Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof de verklaringen van de getuige [medeverdachte 1] ten onrechte tot het bewijs heeft gebezigd, nu de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen en de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit niet in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.
- tijdens het graven door die [medeverdachte 1] op de uitkijk te staan en
- mee te graven en
- terwijl [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in de woning aan [d-straat] te Rotterdam die [slachtoffer] aan het verpakken waren en haar naar beneden en in de auto brachten, aldaar op de uitkijk te staan en te bellen met [medeverdachte 3] .”
BEWIJSMIDDELEN
1.
(opmerking schrijftolk: gaat met open rechterhand naar keel en strekt de open hand vervolgens op borsthoogte naar voren uit)en haalde haar zo
(opmerking schrijftolk: trekt rechterarm terug tot op tien centimeter voor borsthoogte).
7.
(opmerking verbalisanten: verdachte maakt graafbewegingen). Ik zei: "Laat het mij zelf doen". Toen is hij weer op de hoek gaan staan om te kijken of er iemand kwam.
Nadere bewijsoverwegingen
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.