Conclusie
[verzoekster]) als legitimaris ingestelde verzet tegen de door verweerder in cassatie (hierna:
de Vereffenaar) als vereffenaar gedeponeerde uitdelingslijst (art. 4:218 BW Pro). Nu het cassatieberoep ziet op een beschikking van de kantonrechter, komt de vraag aan de orde of de tegen die beschikking gerichte rechtsklacht kan worden behandeld (art. 80 lid 1 RO Pro). Verder gaat het in cassatie om de vraag of bij de vaststelling van de waarde van al hetgeen een legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt – welke waarde op grond van art. 4:71 BW Pro in mindering komt van de legitieme portie – moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van overlijden van de erflater of van de waarde ten tijde van de verdeling.
1.Feiten en procesverloop
erflaatster). Erflaatster is gehuwd geweest met [betrokkene 1] , overleden op 5 september 1966.
de zich in mijn bevindende inboedel in de zin van artikel 5 van Pro boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de inboedel welke is vermeld op een eventueel door mij te maken codicil.
de ten name van mij staande spaarrekeningen ten tijde van mijn overlijden.
2.Artikel 80 lid 1 RO Pro
[.../...] [12] een vijfde cassatiegrond aanvaard, zijnde de schending van een zo fundamenteel rechtsbeginsel dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet meer kan worden gesproken.
argument (i)valt op te merken dat uit de parlementaire geschiedenis inderdaad blijkt dat de wetgever in 1838 de gronden voor het beroep in cassatie tegen inappellabele uitspraken van de kantonrechter heeft beperkt om justitiabelen in geval van een beperkt financieel belang niet bloot te stellen aan een volledige cassatieprocedure. [14] De wetgever lijkt dus met name te hebben gedacht aan cassatieberoep tegen een uitspraak van de kantonrechter waartegen geen hoger beroep openstaat omdat de appellabiliteitsgrens (thans opgenomen in art. 332 Rv Pro) niet wordt gehaald.
argument (ii)is van belang dat tegen een op het verzet tegen de uitdelingslijst in faillissement gegeven beschikking geen hoger beroep mogelijk is (art. 85 Fw Pro). Tot de wetswijziging van 1925 stond tegen de beschikking ook geen cassatieberoep open, dit op grond van de – later onjuist gebleken – opvatting, dat het in deze zaken vrijwel altijd uitsluitend om feitelijke kwesties zou gaan. [16] Sinds de wetswijziging van 1925 is voor beschikkingen op verzet tegen een uitdelingslijst in faillissement op grond van art. 187 lid 1 Fw Pro expliciet cassatieberoep opengesteld. Een beschikking op verzet tegen de uitdelingslijst in faillissement wordt gegeven door de rechtbank (art. 185 Fw Pro) en kan (dus) met rechtsklachten worden bestreden.
argument (iii). De rechtbank kan in het kader van de vereffening van de nalatenschap een rechter-commissaris benoemen (art. 4:208 BW Pro), bijvoorbeeld wanneer de vereffening sterk lijkt op een faillissement. [17] Indien een rechter-commissaris is benoemd, moet het verzet tegen de uitdelingslijst op grond van art. 4:218 lid 3 BW Pro worden ingesteld bij de rechtbank. Bij een eventueel cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank speelt art. 80 lid 1 RO Pro geen rol. Indien echter door de rechtbank geen rechter-commissaris is benoemd, dient het verzet tegen de uitdelingslijst op grond van art. 4:218 lid 3 BW Pro te worden ingesteld bij de kantonrechter, in welk geval een eventueel cassatieberoep wel wordt beheerst door art. 80 lid 1 RO Pro.
[.../...] [18] een extra cassatiegrond aanvaard. In dit arrest is door uw Raad (onder meer) overwogen:
volledigkan worden aanvaard en heeft de cassatiegronden – in
aanvullingop de reeds onder (a) en (b) genoemde – uitgebreid tot de schending van
fundamentele rechtsbeginselenin het algemeen. Dit getuigt van een keuze voor een tussenweg, waarbij niet alle beperkingen buiten toepassing worden gelaten, maar een component van de uithollingsrechtspraak ter zake van appelverboden wordt overgenomen als bijkomende cassatiegrond. [22]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
agenoemde, door de erflater achtergelaten personen.”
aen
bgenoemde uitzonderingen. Kort gezegd komen deze uitzonderingen erop neer dat hetgeen de legitimaris kan verkrijgen niet vrij en onbezwaard is (in de literatuur ook wel inferieur genoemd). [40]
het in de rede (ligt) om ter vaststelling van de aanvulling op de legitieme portie – waarbij dus rekening gehouden moet worden met een verkrijging krachtens erfrecht – (…) wordt uitgegaan van de waarde ten tijde van overlijden van erflaatster, hetgeen [de Vereffenaar] in zijn berekening ook heeft gedaan en gemotiveerd onderbouwd.”.
daadwerkelijkals erfgenaam verkrijgt, derhalve om het bedrag dat de legitimaris bij de verdeling als erfdeel uit de nalatenschap ontvangt. Ook Boelens en Waaijer stellen dat het bij de toerekening ex art. 4:71 BW Pro gaat om hetgeen de legitimaris daadwerkelijk krachtens erfrecht verkrijgt. Uit jurisprudentie en wetsgeschiedenis volgen bovendien geen aanknopingspunten voor een andere uitleg van art. 4:71 BW Pro. [48]
dat het in de rede ligt om ter vaststelling van de aanvulling op de legitieme portie – waarbij dus rekening moet worden gehouden met een verkrijging krachtens erfrecht – uit te gaan van de waarde ten tijde van overlijden van erflaatster. Het bestempelt dit oordeel als onvoldoende gemotiveerd althans onbegrijpelijk in het licht van de essentiële stellingen van [verzoekster] , welke de rechtbank ten onrechte niet althans niet kenbaar in haar overwegingen heeft betrokken en die er, samengevat, op neer komen dat de vermindering op de legitieme portie dient te worden vastgesteld per de datum van verdeling.
aanvullingop de legitieme portie” terwijl het juist ging om het bedrag dat in
minderingkomt op de legitieme portie. Er is geen sprake van een aanvulling op de legitieme portie, maar van een aanvullend beroep op de legitieme portie, zijnde een beroep op aanvulling bovenop hetgeen krachtens erfrecht is verkregen tot aan de legitieme portie, aldus het subonderdeel.
dus” rekening moet worden gehouden met een verkrijging krachtens erfrecht, zulks te meer gezien de in rov. 4.9 (tweede zin) gehanteerde bewoordingen “aanvulling” respectievelijk “verkrijging” (die beide zien op iets wat erbij komt en niet op iets wat er af gaat), aldus het subonderdeel.
onderdeel 3faalt eveneens.