In deze zaak stond centraal of KIA Motors gerechtvaardigd had gehandeld door na een doorstart in verband met faillissement de oude reparateurs niet toe te laten tot het netwerk van erkende reparateurs. De eisers, voormalige reparateurs, voerden aan dat zij gerechtvaardigd vertrouwen hadden op voortzetting van hun contractuele relatie en dat KIA Motors hiermee onrechtmatig handelde.
De procedure begon bij de rechtbank Midden-Nederland en vervolgde zich bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat het geschil beslechtte. De eisers stelden tevens dat KIA Motors mogelijk mededingingsrechtelijk had gehandeld door schending van het kartelverbod en misbruik van machtspositie. De Hoge Raad heeft in cassatie het beroep van de eisers verworpen en het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van KIA Motors niet behandeld omdat het principale beroep faalde.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de eisers niet tot cassatie konden leiden en dat er geen noodzaak was tot nadere motivering omdat er geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Tevens werd [eiseres] c.s. veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Het arrest bevestigt dat KIA Motors gerechtigd was om na de faillissementsdoorstart de oude reparateurs niet toe te laten tot het erkende netwerk, zonder dat dit onrechtmatig was of in strijd met mededingingsrechtelijke bepalingen. Hiermee is het vertrouwen op voortzetting van de contractuele relatie door de eisers niet gerechtvaardigd gebleken.