Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2006:AW1746

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
41535
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20c lid 2 Wet IB 1964Art. 20h leden 3 en 5 Wet IB 1964Art. 57a Wet IB 1964Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tijdstip van in aanmerking nemen kosten vervreemding aanmerkelijk belang in inkomstenbelasting

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 11.180.334, waarvan een groot deel werd belast volgens artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag verminderd tot ƒ 10.820.844. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof, terwijl de Staatssecretaris van Financiën incidenteel cassatieberoep instelde.

Het geschil betrof de vraag of kosten die verband houden met een juridische procedure gestart door de koper van het aanmerkelijk belang in het jaar 2000, na de vervreemding, op het tijdstip van vervreemding in aanmerking mogen worden genomen als kosten van vervreemding. Het Hof oordeelde dat deze kosten direct samenhangen met de vervreemding en daarom als zodanig onderdeel uitmaken van de winst uit aanmerkelijk belang.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat kosten die de vervreemder maakt in verband met een rechtszaak die door de wederpartij in verband met de vervreemding is gestart, als direct verband houdend met de vervreemding moeten worden beschouwd. Deze kosten vormen een negatieve component van de oorspronkelijke overdrachtsprijs en daarmee van het vervreemdingsvoordeel. Het cassatieberoep van belanghebbende werd ongegrond verklaard, evenals het incidentele beroep van de Staatssecretaris, die wel werd veroordeeld in de kosten van cassatie.

De Hoge Raad wees tevens op artikel 20h, lid 5 van de Wet, dat van toepassing is indien de werkelijke kosten afwijken van de geschatte kosten.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van belanghebbende en het incidentele beroep van de Staatssecretaris ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

Nr. 41.535
14 april 2006
SE
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 oktober 2004, nr. P03/04029, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 11.180.334, waarvan een bedrag van ƒ 11.114.980 belast naar het tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd, en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 10.820.844 (€ 4.910.284,93), waarvan een bedrag van ƒ 10.755.490 (€ 4.880.628,58) belast naar het tarief van artikel 57a van de Wet. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de in het principale beroep aangevoerde klachten
De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel
4.1. Het middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat belanghebbende een bedrag aan (geschatte) kosten die betrekking hebben op de in het jaar 2000 door de koper van het door belanghebbende verkochte aanmerkelijk belang gestarte juridische procedure in aanmerking mag nemen op het tijdstip van vervreemding van het aanmerkelijk belang. Het Hof heeft hiertoe geoordeeld dat sprake is van direct met de vervreemding van de aandelen samenhangende kosten die als zodanig onderdeel vormen van de winst uit aanmerkelijk belang.
4.2.1. Bij de behandeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Indien de vervreemder van een aanmerkelijk belang door de wederpartij in verband met die vervreemding in rechte wordt betrokken, dienen de kosten die de vervreemder in verband daarmee maakt, in aanmerking te worden genomen als onmiddellijk verband houdende met de vervreemding. Gelet op het bepaalde in artikel 20c, lid 2, van de Wet vormen dergelijke kosten - indien de omvang hiervan nog niet vaststaat, gaat het om het geschatte bedrag - een negatieve component van de oorspronkelijke overdrachtsprijs en daarmee ook van het als winst uit aanmerkelijk belang in aanmerking te nemen vervreemdingsvoordeel. Op grond van artikel 20h, lid 3, van de Wet worden vervreemdingsvoordelen beschouwd te zijn genoten op het tijdstip van de vervreemding.
4.2.2. Gelet op het voorgaande geeft 's Hofs oordeel dat belanghebbende op het vervreemdingstijdstip ter zake van de onderhavige (geschatte) kosten terecht een bedrag in aanmerking heeft genomen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige kan het oordeel, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, niet op zijn juistheid worden getoetst. Het middel faalt derhalve.
4.2.3. Opmerking verdient dat voorzover de werkelijke kosten blijken af te wijken van de geschatte kosten, de regeling van lid 5 van artikel 20h van de Wet aan de orde komt.
5. Proceskosten
Wat betreft het principale cassatieberoep van belanghebbende acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het incidentele cassatieberoep zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart zowel het principale beroep van belanghebbende als het incidentele beroep van de Staatssecretaris ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2006.