeling gerechtvaardigd is. Hoe nauw dit verband moet zijn, respectievelijk hoe ruim dit verband mág zijn, is in de literatuur met betrekking tot het goederenrecht een omstreden vraag. Met name is omstreden of het vereiste van voldoende verband ertoe leidt dat alle verplichtingen om te doen die niet binnen de wettelijke omlijning van het beperkte recht vallen, buiten de deur behoren te blijven. In zijn proefschrift over de
numerus claususneemt Struycken dat aan. [12] In de Asser-serie zijn Bartels en Van Velten aanmerkelijk ruimhartiger. Zij noemen een bouwplicht als een voorbeeld van een toelaatbare inhoud van een erfpachtsrecht. [13] Wat betreft registergoederen geldt ook met betrekking tot de inhoud van beperkte rechten dat de bescherming van derden behoorlijk geregeld is (art. 3:24 BW Pro). Wat betreft andere goederen dan registergoederen is de bescherming van rechtsopvolgers tegen onbekende afspraken tussen de oorspronkelijke hoofdgerechtigde en de beperkt gerechtigde, problematisch. Mijns inziens mag dit laatste een gezichtspunt zijn en pleit het ontbreken van een beschermingsbepaling bij niet-registergoederen ervoor om het verbandvereiste in het geval van zulke goederen strenger op te vatten.
van overeenkomstige toepassingdoet zijn. [19] Dat de oesterbakken niet een gemeenschappelijk goed zijn, volgt reeds uit het vaststaande feit (vergelijk hiervoor 2.1 onder (i)) dat [eiseres 1] , [eiseres 2] en [verweerster 3] eigenaar zijn, en [eiseres 4] erfpachter is, van
afzonderlijkedelen (percelen) van de [a-straat 1/1a] .
subonderdeel 2.2en de rechtsklacht van
subonderdeel 2.3liggen in het verlengde van subonderdeel 2.1 en delen in zijn lot.
tegen een andere achtergrond, maar ook dat de afspraak is gemaakt
tussen anderen. Het subonderdeel bestrijdt beide overwegingen. De overweging dat bekendheid niet tot gebondenheid leidt omdat de afspraak is gemaakt
tussen anderenwordt bestreden onder verwijzing naar de subonderdelen 2.1, 2.2. en 2.3. Nu reeds bleek dat die subonderdelen niet slagen, slaagt ook deze klacht niet. Omdat deze overweging het oordeel van het hof zelfstandig draagt, behoeft de motiveringsklacht van [eiseressen] ten aanzien van de andere overweging geen behandeling.
subonderdeel 2.5bestrijden [eiseressen] de beslissing van het hof in rechtsoverweging 6.8 dat [verweersters] niet bekend waren met de afspraak. Bij dit subonderdeel hebben [eiseressen] geen belang, nu het hof in rechtsoverweging 6.9 overweegt dat ook wanneer wel sprake was van bekendheid dit niet tot gebondenheid leidt, omdat de afspraak tussen anderen en tegen een andere achtergrond is gemaakt, en de daartegen gerichte klachten (subonderdelen 2.1 tot en met 2.4) niet slagen.
subonderdeel 4.3heeft het hof bij zijn oordeel in rechtsoverweging 6.10 en 6.11 miskend dat wanneer een veiligheidsnorm is geschonden dit niet afdoet aan onbekendheid met het specifieke gevaar. Ook deze klacht mist feitelijke grondslag, nu anders dan de klacht tot uitgangspunt lijkt te nemen door het hof niet is vastgesteld dat een veiligheidsnorm is geschonden.
aanzienlijkeschade (die kennelijk alleen zaakschade betreft en niet ook personenschade) en
geringebezwaarlijkheid van een maatregel van voorzorg, hun handelen niet onzorgvuldig was, waarbij het hof het laatste enigszins onbeholpen onder woorden heeft gebracht. Hoe dan ook, het subonderdeel treft mijns inziens geen doel.
eventuele storingbij dat toezicht tijdig ontdekt had kunnen worden, ook als het zwaailicht niet werkte, en dat daarmee het causaal verband met de gestelde nalatigheid is gegeven. Daarnaast wordt erover geklaagd dat het hof met dit oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden, althans in strijd met het recht de feiten zou hebben aangevuld.
eventuelestoring. Kennelijk heeft de rechtbank – gelet op hetgeen [verweersters] onder 12 van de conclusie van antwoord hebben aangevoerd [26] – het verweer van [verweersters] zo opgevat dat niet geheel uitgesloten kan worden dat de overstroming een andere oorzaak kende. Het oordeel van het hof ligt hiermee in lijn, en is dan ook niet onbegrijpelijk. Het hof is dus niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden en heeft geen feitelijke gronden aangevuld.