Conclusie
[A]) eiseres tot cassatie (hierna: SWL) aangesproken tot betaling van drie onbetaalde facturen in het kader van een koop-/aannemingsovereenkomst. Het hof heeft SWL veroordeeld tot betaling van de facturen en geoordeeld dat SWL daarmee een aantal bedragen mag verrekenen. In cassatie richt SWL klachten tegen de door het hof aan art. 6 van Pro de koop-/aannemingsovereenkomst gegeven uitleg, alsmede tegen de verwerping van het beroep van SWL op de onzekerheidsexceptie van art. 6:263 lid 2 BW Pro.
1.Feiten en procesverloop
In aanmerking nemende:
4.1.
In geval van te late en/of niet deugdelijke levering door Leverancier heeft SWL het recht om betaling op te schorten of te weigeren, onverminderd haar overige rechten.” [5]
Betaling is door SWL niet eerder verschuldigd dan na volledige en correcte uitvoering van de Overeenkomst. Eerst na de volledige en correcte uitvoering van de Overeenkomst zal Leverancier een factuur zenden, welke SWL binnen 30 dagen na ontvangst en na accordering zal voldoen. De factuur bevat tenminste een omschrijving van de geleverde prestatie(s) alsmede het bestelnummer (indien van toepassing).”
4.3.
6.1 Partijen zullen in onderling overleg de definitieve aanvangsdatum van de bouw van het Project vaststellen. Verkoper zal Koper schriftelijk binnen 8 dagen na aanvang van de bouw van deze aanvangsdatum op de hoogte stellen. De Oplevering vindt plaats binnen 270 werkbare werkdagen na start bouw. Twee maanden voor het bereiken van de tot dan toe aangehouden opleveringsdatum zal de uiteindelijke definitieve opleveringsdatum van het Project vastgesteld worden, alsmede eventuele deelopleveringen.
Jongen) een (onder)aannemingsovereenkomst [6] gesloten om de bouw van 80 appartementen, 87 parkeerplaatsen en een supermarkt te realiseren voor een aanneemsom van € 10.000.000,- exclusief btw.
primair, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de curator, althans,
subsidiair, SWL toe te staan de betaling van de vorderingen op te schorten, althans de vorderingen te verrekenen, althans deels tot een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag op te schorten of te verrekenen, met veroordeling van de curator in de proceskosten van beide instanties. [17]
Opschorting
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Haviltex-maatstafzal worden gehanteerd.
bewoordingenvan de artikelen 6.1 en 6.2, gelet op hun
contexten de
structuurvan de koop-/aannemingsovereenkomst. Het hof overweegt in dit verband:
start bouw” in art. 6.1 volgt niet zonder meer dat daarmee de in art. 1 opgenomen Pro definitie “Start bouw” is bedoeld; daarmee kan ook de tussen partijen vastgestelde definitieve of werkelijke startdatum van de bouw zijn bedoeld (rov. 6.5.7), en wel om de volgende redenen:
door partijen nader vast te stellen definitieve aanvangsdatumvan de bouw, en niet binnen zoveel dagen na 1 mei 2012, en (ii) dat de boete voor te late oplevering is verschuldigd na overschrijding van de definitieve opleveringsdatum, welke datum door partijen wordt vastgesteld op uiterlijk 270 werkbare werkdagen na de vastgestelde definitieve aanvangsdatum van de bouw.
een aantal (andere) argumenten van SWL, aangevoerd ter onderbouwing van de door haar voorgestane uitleg van de artikelen 6.1 en 6.2. Deze argumenten hebben betrekking op – kort gezegd – de communicatie tussen partijen voorafgaand aan en na het sluiten van de koop-/aannemingsovereenkomst.
15 oktober 2012als
definitieve aanvangsdatumin de zin van art. 6.1. Als gevolg hiervan concludeert het hof dat [A] niet in gebreke was met de oplevering van het werk op het moment dat SWL op 23 december 2013 haar betalingsverplichtingen opschortte. Op 23 december 2013 was [A] dus
geen boetewegens bouwtijdoverschrijding verschuldigd. Het beroep van SWL op opschorting op grond van art. 6:52 BW Pro en art. 4.3 van de algemene voorwaarden was in zoverre ongegrond.
redelijke verwachting over en weer’ te
passerenop grond van (a) de structuur van de overeenkomst, (b) het feit dat SWL geen verklaring heeft geboden voor de discrepantie tussen enerzijds de inhoud van de bepalingen in de overeenkomst en haar stelling dat 1 mei 2012 vaststond als definitieve aanvangsdatum en (c) de omstandigheid dat SWL niets heeft gesteld over datgene wat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst is besproken. Het oordeel van het hof gaat er daarmee – ten onrechte – aan voorbij dat het had behoren te onderzoeken wat partijen hadden moeten begrijpen nadat [A] en Jongen op 26 april 2012 bevestigden dat op 1 mei 2012 gestart zou worden met de bouw, en in de overeenkomst (nota bene) die datum van 1 mei 2012 als definitie is opgenomen van “start bouw”, aldus het subonderdeel.
inlaatstgenoemd beoordelingskader de in rov. 6.5.15 genoemde (vertrouwens)argumenten van SWL gewogen en te licht bevonden om af te doen aan zijn in rov. 6.5.14 bereikte voorlopige conclusie. Het oordeel van het hof in rov. 6.5.6 - 6.5.17 geeft dan ook geen blijk van een onjuiste toepassing van de Haviltex-maatstaf.
"april 2012 of zoveel eerder of later als partijen overeenkomen". April 2012 betrof het uitgangspunt, en zou dit niet worden gehaald, dan zouden partijen een nadere datum overeenkomen. [19] In de eerdere conceptovereenkomst was voorts, in artikel 6.1, de volgende zinsnede opgenomen:
"De Oplevering vindt uiterlijk plaats op [PH4: aantal werkbare werkdagen aannemer. Aan te reiken door verkoper."[A] diende zodoende het aantal werkbare werkdagen aan te leveren. [20] In deze conceptovereenkomst zijn nadien door SWL en [A] wijzigingen aangebracht. In de definitieve overeenkomst is de 'start bouw'-definitie gespecificeerd naar '1 mei 2012', en de zinsnede uit artikel 6.1 is, met gebruikmaking van die gespecificeerde definitie, als volgt ingevuld:
"De Oplevering vindt plaats binnen 270 werkbare werkdagen na start bouw.'' [21]
er kennelijk vanuit (gaan) dat de definitieve aanvangsdatum op het moment van sluiten van de overeenkomst op 1 mei nog niet is vastgesteld.”
eersteplaats dat het oordeel van het hof in rov. 6.5.10 en 6.5.11 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het subonderdeel ligt in het oordeel van het hof besloten dat mogelijke overlap tussen de rentevergoeding en boete beslissend is voor de verwerping van SWL’s uitleg. Hiermee miskent het hof dat niet beslissend is welke uitleg meer voor de hand ligt bij de vraag welke betekenis aan een bepaling moet worden toegekend, en in het verlengde daarvan, of een uitleg commercieel gezien al dan niet voor de hand ligt, maar de vraag welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan gegeven verklaringen en gedragingen mochten toekennen en de vraag wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, aldus het subonderdeel.
beslissendis voor de verwerping van de uitleg van SWL. Het hof heeft, overeenkomstig de Haviltex-maatstaf, onderzocht wat partijen – kort gezegd – over en weer mochten begrijpen en mocht in dat kader
medebetekenis toekennen – gelijk het heeft gedaan (zie de woorden “in de derde plaats”) – aan de (on)aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de door SWL voorgestane lezing.
tweededat het hof niet (kenbaar) respondeert op de door SWL aangevoerde (essentiële) stellingen ter onderbouwing van de door haar voorgestane uitleg dat de rentevergoeding
uitsluitendverschuldigd is bij vertraging in de bouwwerkzaamheden
door bezwaren tegen de omgevingsvergunning. Dit zijn de stellingen: (i) dat de rentevergoedingsbepaling niet was opgenomen in de conceptovereenkomst, (ii) dat op 12 april 2012 een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van 78 appartementen, (iii) dat er vervolgens een gewijzigde omgevingsvergunning is aangevraagd voor de bouw van 80 appartementen, en (iv) dat om deze reden de rentevergoedingsbepaling is opgenomen in de definitieve overeenkomst. [28]
stelling (i) [31] blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van de overeenkomst dat aanvankelijk april 2012 het uitgangspunt was voor de start van de bouw en volgt uit de vaststellingsovereenkomst, die onlosmakelijk met de overeenkomst samenhangt, dat voor SWL een snelle start van de bouwwerkzaamheden cruciaal was.
stelling (ii) [32] , dat de definitie van “start bouw” uitdrukkelijk na akkoord van beide partijen is gedefinieerd als 1 mei 2012, is door het hof in rov. 6.5.15 genoemd en in rov. 6.5.16 verworpen. In rov. 6.5.15 van het arrest is immers, bij de weergave van de stellingen van SWL, opgenomen dat SWL nadien met instemming van [A] “start bouw” heeft gewijzigd in “1 mei 2012”.
stelling (iii) [33] diende SWL direct na ondertekening van de overeenkomst een totaalbedrag van € 4.795.000 te voldoen, en heeft SWL als tegenprestatie voor deze betaling de eis gesteld dat op 1 mei 2012 de bouw c.q. ontwikkeling van de appartementen direct moest starten.
stelling (iv) [34] , inhoudende dat SWL de overeenkomst met [A] is aangegaan omdat haar op 26 april 2012 desverzocht is bevestigd door [A] (en Jongen) dat op 1 mei 2012 feitelijk gestart zou worden met de realisatie van het project, geldt dat deze stelling besloten ligt in de door het hof in rov. 6.5.15 genoemde stellingen en door het hof in rov. 6.5.16 is verworpen.
stelling (v) [35] heeft SWL de grondprijs voldaan op basis van de mededeling dat op 1 c.q. 2 mei 2012 gestart zou worden met de werkzaamheden.
stelling (vi) [36] heeft deze mededeling van [A] in de relatie met SWL te gelden als een garantie. In de procesinleiding wordt bij deze stelling onder meer verwezen naar par. 9.2.10 van de pleitnota van SWL. Zoals hiervoor vermeld, volgt uit het proces-verbaal van pleidooi van 11 december 2018 dat par. 9.2.10 van de pleitnota niet is voorgedragen. In de overige vindplaatsen waarnaar in het subonderdeel wordt verwezen is slechts vermeld dat:
stelling (vii) [37] , inhoudende dat het voor [A] van belang was dat SWL op 1 mei 2012 de grondprijs aan haar zou voldoen, zodat [A] dat geld kon aanwenden om Molenparc te betalen, geldt opnieuw dat het hof deze stelling in rov. 6.5.15 heeft genoemd en in rov. 6.5.16 heeft verworpen. Het hof noemt in rov. 6.5.15 immers de stelling van SWL dat 1 mei 2012 ook de datum was waarop [A] op haar beurt uiterlijk de desbetreffende gronden van Molenparc moest afnemen.
stelling (viii) [38] moeten de definitie “start bouw” uit art. 6.1 en de term “aanvangen” uit art. 4.5 van de overeenkomst niet met elkaar gelijk worden gesteld. Het subonderdeel verwijst in de vindplaatsen slechts naar par. 9.2.6 en 9.2.9 van de pleitnota van SWL. Uit het proces-verbaal van pleidooi van 11 december 2018 volgt dat de paragrafen 9.2.4 t/m 9.2.9 door de advocaat van SWL slechts kort zijn samengevat, en wel als volgt:
uit de communicatie tussen SWL en BNO ná het sluiten van de koop-/aannemingsovereenkomst slechts kan worden afgeleid dat partijen van mening verschilden over de uitleg van de overeenkomsten dat
deze communicatie geen nadere aanknopingspunten biedt voor de betekenis die partijen redelijkerwijs mochten toekennen aan de desbetreffende bepalingen van de overeenkomst. Geklaagd wordt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd.
"[z]oals jij [[betrokkene 2] van [A] ] reeds telefonisch hebt bevestigd worden de afspraken conform de overeenkomst nagekomen en is start bouw vastgelegd op 1 mei 2012". [40] Daartegenover heeft de curator enkel gewezen op het tussen haakjes plaatsen van het woord
'overschrijding'in een memo omtrent (onder meer) problematiek over de opleverdatum, en hierbij gesteld dat [A] expliciet betwist dat sprake is van een overschrijding van de aanvangsdatum. [41] Een expliciete betwisting valt hierin echter niet te lezen. Uit voornoemde stellingen over en weer volgt dat [A] na het sluiten van de overeenkomst niet expliciet heeft bestreden dat 1 mei 2012 als startdatum geldt, terwijl SWL dit consequent heeft benadrukt, en dat een telefonische toezegging van [A] dat 1 mei 2012 als startdatum heeft te gelden met de emailbevestiging is vastgelegd, waarop geen ontkenning van [A] is gevolgd. Onder die omstandigheden mocht het hof niet (zonder nadere motivering) tot het oordeel komen dat de communicatie van na de overeenkomst geen nadere aanknopingspunten biedt voor de betekenis die partijen aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen, nu bij de uitleg van een overeenkomst de opstelling van partijen na het sluiten van een overeenkomst ook een rol speelt, aldus het subonderdeel.
partijen geen feiten gesteld en te bewijzen hebben aangeboden die tot andere oordelen zouden moeten leiden,zodat aan de bewijsaanbiedingen voorbij wordt gegaan. Volgens de klacht getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, is het niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd en/of geeft het blijk van een onbegrijpelijke lezing van SWL’s essentiële stellingen die, indien bewezen, tot het oordeel kunnen leiden dat tussen partijen is overeengekomen dat vanaf 1 mei 2012 de termijn van 270 werkbare werkdagen is gaan lopen. Daartoe wordt aangevoerd dat SWL bewijs heeft aangeboden van haar stelling
dat 1 (dan wel 2) mei 2012 heeft te gelden als contractuele startdatumvoor de bouw van de 80 appartementen, en verschillende personen heeft genoemd als getuigen die eveneens kunnen verklaren over het onderhandelingstraject voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst waaruit eveneens komt vast te staan dat 1 mei 2012 als contractuele datum start bouw heeft te gelden. [42] In het licht van deze gestelde en te bewijzen aangeboden feiten is de beslissing van het hof om aan het bewijsaanbod van SWL voorbij te gaan, in strijd met het recht alsmede onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
dat 1 dan wel 2 mei 2012 te gelden heeft als contractuele startdatum voor de bouw van de overeengekomen 80 appartementen.” (MvG, par. 20.2; pleitnota SWL, par. 12.1). Verder heeft zij een aantal personen genoemd die als getuigen kunnen verklaren over “
het onderhandelingstraject voorafgaande aan het sluiten van de koop-/aannemingsovereenkomst.” (MvG, par. 20.4).
Tyco/Delata [50] . In die zaak kon Delata de overeengekomen software-updates niet meer leveren vanwege de opzegging van het dealercontract door haar leverancier, als gevolg waarvan Tyco op grond van art. 6:263 BW Pro de bij voortuitbetaling te verrichten betaling aan Delata mocht opschorten. [51] De onzekerheidsexceptie kan onder meer worden uitgeoefend op grond van omstandigheden die een beroep op dwaling (art. 6:228 BW Pro) of onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW Pro) rechtvaardigen. [52]
opeisbaarbedrag van € 2.622.387,59 verschuldigd was aan [A] . Het onderdeel miskent dat het hof in rov. 6.5.19 overweegt dat SWL op het moment van opschorting
betalingsverplichtingenhad jegens [A] voor een bedrag van in totaal € 2.622.387,59. In cassatie staat, nu daartegen geen klacht is gericht, vast dat op het moment van opschorting de facturen 8, 9 en 10 door [A] aan SWL waren gezonden, voor een bedrag van in totaal € 2.622.387,59 (rov. 6.1 sub k). Mijns inziens is niet onbegrijpelijk dat het hof, bij zijn afweging of sprake was van een ‘goede grond’ voor opschorting, zowel heeft gekeken naar de factuur waarvan de betalingstermijn reeds was verstreken, als naar de facturen die reeds waren verzonden en waarvan de betalingstermijn op korte termijn zou verstrijken. Het oordeel van het hof in rov. 6.5.19 behoeft bovendien geen nadere motivering.
vrijwaringsverplichtingenjegens SWL kon voldoen. SWL heeft in het cassatiemiddel niet aangevoerd dat zij zich in feitelijke instanties ook op het standpunt heeft gesteld dat haar een beroep op opschorting ex art. 6:263 lid 2 BW Pro toekwam omdat zij gegronde vrees had dat [A] de rentevergoeding op grond van art. 4.5 van de koop-/aannemingsovereenkomst niet zou betalen. SWL heeft in de memorie van grieven, waar zij reden (iv) voor de opschorting bespreekt [71] , ook niet verwezen naar deze rentevergoeding. Het hof hoefde in rov. 6.5.24 dan ook niet op de verrekenbare rentevergoeding in te gaan.
9.4.5.Reden (iv): én de gegronde vrees dat [A] ook aan haar overige vrijwaringsverplichtingen niet kon voldoen
Op de dag van de opschorting – 23 december 2013 – lag er dus ook al een aantal vrijwaringsaanspraken én dreigende vrijwaringsaanspraken jegens [A]. Wonen Limburg had de vrees dat ook deze vrijwaringsaanspraken niet konden worden nagekomen, gezien onder meer het gegeven dat er én een faillissementsaanvraag lag jegens [A], (andere) onderdelen van [A] in financieel zwaar weer verkeerden, partijen – waaronder Jongen – onbetaald werden gelaten én daardoor de bouwwerkzaamheden opschortte, waardoor de gegronde vrees ontstond dat [A] haar verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomsten, dus (tijdige) levering van de appartementen én het voldoen aan haar vrijwaringsverplichtingen, niet ging, althans niet kon gaan voldoen.”
eersteplaats dat het hof de verschillende door SWL aangevoerde gronden voor opschorting niet afzonderlijk had mogen beoordelen, maar dat het hof alle omstandigheden in samenhang had moeten bezien.
tweedeklaagt het subonderdeel dat het hof niet (kenbaar) is ingegaan op drie essentiële omstandigheden.
dat die vrees gegrond was, bleek anderhalve maand later, toen [A] op 23 januari 2014 in surseance kwam te verkeren en op 19 c.q. 25 februari 2014 failliet ging.”